Menu

Filter op
content
PONT | Governance

0

ECLI:NL:RBDHA:2026:11387

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De minister heeft ongeloofwaardig kunnen achter dat eiser vreest voor rekrutering door de Taliban. Ook heeft de minister ongeloofwaardig kunnen achten dat eiser zich heeft afgekeerd van de islam. De minister heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat niet aannemelijk is geworden d...

Rechtbank Den Haag 13 mei 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBDHA:2026:11387 text/xml public 2026-05-13T18:00:26 2026-05-11 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-05-08 NL24.16388 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Zwolle Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:11387 text/html public 2026-05-11T10:46:05 2026-05-13 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:11387 Rechtbank Den Haag , 08-05-2026 / NL24.16388
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De minister heeft ongeloofwaardig kunnen achter dat eiser vreest voor rekrutering door de Taliban. Ook heeft de minister ongeloofwaardig kunnen achten dat eiser zich heeft afgekeerd van de islam. De minister heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat niet aannemelijk is geworden dat eiser vanwege zijn verblijf in het westen en vanwege de tatoeages die hij heeft laten zetten bij terugkeer in Afghanistan problemen zal ondervinden. De minister heeft zich verder terecht op het standpunt gesteld dat niet aannemelijk is geworden dat eiser vanwege zijn etnische afkomst (Tadzjiek) te vrezen heeft voor vervolging of voor ernstige schade. De minister heeft zich ook terecht op het standpunt gesteld dat in Kunduz geen sprake is van willekeurig geweld als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn en eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij daar toch slachtoffer van zal worden.
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: NL24.16388
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. J. Burema),

en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. J.D. Albarda).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De minister heeft ongeloofwaardig kunnen achter dat eiser vreest voor rekrutering door de Taliban. Ook heeft de minister ongeloofwaardig kunnen achten dat eiser zich heeft afgekeerd van de islam. De minister heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat niet aannemelijk is geworden dat eiser vanwege zijn verblijf in het westen en vanwege de tatoeages die hij heeft laten zetten bij terugkeer in Afghanistan problemen zal ondervinden. De minister heeft zich verder terecht op het standpunt gesteld dat niet aannemelijk is geworden dat eiser vanwege zijn etnische afkomst (Tadzjiek) te vrezen heeft voor vervolging of voor ernstige schade. De minister heeft zich ook terecht op het standpunt gesteld dat in [plaats 1] geen sprake is van willekeurig geweld als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn en eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij daar toch slachtoffer van zal worden. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Vanaf 2 is het procesverloop in dit geding opgenomen. Onder 6 worden het bestreden besluit en de aanvullingen daarop kort weergegeven. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 7. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 20 september 2022 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt van Afghaanse nationaliteit te zijn en heeft bij die aanvraag verklaard te zijn geboren op [geboortedatum 1] 2006. Eiser behoort tot de Tadzjiekse bevolkingsgroep en is afkomstig uit [plaats 1] .

3. Op 23 september 2022 heeft de minister een kennisgeving uitgebracht waarbij hij de geboortedatum van eiser wijzigt naar [geboortedatum 2] 2022. De resultaten van een leeftijdsschouw die is uitgevoerd waren daarvoor de aanleiding.

