ECLI:NL:RBDHA:2026:16224text/xmlpublic2026-06-16T20:56:132026-06-16Raad voor de RechtspraaknlRechtbank Den Haag2026-06-16NL26.24693UitspraakVoorlopige voorzieningNLDen HaagBestuursrecht; VreemdelingenrechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:16224text/htmlpublic2026-06-16T20:54:482026-06-16Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBDHA:2026:16224 Rechtbank Den Haag , 16-06-2026 / NL26.24693 Spoedvovo - overdracht Duitsland - afgewezen
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: NL26.24693
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[naam], V-nummer: [nummer], verzoeker (gemachtigde: mr. N. Imminga), en de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. M. Weerman). Samenvatting 1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker. Hij vraagt de voorzieningenrechter te bepalen dat hij niet overgedragen mag worden aan Duitsland tot dat op zijn beroep tegen het niet in behandeling nemen van zijn asielaanvraag is beslist. 1.1. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. Procesverloop 2. Bij besluit van 29 april 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister de aanvraag van verzoeker tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. 2.1. Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. 2.2. De minister heeft op 16 juni 2026 een verweerschrift ingediend. 2.3. Voor verzoeker is op 17 juni 2026 een overdracht gepland aan de autoriteiten van Duitsland. Omdat onverwijlde spoed dat vereist doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder partijen uit te nodigen voor een zitting. Beoordeling door de voorzieningenrechter Het standpunt van verzoeker
3. Verzoeker voert aan dat Duitsland zijn internationale verplichtingen niet naleeft, nu zijn verzoek om internationale bescherming aldaar is afgewezen terwijl hij als Ahmadiyya vreest voor vervolging bij terugkeer naar Pakistan. Volgens verzoeker kan daarom niet zonder meer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel worden uitgegaan. Omdat Duitsland zijn beschermingsverzoek al heeft afgewezen en hem een vertrekplicht heeft opgelegd onder aanzegging van uitzetting naar Pakistan, stelt verzoeker dat overdracht aan Duitsland leidt tot een risico op indirect refoulement. Het standpunt van de minister
4. De minister stelt zich primair op het standpunt dat verzoeker geen spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorziening, omdat sprake is van een gecontroleerde vrijwillige overdracht aan Duitsland en niet van een gedwongen overdracht. 4.1. Subsidiair stelt de minister zich op het standpunt dat het beroep geen redelijke kans van slagen heeft. Volgens de minister hoeft in een Dublinprocedure niet te worden onderzocht of overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat kan leiden tot indirect refoulement als gevolg van het aldaar gevoerde beschermingsbeleid. De minister verwijst daarbij naar de rechtspraak van het Hof van Justitie en de Afdeling. Nu ten aanzien van Duitsland van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan, bestaat volgens verweerder geen aanleiding voor een dergelijke beoordeling. Het oordeel van de voorzieningenrechter
5. De voorzieningenrechter volgt de minister niet in zijn primaire standpunt dat geen sprake is van een spoedeisend belang. Uit de kennisgeving volgt dat verzoeker op een concreet tijdstip, namelijk op 17 juni 2026 om 11:00 uur, wordt overgedragen aan Duitsland. Tegen deze achtergrond is de overdracht niet zodanig vrijblijvend dat geen sprake zou zijn van een dreigende feitelijke situatie. Daarbij acht de voorzieningenrechter aannemelijk dat het niet voldoen aan deze kennisgeving gevolgen voor verzoeker kan hebben. Daarom acht de voorzieningenrechter voldoende aannemelijk dat verzoeker een spoedeisend belang heeft bij de beoordeling van zijn verzoek. 5.1. Nu sprake is van een spoedeisend belang, dient te worden beoordeeld of het beroep een redelijke kans van slagen heeft. In dat verband overweegt de voorzieningenrechter als volgt. 5.2. Uitgangspunt is dat de minister ten aanzien van Duitsland mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Het is aan verzoeker om aannemelijk te maken dat Duitsland zijn internationale verplichtingen jegens hem niet zal nakomen. Daarin is verzoeker niet geslaagd. De enkele omstandigheid dat de Duitse autoriteiten zijn verzoek om internationale bescherming hebben afgewezen, betekent niet dat Duitsland zijn verdragsrechtelijke verplichtingen niet naleeft. Verzoeker heeft geen concrete aanknopingspunten aangedragen waaruit blijkt dat sprake is van systeemfouten in de Duitse asielprocedure of opvangvoorzieningen die de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken als bedoeld in artikel 4 van het Handvest en artikel 3 van het EVRM. 5.3. Voor zover verzoeker vreest voor indirect refoulement, verwijst de voorzieningenrechter naar het arrest van het Hof van 30 november 2023 en de uitspraak van de Afdeling van 12 juni 2024. Daaruit volgt dat binnen de kaders van een Dublinprocedure niet beoordeeld kan worden of een vreemdeling bij overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat een reëel risico loopt op indirect refoulement. Slechts indien aannemelijk is gemaakt dat ten aanzien van de verantwoordelijke lidstaat niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan wegens systeemfouten in de asielprocedure of opvangvoorzieningen, bestaat aanleiding voor een verdere beoordeling van een gestelde schending van het verbod van refoulement. Nu verzoeker dergelijke systeemfouten niet aannemelijk heeft gemaakt en ten aanzien van Duitsland nog steeds van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding te onderzoeken of overdracht aan Duitsland voor verzoeker een risico op indirect refoulement meebrengt. Conclusie en gevolgen 6. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Dat betekent dat verzoeker kan worden overgedragen aan Duitsland. Verzoeker krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van
A. Hoekstra - Verbeek, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 14 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:588. Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 4 september 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3455 en ECLI:NL:RVS:2024:3456. Europese Hof van Justitie. ECLI:EU:C:2023:934. ECLI:NL:RVS:2024:2359.