ECLI:NL:RBDHA:2026:20201text/xmlpublic2026-07-20T17:11:232026-07-20Raad voor de RechtspraaknlRechtbank Den Haag2026-07-20NL26.10047UitspraakEerste aanleg - enkelvoudigNLGroningenBestuursrecht; VreemdelingenrechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:20201text/htmlpublic2026-07-20T17:09:012026-07-20Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBDHA:2026:20201 Rechtbank Den Haag , 20-07-2026 / NL26.10047 Asiel / Ghana/ seksuele geaardheid / ongegrond
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: NL26.10047 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam 1] , eiser,geboren op [geboortedatum] ,van Ghanese nationaliteit, V-nummer: [nummer] ,
(gemachtigde: mr. J.M. Suurmeijer), en de minister van Asiel en Migratie, de minister, (gemachtigde: mr. C.R. Stoute). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 16 februari 2026 in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. 2.1. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.2. De rechtbank heeft het beroep op 10 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Ook is er een tolk verschenen. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten. Beoordeling door de rechtbank Het asielrelaas
3. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij zich aangetrokken voelt tot zowel mannen als vrouwen. Dit ontdekte eiser in 2017. Eiser heeft een geheime relatie van zes jaar gehad met een man genaamd [naam 2] . Tijdens deze relatie is eiser getrouwd met zijn ex-vrouw. Zijn ex-vrouw heeft eiser bij hen thuis tweemaal betrapt met [naam 2] . De eerste keer wist eiser haar gerust te stellen. Nadat de ex-vrouw hen een tweede keer betrapte is eiser gevlucht. Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven: Identiteit, nationaliteit en herkomst; Seksuele gerichtheid en de daaruit voortvloeiende problemen. De minister vindt de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig. De seksuele gerichtheid en de daaruit voortvloeiende problemen vindt de minister niet geloofwaardig, omdat eisers verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Eisers heeft verder niet onmiddellijk asiel aangevraagd toen dat mogelijk was. Eisers asielaanvraag is daarom afgewezen als kennelijk ongegrond. De toets door de rechtbank 5. In de arresten van 4 juni 2026 in de zaken Ebilum en Quotal heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie overwogen dat de terughoudende toets, zoals de Nederlandse rechter die nu in asielzaken verricht, niet verenigbaar is met het Europees recht. In lijn met deze rechtspraak toetst de rechtbank het besluit daarom vol. Het referentiekader
6. Eiser stelt dat hij moeilijk kan verklaren over zijn gevoelens en dat hij zijn relatie met [naam 2] altijd geheim heeft moeten houden, zodat hij hierover niet veel kon praten. De minister heeft dan ook onvoldoende rekening gehouden met deze omstandigheden en ook met het introverte karakter van eiser. Het feit dat eiser een hoog opleidingsniveau heeft betekent daarnaast niet dat eiser in staat is om over zijn gevoelens te verklaren.
7. De rechtbank stelt vast dat de minister het referentiekader van eiser kenbaar heeft betrokken bij de beoordeling. De rechtbank ziet in de enkele stelling dat eiser het moeilijk vindt om te verklaren over zijn emoties en hij lange tijd niet kon praten over zijn relatie, geen aanleiding voor het oordeel dat onvoldoende rekening is gehouden met het referentiekader van eiser. De gemachtigde van de minister heeft zich op zitting terecht op het standpunt gesteld dat eiser weliswaar introvert kan zijn en wellicht niet makkelijk over zijn gevoelens praat, maar dat er desondanks van hem mag worden verwacht dat hij zijn asielrelaas aannemelijk maakt en inzicht geeft in zijn persoonlijk verhaal. Heeft de minister de seksuele gerichtheid van eiser en de daaruit voortvloeiende problemen terecht ongeloofwaardig geacht?
