ECLI:NL:RBDHA:2026:14489text/xmlpublic2026-06-01T16:30:092026-06-01Raad voor de RechtspraaknlRechtbank Den Haag2026-05-27NL25.18130UitspraakEerste aanleg - enkelvoudigNLAmsterdamBestuursrecht; VreemdelingenrechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:14489text/htmlpublic2026-06-01T12:29:312026-06-01Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBDHA:2026:14489 Rechtbank Den Haag , 27-05-2026 / NL25.18130 Faciliterend visum, beroep ongegrond
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht Zaaknummer: NL25.18130 V-nummer: [v-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] , eiseres (gemachtigde: mr. J. van Bennekom), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna de minister (gemachtigde: mr. D. van Hout). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag voor een faciliterend visum van eiseres. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister niet ten onrechte de aanvraag van eiseres heeft afgewezen. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Eiseres heeft de Marokkaanse nationaliteit en woont in Marokko. Zij is getrouwd met referent. Referent heeft de Nederlandse nationaliteit en woont in Nederland. 2.1 Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor een faciliterend visum om Nederland in te kunnen reizen. De minister heeft deze aanvraag met het primaire besluit van 4 januari 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 19 maart 2023 op het bezwaar van eiseres is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. 2.2 Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft een verweerschrift ingediend. 2.3 De rechtbank heeft het beroep op 15 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [persoon] (referent), de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister. Beoordeling door de rechtbank Het inreisrecht
3. Eiseres heeft een aanvraag gedaan voor een faciliterend visum op grond van artikel 20 van het VWEU. Eiseres voert aan dat op grond van artikel 20 van het VWEU het niet nodig is dat een Unieburger gebruik maakt van het recht op vrij verkeer om gebruik te maken van zijn rechten als gemeenschapsonderdaan. Het inreisrecht mag haar als familielid van een Unieburger daarom niet worden ontzegd. 3.1. De rechtbank overweegt allereerst dat voor het verkrijgen van een faciliterend visum is vereist dat de aanvrager valt onder de definitie van familie uit de Verblijfsrichtlijn. In artikel 5 van de Verblijfsrichtlijn is bepaald dat een familielid van een burger van de Unie gefaciliteerd kan worden bij het verkrijgen van een visum om het grondgebied van de lidstaten binnen te komen. Daarnaast bepaalt artikel 3 van de Verblijfsrichtlijn dat de richtlijn alleen van toepassing is op een burger van de Unie die zich begeeft of verblijft in een andere lidstaat dan die waarvan hij de nationaliteit bezit en op diens familieleden die hem begeleiden of zich bij hem voegen. Om in aanmerking te komen voor een visum op grond van de Richtlijn moeten de volgende drie vragen bevestigend beantwoord worden. 1. Is er een burger van de Unie aan wie de visumaanvrager rechten kan ontlenen?
2. Valt de visumaanvrager onder de definitie van ‘familielid’?
3. Begeleidt de aanvrager de burger van de Unie of voegt hij zich bij hem? 3.2. Niet in geschil is dat referent de Nederlandse nationaliteit heeft en daarmee een burger van de Europese Unie is. De vraag in dit verband is of referent een burger van de Unie is aan wie eiseres in Nederland rechten kan ontlenen. Dit betekent dat, om aanspraak te kunnen maken op afgifte van een faciliterend visum, de vreemdeling moet aantonen dat hij of zij tot de begunstigden van de Verblijfsrichtlijn behoort. 3.3. Niet in geschil is dat referent geen gebruik heeft gemaakt van zijn recht op vrij verkeer binnen de Europese Unie. Zoals hiervoor is toegelicht bestaat het inreisrecht op grond van de Verblijfsrichtlijn pas op het moment dat is voldaan aan de genoemde voorwaarden. Referent heeft niet voldaan aan de eis dat hij als Unieburger zich bevindt in een andere lidstaat dan die waarvan hij de nationaliteit bezit en daarmee de eerste vraag. Referent is dus geen begunstigde van de Verblijfsrichtlijn. Het gevraagde faciliterend visum is gebaseerd op de Verblijfsrichtlijn en er is door de minister dan ook op de juiste wijze getoetst aan die richtlijn. 3.4. Voor zover eiseres een beroep doet op een visum op grond van een afgeleid verblijfsrecht op basis van artikel 20 van het VWEU overweegt de rechtbank als volgt.
Uit het arrest K.A. volgt dat een derdelander niet uitsluitend een verblijfsaanspraak aan artikel 20 van het VWEU kan ontlenen indien hij verblijf beoogt bij zijn minderjarige kind dat EU-burger is, maar dat ook een afgeleid verblijfsrecht kan ontstaan op grond van artikel 20 VWEU als een derdelander verblijf beoogt bij een meerderjarig familielid. In het arrest heeft het Hof uitgelegd dat een situatie waarin een zodanige afhankelijkheidsverhouding bestaat dat deze een afgeleid verblijfsrecht op grond van artikel 20 van het VWEU doet ontstaan, in uitzonderlijke gevallen voorstelbaar is. Dit is het geval als de meerderjarige derdelander en de meerderjarige EU-burger zodanig afhankelijk van elkaar zijn dat zij op geen enkele wijze van elkaar gescheiden kunnen worden. De rechtbank is van oordeel dat eiseres niet onder het toepassingsbereik valt van arrest K.A. Volwassenen worden – anders dan minderjarigen – in beginsel in staat geacht om hun leven onafhankelijk van hun familieleden te leiden. Eiseres heeft niet met stukken onderbouwd dat sprake is van een zodanige afhankelijkheidsverhouding dat zij en referent op geen enkele wijze van elkaar gescheiden kunnen worden. 3.5. Verder treft het arrest Commissie tegen Spanje waar eiseres naar verwijst, en genoemd in voetnoot 2 van deze uitspraak, ook geen doel. In die uitspraak ontstond er een situatie waar de nationale wetgeving het recht op verblijf voor derdelander familieleven van Unieburgers onnodig beperkt. In de zaak van eiseres is dit niet aan de orde. Niet is gebleken dat eiseres niet op grond van nationale wetgeving een verblijfsvergunning zou kunnen verkrijgen. De beroepsgrond slaagt niet. 3.6. Tot slot overweegt de rechtbank dat, voor het zover het eiseres enkel gaat om het verkrijgen van een inreisrecht, zij voor dat doel een visum voor kort verblijf kan aanvragen. Prejudiciële vragen 4. Eiser vraagt verder aan de rechtbank om prejudiciële vragen te stellen over het inreisrecht en de vraag of dit los staat van een eventueel verblijfsrecht op basis van artikel 20 van het VWEU. De rechtbank ziet hiertoe geen aanleiding. Het inreisrecht bestaat namelijk pas op het moment dat is vastgesteld – al dan niet declaratoir – dat er sprake is van een afgeleid verblijfsrecht. Dit is ook bevestigd door de hoogste bestuursrechter en de rechtbank ziet geen aanleiding om van dat oordeel af te wijken. Conclusie en gevolgen 5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van de aanvraag voor een faciliterend visum in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H. van Haeften, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Waal, griffier. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. Hiertoe verwijst eiseres naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie, van 14 april 2005, ECLI:EU:C:2005:225 (Commissie tegen Spanje). Richtlijn 2004/38/EG. Zoals volgt uit artikel 3 van de Verblijfsrichtlijn. Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 mei 2018, ECLI:EU:C:2018:308. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in de uitspraak van 26 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1757.