4. De minister heeft met het bestreden besluit van 9 april 2024 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.

5. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
5.1.
Op 3 december 2024 heeft de minister een onderzoek als bedoeld in artikel 34 van de Dublinverordening opgestart bij de Griekse autoriteiten. De resultaten van dit onderzoek zijn verwerkt in een verweerschrift van 24 april 2025 waarin de minister concludeert dat de stukken die de minister heeft ontvangen en die zien op de Griekse asielprocedure die eiser heeft doorlopen geen aanleiding zijn om zijn standpunt dat eiser niet in aanmerking komt voor internationale bescherming te herzien.
5.2.
Eiser heeft daarop bij brief van 24 juni 2025 gereageerd. In die reactie heeft hij ook gemeld dat hij zich heeft afgekeerd van de islam en zich in september 2024 heeft laten dopen. De minister heeft eiser daarop aanvullend gehoord, op 1 oktober 2025 een aanvullend voornemen uitgebracht en, mede naar aanleiding van de zienswijze van eiser van 15 oktober 2025, op 23 oktober 2025 een aanvullend besluit genomen waarin hij zich op het standpunt stelt dat de afvalligheid niet geloofwaardig is en niet aannemelijk is gemaakt dat eiser bij terugkeer naar Afghanistan problemen zal ondervinden.
5.3.
De rechtbank heeft het beroep op 17 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en R. Kambakhsh als tolk, en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Het bestreden besluit en de aanvullingen daarop

6. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende relevante elementen:

1. Identiteit, nationaliteit en herkomst;

2. Gedwongen rekrutering door de Taliban in [plaats 1] ;

3. Afvalligheid van de islam;

4. Problemen bij terugkeer naar Afghanistan.

De minister vindt element 1 geloofwaardig maar de leeftijd die eiser heeft opgegeven niet. De elementen 2 en 3 vindt de minister ook niet geloofwaardig. Ten aanzien van element 4 stelt de minister zich op het standpunt dat niet aannemelijk is geworden dat eiser bij terugkeer problemen zal ondervinden in Afghanistan. Daarbij heeft de minister betrokken dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hem afvalligheid zal worden toegedicht en dat ook niet aannemelijk is dat de westerse leefstijl die eiser stelt te hebben leidt tot vluchtelingschap of tot een risico op schending van artikel 3 van het EVRM.

De aanvraag is afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31 van de Vw.

Het besluit geldt ook als terugkeerbesluit. Eiser moet naar Afghanistan terugkeren en Nederland binnen vier weken verlaten.

Over element 1 voor zover het ziet op de leeftijd van eiser

7. De rechtbank heeft ter zitting met partijen besproken wat op dit moment nog de relevantie is van een oordeel over de leeftijd van eiser. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat die relevantie enkel nog is gelegen in het registreren van de juiste geboortedatum van eiser, te weten de datum die hij in Griekenland heeft opgegeven bij zijn asielaanvraag: 16 april 2005. De minister heeft herhaald dat eiser volgens hem ten tijde van de aanvraag evident meerderjarig was en dat het van belang is dat ook in deze procedure vast te stellen. Zou namelijk bij nader inzien van de minderjarigheid van eiser uitgegaan moeten worden, dan heeft dat bepaalde rechtsgevolgen.

8. De rechtbank is van oordeel dat gelet op wat eiser heeft gesteld, ook bezien tegen de achtergrond van de asielaanvraag waar het in deze procedure om draait, geen belang heeft bij de vaststelling van, wat naar zijn mening, de juiste geboortedatum is. Zou de rechtbank al oordelen dat het standpunt van de minister dat eiser ten tijde van de aanvraag meerderjarig was niet in stand kan blijven, en de minister dus vooralsnog van de minderjarigheid van eiser had uit moeten gaan, dan valt niet in te zien dat dit op dit moment gevolgen zou hebben voor de wijze waarop de minister het asielrelaas van eiser heeft beoordeeld en voor de uitkomst daarvan. Eiser heeft dat dat anders zou zijn ook niet aannemelijk gemaakt. Dat belang ligt er ook niet aan de kant van de minister. De minister kon ter zitting namelijk niet concreet maken welke rechtsgevolgen het moeten uitgaan van de minderjarigheid van eiser zou hebben. De rechtbank zal wat partijen op dit punt naar voren hebben gebracht daarom onbesproken laten.