8. Eiser stelt dat de minister zijn seksuele gerichtheid en de problemen die hij als gevolg daarvan heeft ondervonden ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Eiser wordt ten onrechte tegengeworpen dat hij summier en oppervlakkig heeft verklaard over [naam 2] en zijn relatie. Eiser stelt dat hij zich in het begin wat ongemakkelijk voelde, maar dat dit beter werd naarmate de tijd vorderde, mede door de geruststellingen van [naam 3] . Het ongemak zag op het intieme contact met een man en niet op de liefdesverklaring van [naam 2] . De verliefdheid groeide doordat eiser en [naam 2] vaker samen waren. Eiser dacht wel na over de gevolgen en risico’s, maar werd door zowel [naam 2] als [naam 3] gerustgesteld. Eiser viel onder meer voor de zorgzaamheid van [naam 2] . Daarnaast is [naam 2] niet materialistisch en deed hij veel voor eiser. Eiser stelt verder dat hem ten onrechte is tegengeworpen dat hij geen inzicht heeft gegeven in de relatie met [naam 2] ten opzichte van de relatie met zijn vrouw. Beide relaties waren voor eiser belangrijk. De relatie met zijn vrouw vooral vanwege de verwachtingen van zijn omgeving en de relatie met [naam 2] vooral vanwege zijn verliefdheid op [naam 2] . De eerste “relatie” waarnaar eiser verwees, had eiser wellicht beter geen relatie kunnen noemen. Het gaat namelijk om eenmalig intiem contact. Eiser is deze man wel blijven zien (minder dan één jaar), maar een volgend intiem contact is er niet meer geweest, omdat eiser al gevoelens voor [naam 2] kreeg. Eiser volgt verder niet dat hij meer had moeten kunnen verklaren over zijn eerste intieme contact met de betreffende man. Eiser stelt daarnaast dat hij tijdens het aanmeldgehoor niet heeft aangegeven dat hij alleen seksuele gevoelens heeft voor mannen. Uit zijn verdere verklaringen volgt dat eiser liefdesgevoelens ervaart voor zowel mannen als vrouwen. Hem wordt dan ook ten onrechte tegengeworpen dat hij tegenstrijdig en summier heeft verklaard over de realisatie dat hij ook op mannen valt. Eiser betoogt over de kennis van LHBTI-organisaties in Nederland dat hij door angst veel op het AZC is gebleven. Eiser heeft wel met een vriend kunnen spreken over zijn problemen en heeft op het station twee mannen zien zoenen. Hierdoor zag eiser in dat dit in Nederland normaal is. Eiser heeft contact met Stichting Rainbow Den Haag en hij is door het COa uitgenodigd deel te nemen aan een LHBTI-activiteit op het AZC in Veldhoven. Ter onderbouwing heeft eiser een brief van 21 juni 2026 van Stichting Rainbow overgelegd. Eiser stelt tot slot dat hij zich slecht voelt over de manier waarop in Ghana tegen de LHBTI-gemeenschap wordt aangekeken. Eiser vraagt zich af waarom de Ghanese autoriteiten zich bemoeien met het persoonlijke leven van mensen en hij vindt dat iedereen zijn eigen leven moet kunnen leiden. Eiser stelt hiermee het gevraagde verdere inzicht alsnog te hebben gegeven.
9. De rechtbank is van oordeel dat de minister de seksuele gerichtheid van eiser terecht ongeloofwaardig heeft geacht. De minister heeft hierbij terecht overwogen dat eiser summier en oppervlakkig heeft verklaard over [naam 2] en zijn relatie met hem. De rechtbank stelt voorop dat eiser heeft verklaard sinds 2017 tot aan zijn vertrek uit Ghana een relatie met [naam 2] te hebben gehad, waarbij zij elkaar wekelijks zouden hebben gezien. In dat kader mocht de minister van eiser verwachten dat hij meer inzicht kon geven in zijn relatie en dat hij meer kon verklaren over [naam 2] . Eiser heeft onder meer verklaard dat [naam 2] vriendelijk, erg aardig en erg zorgzaam is. Eiser en [naam 2] gingen normaal gesproken uit naar de club, naar stranden en ze zagen elkaar in eisers woning. Eiser vindt de manier waarop [naam 2] zich kleedt en gedraagt aantrekkelijk en ook zijn zorgzaamheid vindt hij aantrekkelijk. Wanneer op deze punten wordt doorgevraagd, blijven de verklaringen van eiser oppervlakkig. Dat het ongemak zou zien op het eerste intieme contact met een man en niet op de liefdesverklaring kan aan de oppervlakkige verklaringen niet af doen. Ook de toelichting en aanvullende verklaringen in beroep leiden niet tot een ander oordeel, nu deze verklaringen summier en oppervlakkig blijven en eiser onvoldoende inzicht heeft gegeven in zijn gevoelens.
