Geschil over afgebroken onderhandelingen. Schadevergoeding. Eindvonnis.
Rechtbank Den Haag 3 juli 2026
Jurisprudentie – Uitspraken
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:14818
Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
03-06-2026
Datum publicatie
03-07-2026
Zaaknummer
Zaak-/rolnummer: C/09/684547 / HA ZA 25-374
Rechtsgebied
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI:NL:RBDHA:2026:14818text/xmlpublic2026-07-03T09:45:172026-06-03Raad voor de RechtspraaknlRechtbank Den Haag2026-05-27Zaak-/rolnummer: C/09/684547 / HA ZA 25-374UitspraakEerste aanleg - enkelvoudigNLDen HaagCiviel rechtCiviel recht; VerbintenissenrechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:14818text/htmlpublic2026-07-03T09:44:302026-07-03Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBDHA:2026:14818 Rechtbank Den Haag , 27-05-2026 / Zaak-/rolnummer: C/09/684547 / HA ZA 25-374 Geschil over afgebroken onderhandelingen. Schadevergoeding. Eindvonnis.
RECHTBANK Den Haag Team handel Zaak-/rolnummer: C/09/684547 / HA ZA 25-374 Vonnis van 27 mei 2026 in de zaak van
[eiseres] B.V., te [vestigingsplaats],
eiseres,
advocaat: mr. F.J. Bleker, tegen HORTIFLORA B.V., te Waddinxveen,
gedaagde,
advocaat: mr. F.L.M. van Beek. Partijen blijven aangeduid als [eiseres] en Hortiflora. 1De procedure1.1. Na het vonnis van 3 december 2025 zijn de volgende stukken van partijen ontvangen:
- de akte uitlaten, tevens akte vermeerdering van eis van 28 januari 2026 van [eiseres], met producties;
- de akte uitlaten van 11 maart 2026 van Hortiflora, met producties;
- de akte uitlaten producties van 25 maart 2026 van [eiseres]. 2De verdere beoordeling2.1. Bij voornoemd vonnis is overwogen dat Hortiflora schadeplichtig is jegens [eiseres] door de onderhandelingen af te breken. Dat was onaanvaardbaar. [eiseres] is in de gelegenheid gesteld inzichtelijk te maken wat haar schade was en mee te delen hoeveel van de eind 2022 geplante Omorika aan derden zijn verkocht, tegen welke prijs en wat de exact afgenomen aantallen Omorika door Hortiflora tussen 2020 en 2024 en de daarvoor betaalde prijzen waren. Ook is [eiseres] verzocht in te gaan op het door Hortiflora in deze procedure gevoerde verweer tegen de hoogte van de schade. 2.2.
[eiseres] heeft de schade gesteld op het positief contractsbelang en haar eis vermeerderd tot betaling van € 301.182,55. Hortiflora heeft die – vermeerderde – vordering gemotiveerd betwist en geconcludeerd tot afwijzing van de vordering van [eiseres]. Als de rechtbank tot het oordeel komt dat sprake is van schade die voor vergoeding in aanmerking komt, dan vraagt Hortiflora rekening te houden met eigen schuld aan de zijde van [eiseres] en de vordering niet dan wel voor slechts een zeer beperkt deel toe te wijzen. Beoordelingskader 2.3. Bij het beantwoorden van de vraag tot betaling van welk bedrag aan schadevergoeding Hortiflora jegens [eiseres] gehouden is, neemt de rechtbank tot uitgangspunt dat aansluiting gezocht moet worden bij het positief of het negatief contractsbelang (een combinatie is niet mogelijk), waarbij vergoeding van het positief contractsbelang in geval van afgebroken onderhandelingen in beginsel het uitgangspunt is. Met schadevergoeding ten belope van het positief contractsbelang wordt beoogd de wederpartij in de situatie te brengen alsof de overeenkomst waarover partijen onderhandelden tot stand was gekomen. [eiseres] heeft uitsluitend vergoeding