Over element 2

9. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat dit element niet geloofwaardig is en legt hierna uit hoe zij tot haar oordeel is gekomen.
10.1
De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard omdat uit de algemene ambtsberichten (AAB’s) van de minister van Buitenlandse Zaken van 2018, 2020 en 2023 volgt dat gedwongen rekrutering door de Taliban in zijn algemeenheid zelden voorkomt en uit de AAB’s ook niet blijkt dat Tadzjieken gedwongen worden gerekruteerd. De rechtbank stelt, met eiser, vast dat genoemde AAB’s de mogelijkheid van gedwongen rekrutering niet categorisch uitsluiten. Dat eiser op dit punt tegenstrijdig zou hebben verklaard kan dan ook niet worden gevolgd. De rechtbank volgt de minister echter wel in zijn standpunt dat uit de AAB’s niet volgt dat Tadzjieken gedwongen worden gerekruteerd. In het ambtsbericht van 2023 staat namelijk dat er geen aanwijzingen zijn voor ronseling (gedwongen rekrutering) van niet-Pashtuns. Eiser heeft geen informatie uit dezelfde periode als de AAB’s, of van recentere datum, overgelegd waaruit een ander beeld naar voren komt, zodat de minister dit bij zijn standpunt heeft kunnen betrekken.
10.2
De minister heeft daar ook bij kunnen betrekken dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij zich een jaar lang voor de Taliban heeft kunnen verstoppen om zich zo aan rekrutering te onttrekken. De minister heeft daarbij kunnen verwijzen naar de omvang van het dorp (ongeveer 100 gezinnen) en naar eisers verklaring dat het dorpshoofd aan de kant van de Taliban stond en iedereen in het dorp kende. Dat eisers vader en broer altijd hebben gepoogd de Taliban gunstig te stemmen in de hoop dat zij eiser dan met rust zouden laten, zoals eiser, ook ter zitting, heeft verklaard, heeft de minister niet hoeven volgen.
10.3
De minister heeft bij zijn standpunt tevens kunnen betrekken dat eiser vage verklaringen heeft afgelegd over de directe reden waarom hij Afghanistan heeft verlaten. Dat dit kan worden verklaard omdat het de vader van eiser was die daarover heeft besloten en eiser ook nog jong was, zoals eiser stelt, heeft de minister geen aanleiding hoeven geven dit niet aan eiser tegen te werpen. Eiser was ten tijde van het nader gehoor op zodanige leeftijd dat de minister op dit punt meer van eiser heeft mogen verwachten dan door eiser is geleverd.
10.4
De minister heeft in de stukken die hij heeft ontvangen van de Griekse autoriteiten over het asielverzoek dat eiser in Griekenland heeft ingediend geen aanleiding hoeven zien tot een ander standpunt te komen over de geloofwaardigheid van dit element. De minister heeft er in het verweerschrift van 24 april 2025 terecht op gewezen dat uit deze stukken volgt dat eiser in Griekenland twee asielmotieven naar voren heeft gebracht, naast de gedwongen rekrutering ook de vrees voor zijn vader, maar in Nederland die vrees voor zijn vader niet heeft benoemd. De minister stelt ook terecht dat de Griekse autoriteiten de gedwongen rekrutering niet geloofwaardig hebben gevonden. Uit de Griekse stukken volgt verder dat eiser wisselend heeft verklaard over wie uiteindelijk heeft besloten tot eisers vertrek uit Afghanistan. Dat, zoals eiser stelt, de beslissing tot vertrek een proces was waarin alle gezinsleden beurtelings een rol hebben gespeeld, neemt die wisseling in verklaringen niet weg.

