Menu

Filter op
content
PONT | Governance

0

ECLI:NL:RBDHA:2026:18175

AMBV, Dublinverordening, overgangsrecht, Asiel- en Migratiebeheer verordening, discretionaire bevoegdheid van toepassing, draagwijdte rechtsmiddel

Rechtbank Den Haag 3 juli 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBDHA:2026:18175 text/xml public 2026-07-03T09:59:47 2026-07-03 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-06-24 NL26.20241 NL26.20237 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Utrecht Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18175 text/html public 2026-07-03T09:59:26 2026-07-03 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:18175 Rechtbank Den Haag , 24-06-2026 / NL26.20241 NL26.20237
AMBV, Dublinverordening, overgangsrecht, Asiel- en Migratiebeheer verordening, discretionaire bevoegdheid van toepassing, draagwijdte rechtsmiddel

uitspraak


RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.20241 en NL26.20237

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen [eiser] en

[eiseres] mede namens haar minderjarige kinderen:

[minderjarige 1] en [minderjarige 2], V-nummers: [V-nummer] , [V-nummer] , [V-nummer]

en [V-nummer] , eisers (gemachtigde: mr. D. van Elp),

en

de minister van Asiel en Migratie, de minister (gemachtigde: mr. M.W.A. van Hoof).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eisers tegen het niet in behandeling nemen van de aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvragen met de bestreden besluiten van 9 april 2026 niet in behandeling genomen omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de aanvragen.
1.1.
De rechtbank heeft de beroepen op 16 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers en hun gemachtigde, de gemachtigde van de minister en

M.D.M. Metry als tolk.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvragen van eisers. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eisers hebben aangevoerd, de beroepsgronden.

3. De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond. Dat betekent dat eisers ongelijk krijgen en het niet in behandeling nemen van hun aanvragen in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Toepasselijk recht

4. Op 12 juni 2026 is de Asiel- en Migratiebeheerverordening (AMBV) in werking getreden.1 Artikel 83, eerste volzin, van de AMBV bepaalt dat de Dublinverordening2 op 12

1. EU 2024/1351 en EU 2025/90929 rectificatie.

2 EU 604/2013.

juni 2026 wordt ingetrokken. De rechtbank bespreekt daarom als eerste welk recht in deze zaak van toepassing is.

Overgangsrecht

5. Artikel 84, tweede lid, van de AMBV bepaalt dat de vraag welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een vóór 12 juni 2026 ingediend verzoek om internationale bescherming, wordt bepaald volgens de in de Dublinverordening vastgelegde criteria.

6. Eisers verzoek om internationale bescherming is vóór 12 juni 2026 ingediend. Dat betekent dat de vraag welke lidstaat verantwoordelijk is, op grond van het overgangsrecht wordt bepaald volgens de in de Dublinverordening vastgelegde criteria.

7. Het besluit gaat ook over de toepassing van de discretionaire bevoegdheid van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Op grond van dat artikel kan elke lidstaat besluiten een bij hem ingediend verzoek om internationale bescherming te behandelen, ook al is hij daartoe op grond van de in deze verordening neergelegde criteria niet verplicht. Artikel 35, eerste lid, van de AMBV kent eenzelfde discretionaire bevoegdheid aan de lidstaten toe. In zoverre brengt de inwerkingtreding van de AMBV geen wijziging in de bevoegdheid van een lidstaat. Gelet op het hierna te bespreken nationale overgangsrecht, kan in het midden blijven of artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening van toepassing is onder de werking van artikel 84, tweede lid, van de AMBV of dat artikel 35 van de AMBV van toepassing is op grond van de onmiddellijke werking van de AMBV.

8. Op grond van artikel IX van de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 20263 blijven – voor zover hier relevant – de voorschriften gesteld bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000 van vóór 12 juni 2026 van toepassing. Dat betekent ook dat het beleid van de minister in C2/5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 over de toepassing van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening van toepassing blijft. Dit geldt beleid geldt ook als artikel 35, eerste lid, van de AMBV van toepassing is.

9. Gelet op het voorgaande gaat de rechtbank bij de beoordeling van dit beroep uit van het beleid dat is opgenomen in C2/5 van de Vreemdelingencirculaire, zoals dat luidde voor 12 juni 2026.