van het positief contractsbelang gevorderd. Positief contractsbelang 2.4. Voor toewijsbaarheid van schadevergoeding ten belope van het positief contractsbelang is vereist dat het aannemelijk is dat enige overeenkomst van het type waarover partijen onderhandelden tot stand zou zijn gekomen indien de onderhandelingen waren voortgezet. De rechtbank is van oordeel dat aan dat vereiste is voldaan. In de voorgaande jaren bereikten partijen telkens overeenstemming over de prijs, zelfs toen in 2023 de door [eiseres] genoemde vraagprijs fors hoger was dan voorheen. In het onder 2.13 van het vonnis van 3 december 2025 bedoelde e-mailbericht (van 4 januari 2023) spreekt Hortiflora de intentie en wens uit om samen Omorika te blijven verhandelen (‘Kortom [naam], ik wil zoals besproken dolgraag met jou deze reeds opgebouwde Omorika handel in de lucht houden (…) ik denk dat we moeten proberen met elkaar de orders aan boord te houden’) evenals het vertrouwen dat partijen – ondanks de hogere vraagprijs van [eiseres] in 2023 – tot overeenstemming zullen komen (‘Ik vertrouw erop dat er een oplossing zal komen waar we beiden mee kunnen leven, want dat is altijd nog gelukt’). In 2023 heeft Hortiflora vervolgens – net als in 2020 tot en met 2022 – Omorika bij [eiseres] afgenomen. Medio februari 2024 vroeg Hortiflora of hij met de Omorika voor 2024 met dezelfde prijs mocht rekenen als in 2023 en stelde zij voor de prijs gelijk te houden aan 2024 (‘Mag ik met de Omorika’s voor 2024 met dezelfde prijs rekenen als in 2023? Ik denk gezien de situatie van afgelopen jaar dat we de prijs gelijk moeten houden in 2024’). In mei/juni 2024 werden de onderhandelingen door Hortiflora afgebroken, zonder dat daarvoor een goede reden (zoals onvoorziene omstandigheden) is genoemd of gebleken en op een moment waarop [eiseres] er, met name gezien de door Hortiflora afgenomen Omorika in de voorgaande jaren en voornoemde berichten van Hortiflora, gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat ook in 2024 weer een overeenkomst tot stand zou komen. 2.5. Nu vanaf 2020 jaarlijks aanzienlijke hoeveelheden Omorika – met een kweekduur van twee jaar – door Hortiflora bij [eiseres] werden afgenomen, Hortiflora in 2023 expliciet de wens heeft uitgesproken de met elkaar opgebouwde handel in Omorika in de lucht te houden en Hortiflora in 2024 het initiatief nam voor prijsonderhandelingen waaruit de intentie bleek om samen de handel in Omorika te willen voortzetten, vindt de rechtbank het aannemelijk dat enigerlei overeenkomst van het type waarover partijen onderhandelden opnieuw tot stand zou zijn gekomen indien de onderhandelingen waren voortgezet. [eiseres] mocht er door toedoen van Hortiflora gerechtvaardigd op vertrouwen dat de – of enigerlei – overeenkomst tussen partijen tot stand zou komen. Dat betekent dat het positief contractsbelang voor vergoeding in aanmerking komt. [eiseres] moet derhalve in dezelfde financiële positie worden gebracht als die waarin zij zou zijn geweest wanneer de overeenkomst tot stand zou zijn gekomen, inclusief vergoeding van gederfde winst. Nu de schade niet nauwkeurig kan worden vastgesteld, zal deze worden geschat (artikel 6:97 BW). Daarbij geldt als uitgangspunt dat de beslissing zodanig moet worden gemotiveerd dat deze voldoende inzicht geeft in de daaraan ten grondslag liggende gedachtegang om de beslissing voor partijen en derden controleerbaar en aanvaardbaar te maken. 2.6.