Over element 3

10. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser zijn relaas op dit punt niet volledig heeft onderbouwd met objectieve documenten en daarom beoordeeld of wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, van de Vw. Dat is volgens de minister niet het geval omdat niet is voldaan aan voorwaarde c: de verklaringen zijn samenhangend en aannemelijk bevonden en niet in strijd met beschikbare en algemene en specifieke informatie die relevant is voor het verzoek. De minister heeft daartoe aan de hand van Werkinstructie (WI) 2022/3 de afvalligheid beoordeeld en deze ongeloofwaardig gevonden omdat eiser niet is bekeerd tot het christendom, hij vaag en ongerijmd heeft verklaard over het achter zich laten van de islam, vaag heeft verklaard over wanneer hij inzag dat er meer religies en andere normen zijn dan de islam, geen inzicht heeft gegeven in het proces, ongerijmd heeft verklaard over het niet durven uiten van zijn mening over de islam, de redenen om zich af te wenden van de islam niet getuigen van diepgang en hij wisselend heeft verklaard over het praktiseren van de islam na aankomst in Nederland.

11. Eiser heeft aangevoerd dat hij zich van de islam heeft afgekeerd en dus een afvallige is. Hij heeft ook verklaard, en met een akte ondersteund, dat hij is gedoopt, maar dat betekent volgens eiser niet dat hij is bekeerd tot het christendom. Hij beroept zich dan ook niet op bekering, eiser heeft vanwege de taalbarrière nog onvoldoende kennis van het christelijk geloof. Het doopbewijs is dan ook geen bewijs van bekering maar wel bewijs van afvalligheid, waarbij wordt verwezen naar een notitie van dr. [naam 1] van de Stichting Gave. De minister heeft verder de brief van [naam 2] van 14 oktober 2025 onjuist geduid door die te bespreken in het kader van de bekering. Ten onrechte acht de minister de afvalligheid niet geloofwaardig. Die afvalligheid komt voort uit negatieve ervaringen, waarover hij heeft verklaard. De minister verwijt eiser ten onrechte dat hij niet eerder over zijn afvalligheid heeft verklaard, waarbij eiser erop wijst dat hij afkomstig is uit een islamitisch land waar een andere religie niet wordt geaccepteerd en op het feit dat hij getraumatiseerd is, waarvoor hij wordt behandeld, waardoor het voor hem moeilijk is over dit onderwerp te verklaren.

12. Eiser heeft ter onderbouwing van dit element de volgende documenten overgelegd:

1. Een brief van [naam 3] en [naam 4] , van de Stadskerk [plaats 2], van 18 maart 2025;

2. Een e-mail van [naam 2] van 22 juni 2025;

3. De notitie ‘De doop: bewijs van afvalligheid’ van Stichting Gave;

4. Een gedicht van eiser gedateerd april 2025;

5. Een certificaat van de doop die op 24 oktober 2024 heeft plaatsgevonden;

6. Een brief van [naam 2] van 14 oktober 2025.

De rechtbank is van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat deze documenten geen objectieve documenten zijn die het relaas volledig onderbouwen. De stukken 1, 2 en 6 alleen al niet omdat daarin niets wordt gezegd over de afvalligheid van eiser. Stuk 3 niet omdat dit een algemeen stuk is dat niet over eiser gaat. Eisers gedicht geeft gedachten en stemmingen weer en is daarom niet objectief. Het doopcertificaat bevestigt enkel dat eiser is gedoopt maar geeft geen inzicht in hoe en waarom eiser zich van de islam heeft afgekeerd, wat voor de beoordeling van de afvalligheid door de minister wel van belang is. De minister heeft de geloofwaardigheid van dit element daarom kunnen beoordelen aan de hand van artikel 31, zesde lid, van de Vw.

13. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de afvalligheid ongeloofwaardig is omdat zijn verklaringen over dit element niet samenhangend en aannemelijk bevonden en in strijd zijn met beschikbare en algemene en specifieke informatie die relevant is voor het verzoek. Hoe de rechtbank tot dit oordeel is gekomen licht zij hieronder toe.

14. Volgens WI 2022/3, die gold ten tijde van de totstandkoming van het aanvullende besluit van 23 oktober 2025, beoordeelt de minister de afvalligheid aan de hand van drie elementen:

1. de motieven voor en het proces van afvalligheid;

2. de kennis van het oude geloof;

3. de activiteiten.