Overgangsrecht draagwijdte rechtsmiddel

10. Artikel 43, eerste lid, van de AMBV bepaalt dat de draagwijdte van een rechtsmiddel tegen een overdrachtsbesluit beperkt is tot de beoordeling van de punten die in de onderdelen a, b en c van dat artikellid zijn genoemd. Artikel 43, eerste lid, van de AMBV valt niet onder de werking van het overgangsrecht van artikel 84, tweede lid, van de AMBV zodat dat artikel onmiddellijke werking heeft. De rechtbank is echter van oordeel dat artikel 43, eerste lid, van de AMBV niet van toepassing is op zaken die onder het overgangsrecht van de AMBV vallen. Artikel 43 valt onder Afdeling IV van de AMBV over procedurele waarborgen die zien op een overdrachtsbesluit in de zin van artikel 42 van de AMBV. Bij verzoeken ingediend voor 12 juni 2026 en die vallen onder het overgangsrecht, is daarvan geen sprake. Bij die verzoeken is immers sprake van een overdrachtsbesluit volgend op de toepassing van de criteria van de Dublinverordening. Artikel 43, eerste lid, van de AMBV

3 Staatsblad 2026, 127.

beperkt dan ook niet de rechterlijke toetsing van overdrachtsbesluiten die onder het overgangsrecht vallen.

Totstandkoming van het besluit

11. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.4 In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om overname gedaan omdat eisers met een Frans visum het grondgebied van de lidstaten zijn ingereisd. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
12. Eisers voeren aan dat de minister ten onrechte ervan uitgaat dat ten aanzien van Frankrijk van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Eisers hebben twee minderjarige kinderen en zij lopen een risico om met de minderjarige kinderen in Frankrijk op straat te belanden. Eisers verwijzen naar pagina 122 van het AIDA-rapport (update 2024), waaruit blijkt dat niet iedereen in Frankrijk opvang krijgt. Ook hebben eisers in Frankrijk onvoldoende toegang tot zorg. Op uit pagina 134 en 135 van het AIDA-rapport (update 2024) volgt namelijk dat asielzoekers maar beperkt toegang hebben tot zorg en in sommige gevallen geen toegang hebben tot zorg, omdat dokters afspraken weigeren in te boeken. Eisers stellen verder bij terugkeer naar Frankrijk volgens een regeling de eerste drie maanden beperkt toegang te hebben tot medische zorg. De minister zou garanties op moeten vragen aan de Franse autoriteiten om te garanderen dat eisers in Frankrijk toegang hebben tot medische voorzieningen.

13. Bij de beoordeling van de vraag welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een ingediend asielverzoek, mag de minister uitgaan van het vermoeden dat de behandeling van de vreemdeling in de aangezochte lidstaat in overeenstemming is met de bepalingen van het EU Handvest, het Vluchtelingenverdrag en het EVRM. Het is in beginsel aan eisers om aannemelijk te maken dat zij bij overdracht aan Frankrijk, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Franse autoriteiten, een reëel risico lopen op een behandeling die in strijd is met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest. Daarvan is sprake in het geval eisers aannemelijk maken dat er structurele tekortkomingen in het asiel- en opvangsysteem zijn, die een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken, zoals neergelegd in het arrest Jawo.5

14. De rechtbank oordeelt dat ten aanzien van Frankrijk uit kan worden gegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft op 2 mei 20246 en 31 juli 20257 geoordeeld dat ten aanzien van Frankrijk van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. In de uitspraak van 31 juli 2025 heeft de Afdeling geoordeeld dat het AIDA-rapport (update 2024) geen situatie schetst waaruit geconcludeerd kan worden dat er niet meer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Eisers stelling dat uit het AIDA-rapport volgt dat het onzeker is of zij opvang zullen krijgen slaagt daarom niet. Ook mag de minister ervan uitgaan dat medische voorzieningen in Frankrijk van een vergelijkbare kwaliteit zijn als in Nederland. Dat eisers in Frankrijk volgens een regeling de eerste drie maanden

4 Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.

5 ECLI:EU:C:2019:218.

6 ECLI:NL:RVS:2024:1863.

7 ECLI:NL:RVS:2025:3623.

beperkt toegang hebben tot medische zorg betekent niet dat er niet meer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan, zeker omdat er nog toegang is tot noodvoorzieningen in het geval van medische spoed. Eisers zijn er niet in geslaagd om aannemelijk te maken dat zij in Frankrijk geen toegang zullen hebben tot zorg. Zij hebben niet aangetoond dat zij hebben geprobeerd zorg te krijgen in Frankrijk en dat dit hun is geweigerd. Daarnaast is het aan eisers om hier in Frankrijk over te klagen. Niet blijkt dat de Franse autoriteiten hun niet willen helpen. De minister hoeft geen garanties te vragen aan de Franse autoriteiten dat eisers in Frankrijk toegang zullen hebben tot medische voorzieningen. De beroepsgrond slaagt niet.