10. Verder heeft de minister terecht overwogen dat eiser geen inzicht heeft verschaft in beide relaties. Eiser heeft verklaard dat hij meer tijd doorbracht met zijn vrouw nadat zij getrouwd waren en minder met [naam 2] . [naam 2] was verder zorgzaam en met eisers vrouw was eiser ook gelukkig, want zij was ook zorgzaam. Hiermee heeft eiser echter geen inzicht gegeven in beide relaties en evenmin in de reden waarom deze relaties voor hem belangrijk waren. De rechtbank ziet in de aanvullende verklaringen in beroep geen aanleiding voor een ander oordeel, nu ook deze verklaringen summier blijven. De minister heeft verder terecht tegengeworpen dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard over het aantal relaties dat hij met mannen zou hebben gehad. Eiser heeft eerst namelijk verklaard dat zijn eerste relatie minder dan een jaar duurde en later dat hij enkel is uitgegaan met deze eerste man en dat zij elkaar na die dag niet meer hebben ontmoet. Dat eiser het contact beter geen relatie had kunnen noemen en dat hij de eerste man nog wel minder dan een jaar is blijven zien, kan hieraan niet afdoen. De minister heeft terecht overwogen dat het verschil in verklaringen dermate groot blijft, dat dit eiser kan worden tegengeworpen. In dit kader is eveneens terecht overwogen dat van eiser mocht worden verwacht dat hij meer inzicht gaf in zijn eerste intieme contact met een man. Dat eiser veel gedronken zou hebben die avond, maakt niet dat van eiser niet mocht worden verwacht dat hij inzicht zou geven in waarom hij dit intieme contact heeft laten gebeuren. Dit te meer nu eiser tot op dat moment nog geen intiem contact met een andere man had gehad. De minister heeft verder terecht tegengeworpen dat eiser wisselend en summier heeft verklaard over de realisatie dat hij ook op mannen valt. Hierbij heeft de minister terecht overwogen dat eiser tijdens het aanmeldgehoor is gevraagd of hij ook gevoelens heeft voor mannen of dat het enkel seksueel is. Hierop heeft eiser aangegeven dat hij seksuele aantrekking voelt. De enkele stelling in beroep dat eiser dit niet zou hebben verklaard, volgt de rechtbank niet. De rechtbank betrekt hierbij dat uit de correcties & aanvullingen niet volgt dat eiser dit punt heeft gecorrigeerd. Dat uit de overige verklaringen zou volgen dat eiser ook gevoelens heeft voor mannen, kan aan deze tegenwerping evenmin afdoen. De rechtbank merkt verder op dat de minister in dit kader ook heeft tegengeworpen dat eiser twee verschillende startpunten schetst ten aanzien van de realisatie dat hij ook op mannen valt, hetgeen door eiser in beroep niet is betwist, zodat ook om die reden terecht is tegengeworpen dat eiser wisselend heeft verklaard over de realisatie dat hij op mannen valt.
11. Naar het oordeel van de rechtbank is eveneens terecht tegengeworpen dat eiser geen kennis heeft over de situatie van de LHBTI-gemeenschap in Nederland. Eiser heeft verklaard dat hij niet mee wilde naar een LHBTI-evenement, vanwege wat hij heeft meegemaakt in Ghana. Eiser wist niet hoe het in Nederland geaccepteerd werd, dus hij wilde er niet bij betrokken raken. De minister heeft terecht overwogen dat, alhoewel begrijpelijk is dat eiser enige angst ervaart, van hem mocht worden verwacht dat hij meer moeite zou doen om te leren over de situatie in Nederland, te meer nu eiser heeft verklaard dat hij in Nederland graag open wil zijn over het feit dat hij zich aangetrokken voelt tot mannen. Eiser heeft verder aangegeven door iemand uitgenodigd te zijn om naar een LHBTI-evenement te gaan, zodat eiser toegang had tot mensen die hem meer zouden kunnen vertellen hierover. De minister heeft zich op zitting verder terecht op het standpunt gesteld dat aan de in beroep overgelegde brief van Stichting Rainbow zeer beperkte waarde toekomt. Hierbij is terecht overwogen dat de nadruk ligt op eisers verklaringen en dat de brief eisers summiere verklaringen niet kan compenseren. De rechtbank is tot slot van oordeel dat de minister terecht heeft tegengeworpen dat eiser, hoewel hij weet te verklaren over de repressie jegens de LHBTI-gemeenschap in Ghana, oppervlakkig en algemeen heeft verklaard over zijn gevoelens ten opzichte van deze repressie. Eiser heeft in dit kader verklaard dat de maatschappij en de wet zeggen dat het verkeerd is, maar dat hij het zelf niet als verkeerd voelde. De minister heeft in de aanvullende verklaringen in beroep geen aanleiding voor een ander oordeel hoeven zien, nu deze verklaringen eveneens oppervlakkig en algemeen van aard zijn. Conclusie en gevolgen 12. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond.
Het beroep is daarom ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en de afwijzing van zijn asielaanvraag in stand blijft. Eiser krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, rechter, in aanwezigheid van mr. P.C.J. Lindeijer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl. De uitspraak is openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Vreemdelingenwet 2000. ECLI:EU:C:2026:448 en ECLI:EU:C:2026:447. Nader gehoor, p. 16. Aanmeldgehoor, p. 11. Nader gehoor, p. 8. Aanmeldgehoor, p. 10. Nader gehoor, p. 17. Nader gehoor, p. 18. Nader gehoor, p. 19.