De werkinstructie schrijft verder voor dat een weging wordt gemaakt van de verklaringen van de vreemdeling over de drie elementen (en eventuele bewijsstukken indien beschikbaar). Het zal hierbij afhankelijk zijn van het individuele relaas wat wel en niet van de vreemdeling verwacht kan worden. Uitgangspunt is dat van een vreemdeling wel verwacht mag worden dat hij aannemelijk maakt hoe en om welke redenen hij zich heeft afgewend van het oude geloof en wat dit voor hem betekende. Mogelijk zijn echter de elementen van kennis en activiteiten in mindere mate van belang bij afvalligheid dan bij een bekering het geval is.

Onder de nieuwe werkinstructie is deze toetsingswijze nagenoeg ongewijzigd gebleven.
14.1
De minister heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat niet geloofwaardig is geworden dat eiser is bekeerd tot een christendom en dit bij zijn beoordeling van de geloofwaardigheid van de afvalligheid kunnen betrekken. De minister heeft er daarbij, onder verwijzing naar de werkinstructie, niet ten onrechte op gewezen dat een doopakte niet doorslaggevend is om bekering aan te tonen. De minister heeft er verder niet ten onrechte op gewezen dat eiser niet eenduidig aangeeft, door zijn eigen verklaringen maar ook door de verklaringen van anderen die hij heeft overgelegd en door zijn doop, in hoeverre hij de christelijke overtuiging heeft, bekeerd is dan wel zich nog verder in het geloof moet verdiepen. De rechtbank verwijst hierbij naar wat de minister in het voornemen op pagina 2 en 3 en in het aanvullend besluit op pagina 2 en 3 heeft overwogen. Aan die eenduidigheid dragen ook niet bij eisers verwijzing naar de notitie van Stichting Gave, waarin namelijk ook staat dat een moslim de doop als de bekering tot het christelijk geloof ziet, en eisers in de gronden van beroep ingenomen stelling dat de tatoeages die eiser heeft verwijzen naar zijn christelijke overtuiging.
14.2
De minister heeft de doopakte niet als doorslaggevend bewijs van afvalligheid hoeven aanvaarden. De notitie van Stichting Gave, waarin deze stelling wordt betrokken, biedt daarvoor onvoldoende grond. Te minder nu de minister de verklaringen van eiser over het proces en de motieven van zijn afvalligheid als niet overtuigend heeft beoordeeld en naar het oordeel van de rechtbank tot die beoordeling heeft kunnen komen. De minister heeft namelijk deugdelijk gemotiveerd dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt om welke redenen hij zich heeft afgewend van de islam en wat dit voor hem betekende. De rechtbank verwijst hierbij naar wat de minister in het voornemen op pagina 3, 4 en 5 en in het aanvullend besluit op pagina 4 en 5 heeft overwogen en naar het standpunt van verweerder ter zitting dat wat bij de bekering is overwogen ten aanzien van de overgelegde documenten ook moet worden geacht te zijn overwogen in het kader van de afvalligheid.

Anders dan eiser stelt heeft de minister de brief van [naam 2] wel bij de beoordeling van de afvalligheid betrokken, waarbij de rechtbank verwijst naar pagina 6 van het aanvullende besluit.