Beroep op het arrest C.K.

15. Eisers stellen dat de minister onvoldoende heeft beoordeeld wat de overdracht aan Frankrijk zou betekenen voor eisers gezondheid. Er zijn reële risico’s dat een overdracht aan Frankrijk zal leiden tot een verslechtering van eisers gezondheid. Eiser heeft aangetoond dat hij onder behandeling staat bij een internist-hematoloog. Eiser stelt dat hij, net als in Syrië, aderlatingen nodig heeft en het is onduidelijk wat de gevolgen zijn als hij lang geen aderlatingen krijgt. De minister had daarom een BMA-advies8 moeten vragen. Op de zitting is verklaard dat nog onderzocht wordt welke diagnose bij eisers ziekte hoort, dat eiser geen bloed mag doneren door zijn ziekte en dat hij in Nederland geen aderlatingen heeft gekregen. Eiseres kampt met psychische klachten en heeft daarover gesprekken met de praktijkondersteuner van een huisarts.

16. Uit het arrest C.K. volgt dat overdracht van een vreemdeling achterwege dient te blijven indien de overdracht tot een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van diens gezondheidstoestand zou leiden. De vreemdeling moet in dat verband objectieve gegevens overleggen die de bijzondere ernst van zijn gezondheidstoestand en ook de aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen daarvoor van een overdracht aantonen. Indien eiser deze gegevens heeft overgelegd, dient de minister het risico op een dergelijke verslechtering van de gezondheidstoestand te laten onderzoeken door het BMA, zo volgt uit Werkinstructie 2021/3.

17. Naar oordeel van de rechtbank blijkt uit de door eisers overgelegde gegevens niet dat de overdracht zelf tot een aanzienlijk en onomkeerbare achteruitgang van de gezondheidstoestand van eiser of eiseres zou leiden. Zij hebben niet met medische stukken onderbouwd dat de overdracht naar Frankrijk zal leiden tot een onomkeerbare verslechtering van hun gezondheidstoestand. De medische gevolgen van de overdracht zijn namelijk niet aangetoond. De rechtbank ziet onvoldoende aanleiding om tot het oordeel te komen dat de minister een vergewisplicht heeft ten aanzien van de gevolgen van eisers overdracht aan Frankrijk. De beroepsgrond slaagt niet.
Artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening
18. Eisers stellen dat minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom er geen toepassing is gegeven aan de discretionaire bevoegdheid uit artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. De minister heeft enkel geoordeeld dat de medische omstandigheden van eiser niet leiden tot een toepassing van de discretionaire bevoegdheid uit artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. De minister had echter ook andere omstandigheden

8 Bureau Medisch Advies.

mee moeten nemen in de beoordeling, namelijk dat eisers participeren in de samenleving, hun kinderen krijgen inentingen, zij gaan naar de kerk en doen vrijwilligerswerk.

19. Volgens paragraaf C2/5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 maakt de minister niet snel gebruik van de bevoegdheid om het verzoek om internationale bescherming te behandelen op grond van artikel 17, eerste en tweede lid, van de Dublinverordening. Volgens het beleid in paragraaf C2/5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 is dat in ieder geval als bijzondere individuele omstandigheden maken dat de overdracht van de vreemdeling aan de voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming verantwoordelijke lidstaat van een onevenredige hardheid getuigt. Volgens vaste rechtspraak9 is het aan de minister om dit te beoordelen en dient de rechter deze beoordeling terughoudend te toetsen.

20. De rechtbank oordeelt dat de minister zich op het standpunt heeft mogen stellen dat hij geen toepassing geeft aan de discretionaire bevoegdheid uit artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Dat eisers participeren in de samenleving is naar oordeel van de rechtbank onvoldoende om te spreken van onevenredige hardheid. Eisers kunnen ook in Frankrijk naar de kerk, vrijwilligerswerk doen of inentingen krijgen. Daarnaast mag de minister er op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel vanuit gaan dat eiser in Frankrijk toegang heeft tot zorg. Dat eiser hier in Nederland onder behandeling staat is onvoldoende om te spreken van onevenredige hardheid. De minister heeft dat, ook gelet op de omstandigheden die in de zienswijze naar voren zijn gebracht, toereikend gemotiveerd. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
21. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat eisers kunnen worden overgedragen aan Frankrijk. Eisers krijgen geen vergoeding van hun proceskosten.

9 ECLI:NL:RVS:2025:2108.
Beslissing
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Catsburg, rechter, in aanwezigheid van mr. T. Rommes, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

24 juni 2026
Documentcode: [Documentcode]
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Artikel delen