[eiseres] stelt in 2022 147.500 stuks te hebben ingekocht en heeft die stelling onderbouwd met inkoopfacturen. Ter zitting is namens [eiseres] verklaard dat afhankelijk van weersomstandigheden 15% tot 40% uitval optreedt. Dat zou, uitgaande van het gemiddelde, een uitval van bijna een derde betekenen, zodat van de in 2022 geplante stuks ongeveer 100.000 stuks leverbaar zouden zijn in 2024. Dat is aanzienlijk meer zijn dan Hortiflora jaarlijks van [eiseres] in de voorgaande jaren had afgenomen. Zoals [eiseres] zelf ook stelt is het bepalen van het aantal leverbare stuks geen exacte wetenschap, maar kan wel worden teruggekeken naar wat in het verleden is geleverd. Volgens partijen ligt het jaarlijks tussen 2021 en 2024 afgenomen aantal stuks tussen de 82.631 en 87.600. De rechtbank ziet aanleiding daarbij aan te sluiten en zal ervan uitgaan dat in 2024 ongeveer 85.000 stuks leverbaar waren. 2.7. De stelling van Hortiflora dat dit aantal moet worden gehalveerd vanwege een terugval in de vraag is niet onderbouwd en wordt daarom gepasseerd. Dat in 2021 niet door [eiseres] maar door Trees N Green is gefactureerd maakt het voorgaande ook niet anders, nu niet in geschil is dat ook in dat jaar de Omorika van [eiseres] zijn afgenomen. 2.8. Voor het jaar 2024 is tussen partijen (nog) geen prijs overeengekomen. Hortiflora heeft de stellingen van [eiseres] over afgesproken prijzen betwist. [eiseres] heeft gesteld dat de gehanteerde prijzen vanaf 2020 jaarlijks (maar ook binnen een jaar) varieerden tussen € 2,40 en € 3,31. De rechtbank ziet – met Hortiflora – aanleiding om uit te gaan van de laatst (in 2023) tussen partijen overeengekomen en daadwerkelijk toegepaste prijs van € 3,18 per stuk. De schade (misgelopen omzet) komt daarmee op (85.000 x € 3,18 =) € 270.300,-, ervan uitgaande dat Hortiflora net als in voorgaande jaren afnam wat beschikbaar was. 2.9.
[eiseres] heeft haar schade beperkt door in 2024 43.713 stuks aan derden te verkopen voor € 135.970,40. Ook is gekozen voor een extra teeltjaar in 2025, waarna nog 24.116 stuks voor € 84.691,18 zijn verkocht. Dat brengt de schade op (€ 270.300,- –
€ 135.970,40 – 84.691,18 =) € 49.638,42. Rekening houdend met de kosten voor het extra teeltjaar van (het onder 2.10 toe te lichten bedrag van) € 0,44 per plant – € 18.166,28 voor 41.287 stuks – komt de totale schade op € 67.804,70. 2.10.
[eiseres] gaat uit van kosten van € 0,648 per plant en heeft dit onderbouwd met een door haar opgesteld overzicht (productie 27 bij dagvaarding), zonder enige toelichting. Hortiflora heeft deze kosten gemotiveerd betwist. Hortiflora stelt dat € 0,44 aan kosten per plant marktconform en redelijk is en dat indien kosten voor het extra teeltjaar worden meegenomen, de kosten maximaal € 0,44 per plant kunnen bedragen. Die stelling heeft zij onderbouwd met kostprijsberekeningen van andere leveranciers. De rechtbank ziet aanleiding dat te volgen en zal daarvan uitgaan. Hortiflora stelt nog dat afleverkosten voor niet verkochte planten niet zouden moeten worden doorberekend, maar laat na concreet te maken wat daarvan in dit geval de consequentie zou zijn, zodat de rechtbank daaraan voorbij gaat. Schadebeperkingsplicht en eigen schuld 2.11. Hortiflora heeft een beroep gedaan op de in artikel 6:101 BW besloten liggende schadebeperkingsplicht, welke plicht volgens haar door [eiseres] is geschonden. Stelplicht en bewijslast hiervan rusten op Hortiflora. Hortiflora stelt dat zij zich in juni 2024 onverplicht bereid heeft verklaard afnemers voor [eiseres] te zoeken en dat [eiseres] de toen gemaakte afspraken heeft geschonden door Hortiflora aansprakelijk te stellen bij brief van 12 juli 2024. Volgens Hortiflora had [eiseres] haar schade geheel kunnen voorkomen dan wel beperken indien zij van voornoemd aanbod van Hortiflora gebruik had gemaakt. Door [eiseres] is gemotiveerd betwist dat de schade mede te wijten is aan een haar toe te rekenen omstandigheid, alsmede dat zij onvoldoende zou hebben gedaan om haar schade te beperken. 