De rechtbank is verder van oordeel dat de minister eiser heeft kunnen tegenwerpen dat hij pas in beroep, in zijn brief van 24 juni 2025, zijn afvalligheid naar voren heeft gebracht. Zelfs als eiser moet worden gevolgd in zijn stelling dat de doop het bewijs is van zijn afvalligheid, beschouwde hij zich in ieder geval al sinds september 2024 als een afvallige. Waarom hij dit aspect niet kort nadien in de lopende procedure heeft ingebracht valt niet goed in te zien. Verder heeft eiser in mei 2024 voor het eerst een bezoek aan de kerk gebracht, wat impliceert dat er op dat moment op zijn minst al enige tijd sprake was van twijfel. Daarvan had hij melding kunnen maken tijdens het nader gehoor in april 2024. Dat eiser vanwege zijn achtergrond en zijn trauma zijn afvalligheid niet eerder naar voren heeft gebracht, heeft de minister niet hoeven volgen. Uit de medische stukken die eiser in beroep heeft overgelegd volgt niet dat eiser door het trauma niet eerder over zijn afvalligheid heeft kunnen verklaren. Ook het feit dat eiser afkomstig is uit een islamitisch land en moeite had met het vertrouwen van de autoriteiten heeft daar niet in de weg aan hoeven staan. Uit de verklaringen die eiser heeft afgelegd blijkt niet van negatieve ervaringen met de overheid en overheidsdiensten sinds zijn aankomst in Europa in 2022. De verlening van internationale bescherming in Griekenland duidt zelfs op het tegendeel.
14.3
Eiser heeft verder niet bestreden het standpunt van de minister dat hij tegenstrijdig heeft verklaard over het praktiseren van de islam toen hij in Nederland aankwam.

Over element 4

15. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat niet aannemelijk is dat eiser bij terugkeer naar Afghanistan problemen zal ondervinden. De minister vindt namelijk niet aannemelijk dat eiser afvalligheid zal worden toegedicht en vindt ook niet aannemelijk dat de verwestering van eiser zal leiden tot vluchtelingschap of tot een risico op ernstige schade bij terugkeer.

16. Eiser heeft aangevoerd dat hij diverse tatoeages op zijn arm heeft van religieuze symbolen die verwijzen naar zijn christelijke overtuiging. Eiser is uit overtuiging afvallig en zal bij het uiten daarvan gedood worden. Daardoor zal hij problemen ondervinden bij terugkeer in Afghanistan. Ook als hij zich niet uit over zijn afvalligheid kunnen doop en tatoeages wel op enigerlei wijze bekend worden. Hiermee, en met het feit dat hij in het westen heeft verbleven, heeft hij aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer een risico loopt op ernstige schade.
17.1
Ook als de afvalligheid niet geloofwaardig is geacht moet de minister onderzoeken of eiser bij terugkeer afvalligheid wordt toegedicht. Dat moet hij doen aan de hand van de verklaringen van de vreemdeling in het licht van wat over het land van herkomst in algemene zin bekend is.
17.2
De minister heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat niet aannemelijk is geworden dat eiser als afvallige wordt gezien en in dat kader terecht overwogen dat omdat de afvalligheid ongeloofwaardig is geacht, van eiser mag worden verwacht dat hij zich terughoudend opstelt bij het uiten van afvalligheid.
17.3
Dat eiser tatoeages heeft van christelijk symbolen, een kruis, biddende handen boven een duif en de woorden ‘Child of God’, maakt niet zonder meer dat hij problemen zal ondervinden in Afghanistan. In het meest recente ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken staat dat de ‘moraalwet’ niet-islamitische symbolen zoals kruisen verbiedt. De bekering van de islam tot een andere religie wordt beschouwd als afvalligheid en wordt volgens de Taliban-interpretatie van de sharia met de dood bestraft maar onder andere afvalligen hebben drie dagen de tijd om hun daden te herroepen of worden ter dood veroordeeld. In dit verband is echter ook van betekenis dat de afvalligheid ongeloofwaardig is geacht, in welk geval mag worden verwacht dat tatoeages worden bedekt. Het hangt van de concrete omstandigheden van een zaak af of alleen het hebben van een tatoeage aan terugkeer in de weg staat. Hierbij is onder meer relevant de locatie en grootte van een tatoeage, de precieze vorm van de tatoeage en het land waarnaar de vreemdeling moet terugkeren. De rechtbank stelt vast, op basis van de foto’s die eiser heeft verstrekt, dat de tatoeages zijn aangebracht op de onderarmen en deze grotendeels bedekken. Gelet op de locatie van de tatoeages is echter aannemelijk dat eiser die tatoeages met kleding kan bedekken en na terugkeer in Afghanistan onder alle omstandigheden bedekt kan houden.
17.4
De enkele omstandigheid dat een persoon uit Afghanistan in het westen heeft verbleven is onvoldoende om risico bij terugkeer aan te nemen. Het is, gelet op artikel 31 van de Vw, aan een vreemdeling die terugkeert vanuit het Westen om met individuele omstandigheden aannemelijk te maken waarom hij in de aandacht van de Taliban staat en dat die aandacht ertoe kan leiden dat eiser wordt onderworpen aan foltering of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen. De minister heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat eiser daar niet in is geslaagd. De rechtbank wijst daartoe vooreerst op wat hiervoor ten aanzien van de elementen van het asielrelaas is geoordeeld. De minister heeft er verder op kunnen wijzen dat niet is gebleken dat eisers levensstijl berust op een diepere overtuiging en heeft daarom van eiser mogen verwachten hij zich aanpast aan de manier van leven in Afghanistan.

