Menu

Filter op
content
PONT | Governance

0

ECLI:NL:RBDHA:2026:14491

Deze uitspraak gaat over het niet in behandeling nemen van de aanvraag van eiseres, omdat de leges niet betaald zijn. Het aan eiseres is om de leges op de gevraagde manier te betalen en eiseres is hiervoor ook voldoende in de gelegenheid is gesteld. Gesteld noch gebleken is dat het voldoen aan bepaalde procedurele handelingen zoals het betalen van leges afbreuk doet aan de nuttige werking van h...

Rechtbank Den Haag 1 juni 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBDHA:2026:14491 text/xml public 2026-06-01T16:29:39 2026-06-01 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-05-27 NL25.48202 en NL25.17839 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Voorlopige voorziening+bodemzaak NL Amsterdam Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:14491 text/html public 2026-06-01T12:21:26 2026-06-01 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:14491 Rechtbank Den Haag , 27-05-2026 / NL25.48202 en NL25.17839
Deze uitspraak gaat over het niet in behandeling nemen van de aanvraag van eiseres, omdat de leges niet betaald zijn. Het aan eiseres is om de leges op de gevraagde manier te betalen en eiseres is hiervoor ook voldoende in de gelegenheid is gesteld. Gesteld noch gebleken is dat het voldoen aan bepaalde procedurele handelingen zoals het betalen van leges afbreuk doet aan de nuttige werking van het Unierecht. De hoogte levert geen onredelijke drempel op. Eiseres had niet hoeven worden gehoord. De SIS-signalering is terecht. Het beroep is ongegrond.
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

Zaaknummers: NL25.48202 (beroep)

NL25.17839 (voorlopige voorziening)

V-nummer: [V-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[eiseres] , eiseres en verzoekster, hierna eiseres
(gemachtigde: mr. R. Dhalganjansing),

en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna de minister
(gemachtigde: mr. D. van Hout).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over het niet in behandeling nemen van de aanvraag van eiseres. Eiseres is het niet eens met dat besluit. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank/voorzieningenrechter (hierna de rechtbank) komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister de aanvraag van eiseres buiten behandeling heeft mogen stellen. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsdocument EU/EER. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 19 maart 2025 niet in behandeling genomen en een terugkeerbesluit opgelegd. Met het bestreden besluit van 19 september 2025 heeft de minister het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Eiseres heeft ook verzocht om een voorlopige voorziening die ertoe strekt niet te worden uitgezet totdat op haar beroep is beslist. De minister heeft een verweerschrift ingediend.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek op 15 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigden van partijen deelgenomen.
Beoordeling door de rechtbank
Het bestreden besluit

3. De minister heeft de aanvraag van eiseres niet in behandeling genomen omdat zij geen leges heeft betaald. Eiseres heeft bij het overmaken van de leges tweemaal niet het zaaknummer en het vorderingsnummer vermeld. Het bedrag is daarom teruggestort en de leges zijn niet betaald.

Het beroep

De leges

4. De rechtbank constateert allereerst dat er in het beroepschrift geen gronden zijn aangevoerd over het niet betalen van de leges. In beginsel kan de rechtbank daarom geen oordeel geven over dit punt. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiseres aangegeven dat hij voor zijn standpunt over de leges verwijst naar wat er in het bezwaarschrift is aangevoerd en naar de pleitnota die hij een dag voor de zitting heeft aangeleverd. De gemachtigde van de minister heeft op de zitting aangegeven op dit standpunt te kunnen reageren. Om die reden zal de rechtbank hierover toch een oordeel geven.
4.1.
Eiseres voert aan dat de leges tijdig betaald zijn en dat de combinatie van haar naam en het adres voldoende waren voor de minister om de leges aan haar aanvraag te koppelen.
4.2.
De rechtbank overweegt het volgende. Volgens artikel 24, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) is een vreemdeling in, door de minister te bepalen gevallen en volgens door de minister te geven regels, leges verschuldigd voor de behandeling van een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. Als betaling van de leges achterwege blijft, neemt de minister de aanvraag niet in behandeling.
4.3.
De rechtbank stelt vast dat de minister bij het schrijven van 30 januari 2025 en 25 februari 2025 heeft verzocht om de leges te betalen. Hierbij is (dikgedrukt en met ‘Let op’) vermeld dat bij het niet vermelden van het zaak- en/of vorderingsnummer de aanvraag niet in behandeling wordt genomen. Eiseres heeft bij het betalen van de leges het zaak- en vorderingsnummer niet vermeld. De leges zijn om die reden tweemaal teruggestort. Dit betekent dat de verschuldigde leges niet op de juiste wijze zijn betaald. De rechtbank is van oordeel dat het aan eiseres is om de leges op de gevraagde manier te betalen en dat eiseres hiervoor ook voldoende in de gelegenheid is gesteld. Er zijn meerdere mensen met dezelfde achternaam waardoor het voor de minister niet mogelijk is om met enkel een naam en bankrekeningnummer vast te stellen bij welke aanvraag de betaling hoort.