2.12. De rechtbank is van oordeel dat het beroep van Hortiflora op artikel 6:101 BW haar niet kan baten en overweegt daartoe als volgt. [eiseres] heeft zich ingespannen om de Omorika aan derden te verkopen en is daar wat betreft een aanzienlijk deel (67.829 stuks verkocht voor prijzen tussen de € 3,06 en € 3,61) in geslaagd. Dat – zoals Hortiflora stelt – [eiseres] haar schade geheel had kunnen voorkomen dan wel had kunnen beperken indien zij van het door Hortiflora tijdens de bespreking tussen partijen in juni 2024 gedane aanbod gebruik had gemaakt, is geenszins vast komen te staan. De enkele stelling van Hortiflora dat zij een grote retailer als koper had gevonden voor een deel van de Omorika van [eiseres] is niet onderbouwd, terwijl verwacht had mogen worden dat op zijn minst correspondentie daarover in het geding zou zijn gebracht. Verder is een aan [eiseres] verzonden lijst met potentiële afnemers overgelegd, waarop is vermeld aan wie iets is of kan worden aangeboden en de tekst ‘Succes, hopen dat we iets los krijgen’. Ook daaruit kan niet worden afgeleid dat [eiseres] haar schade verder had kunnen beperken of dat sprake is van eigen schuld door niet in te gaan op het aanbod van Hortiflora. Bovendien was dat aanbod van Hortiflora – dat inhield dat zij ‘haar best wilde doen’ – gedaan in het kader van een bespreking voorafgaand aan aansprakelijkstelling van Hortiflora, waarin een oplossing werd gezocht voor het feit dat Hortiflora in 2024 niet wilde afnemen. Uitvoerbaarverklaring bij voorraad 2.13. Hortiflora heeft tot slot verweer gevoerd tegen de vordering het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Dat betekent dat de belangen van partijen moeten worden afgewogen in het licht van de omstandigheden van het geval. Daarbij moet worden nagegaan of op grond van die omstandigheden het belang van degene die de veroordeling verkrijgt zwaarder weegt dan het belang van de wederpartij bij behoud van de bestaande toestand tot op het rechtsmiddel is beslist. Degene die een veroordeling tot betaling van een geldsom verkrijgt – [eiseres] in dit geval – wordt vermoed het vereiste belang bij uitvoerbaarverklaring bij voorraad te hebben. De enkele door Hortiflora gestelde – niet nader onderbouwde – omstandigheid dat zij een kapitaalkrachtige partij is maar dat een schadevergoedingsplicht zeer nadelige gevolgen heeft voor haar bedrijfsvoering, noopt naar het oordeel van de rechtbank niet tot de conclusie dat haar belang bij behoud van de bestaande toestand zwaarder weegt dan het belang van [eiseres] bij toewijzing van haar verzoek het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Het verweer van Hortiflora wordt daarom verworpen. Slotsom 2.14. De slotsom luidt dat de vordering van [eiseres] zal worden toegewezen tot een bedrag van € 67.804,70. De gevorderde rente over de hoofdsom zal worden toegewezen als hierna vermeld. Proceskosten 2.15. Hortiflora wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de (na)kosten. De kosten worden aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op
€ 14.384,85 (waarvan € 122,35 aan kosten dagvaarding, € 6.861,- aan griffierecht,
€ 7.212,50 aan salaris advocaat – uitgaande van 2,5 punt en tarief VI, € 2.885,- per punt – en
€ 189,- aan nakosten, plus de kosten van betekening). Over de (na)kosten wordt geen rente toegewezen nu dat niet is gevorderd. 3De beslissing De rechtbank 3.1. veroordeelt Hortiflora om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 67.804,70, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag van volledige betaling; 3.2. veroordeelt Hortiflora in de proceskosten en begroot deze op een bedrag van
€ 14.384,85, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als het vonnis moet worden betekend, dan komt daar nog een bedrag van € 98,- aan nakosten bij, plus de kosten van betekening; 3.3. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad; 3.4. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. P.M. de Keuning en in het openbaar uitgesproken op
27 mei 2026. vgl. Hoge Raad 12 augustus 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT7337, CBB/JPO. vgl. Hoge Raad 23 oktober 1987, ECLI:NL:HR:1987:AD0018. ECLI:NL:GHDHA:2025:968 ECLI:NL:HR:1998:ZC2602