5. Eiseres voert verder aan dat nationale regels omtrent het betalen van leges niet mogen worden tegengeworpen omdat er sprake is van een aanvraag op basis van het Unierecht. Het gaat namelijk om een declaratoir recht, dus een vaststelling van een bestaand recht uit de Gezinsherenigingsrichtlijn.
5.1.
De rechtbank overweegt dat in de Gezinsherenigingsrichtlijn het volgende is vastgelegd: “Het is van belang procedures in te stellen voor de behandeling van verzoeken tot gezinshereniging alsook voor de toegang en het verblijf van gezinsleden. Deze procedures moeten doelmatig zijn en naast de normale werklast van de overheidsinstanties van de lidstaten kunnen worden afgehandeld, en bovendien doorzichtig en billijk zijn, teneinde de betrokken personen voldoende rechtszekerheid te bieden.”
5.2.
De rechtbank stelt vast dat niet blijkt uit Europese wetgeving, hetgeen eiseres ook niet heeft onderbouwd, dat er geen nationale regels mogen worden vastgesteld ten aanzien van de procedure voor het vaststellen van het Europees recht zoals een aanvraagprocedure, het indienen van leges of het invullen van een aanvraagformulier. Gesteld noch gebleken is dat het voldoen aan bepaalde procedurele handelingen zoals het betalen van leges afbreuk doet aan de nuttige werking van het Unierecht. Ook de hoogte van het griffierecht, in dit geval € 76,-, werpt geen onredelijke drempel op. Voor zover eiseres een schriftelijke vaststelling van de minister wenst van haar al dan niet bestaande declaratoire verblijfsrecht, dan is daarvoor een aanvraag en de betaling van leges nodig. De rechtbank is dan ook van oordeel dat aan eiseres leges mogen worden gevraagd voor de behandeling van haar aanvraag. De beroepsgrond slaagt niet.

De hoorplicht

6. Eiseres voert verder aan dat zij had moeten worden gehoord in de bezwaarprocedure.
6.1.
De rechtbank is van oordeel dat, zoals de minister ook heeft gesteld, van het horen kan worden afgezien indien het bezwaar kennelijk ongegrond is. De minister heeft terecht geconcludeerd dat er op voorhand geen twijfel mogelijk was dat het bezwaar niet tot een andersluidend besluit kon leiden. Er zijn in bezwaar geen nieuwe feiten en omstandigheden aangevoerd over de betaling van de leges. De beroepsgrond slaagt dan ook niet.

Inschrijving in het SIS

7. Eiseres voert tot slot aan dat de SIS-signalering die is gedaan onrechtmatig is en in strijd is met haar mensenrechten.
7.1.
De rechtbank overweegt dat op grond van artikel 3, eerste lid, van de Verordening (EU) 2018/1860 de lidstaten een signalering voor terugkeer invoeren voor een derdelander aan wie een terugkeerbesluit is opgelegd. Het doel daarvan is om na te gaan of aan de terugkeerverplichting wordt voldaan en om de uitvoering van dat besluit te ondersteunen. Afwijking is alleen mogelijk in de in het tweede en derde lid van de in het artikel genoemde gevallen, zoals wanneer het terugkeerbesluit nog niet uitvoerbaar is of een vrijwillige vertrektermijn loopt, dan wel wanneer signalering onevenredig zou zijn. Eiseres heeft niet gesteld, noch is gebleken, dat zich één van die uitzonderingen voordoet. Aan eiseres is, zoals hiervoor is beoordeeld, terecht een terugkeerbesluit opgelegd en de minister was dan ook gehouden om de bijbehorende signalering in te voeren. De beroepsgrond slaagt niet

Overige gronden

8. De rechtbank stelt vast dat de overige gronden een herhaling zijn van hetgeen al is aangevoerd in bezwaar. Het is aan eiseres om gemotiveerd te betwisten wat er niet klopt aan het bestreden besluit. Een enkele herhaling van gronden is daartoe onvoldoende. Zoals hiervoor is geoordeeld mocht de minister besluiten de aanvraag van eiseres niet in behandeling nemen wegens het niet betalen van de leges. De overige inhoudelijke gronden behoeven dan ook geen bespreking meer.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het niet in behandeling nemen van de aanvraag van eiseres in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

10. Nu op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer om de gevraagde voorlopige voorziening te treffen. De rechtbank wijst dat verzoek dan ook af.
Beslissing
De rechtbank in de zaak geregistreerd onder nummer NL25.48202,

- verklaart het beroep ongegrond.

De voorzieningenrechter in de zaak geregistreerd onder nummer NL25.17839,

- wijst het verzoek af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H. van Haeften, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. E. Waal, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Zoals bedoeld in artikel 2n, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw.

Richtlijn 2003/86/EG.

In de preambule onder punt 13.

Schengen Informatie Systeem.

Artikel delen