Over element 1 voor zover het ziet op nationaliteit en herkomst

18. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat niet aannemelijk is geworden dat eiser vanwege zijn afkomst te vrezen heeft voor vervolging of voor ernstige schade. De minister heeft daarbij terecht verwezen naar de AAB’s van 2020 en 2023, waarin geen bijzonderheden worden gemeld over de positie van Tadzjieken in [plaats 1] en dat [plaats 1] vooral wordt gedomineerd door Tadzjieken, Oezbeken en Hazara’s. Het AAB van december 2025 laat naar het oordeel van de rechtbank geen ander beeld zien. Dat eiser geen netwerk zou hebben in Afghanistan leidt niet tot een ander oordeel. Zelfs als moet worden uitgegaan van de volgens eiser juiste geboortedatum, was hij ten tijde van het aanvullend besluit 20 jaar. Onder die omstandigheden heeft de minister mogen verwachten dat eiser zich staande zal weten te houden in Afghanistan, ook omdat eiser geen omstandigheden heeft aangevoerd waaruit volgt dat de minister die verwachting in dit geval niet mocht hebben.

19. De minister heeft zich ook terecht op het standpunt gesteld dat in [plaats 1] geen sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 15, onder c, van de Procedurerichtlijn.
19.1
In het verweerschrift van 24 april 2025 heeft de minister gewezen op de brief aan de Tweede Kamer van 23 januari 2024 en de beslisnota naar aanleiding van het AAB 2023 en daaruit terecht afgeleid dat weliswaar niet blijkt dat er in het geheel geen gewapend conflict (met willekeurig geweld als gevolg) meer is in geheel Afghanistan, er vinden namelijk nog wel incidenten plaats, maar dat deze incidenten zich beperken tot een minderheid van de regio’s en in specifieke regio’s in het noordoosten van Afghanistan. De minister heeft verder terecht gesteld dat de EUAA Country Guidance van mei 2024 dat beeld onderschrijft en dat daaruit ook volgt dat het gebied waaruit eiser afkomstig is wordt aangeduid als een grijs gebied, wat betekent “There is currently no real risk for a civilian to be personally affected by indiscriminate violence within the meaning of article 15 (c) QD”. De minister heeft verder verwezen naar het AAB van 2023, waarin staat dat er in het eerste kwartaal 2023 aanslagen door de ISKP zijn geregistreerd in [plaats 1] , en naar de EUAA-COI query Afghanistan van februari 2024, waarin staat dat er in de periode juli 2022 – januari 2024 door ACLED 31 “events” zijn geregistreerd en geen burgerdoden zijn geregistreerd, en daaruit terecht afgeleid dat voor zover al zou aangenomen worden dat sprake is van een gewapend conflict in [plaats 1] , de mate van willekeurig geweld dat dit teweeg brengt zeer beperkt is. Ten aanzien van de humanitaire situatie heeft de minister, voor zover al zou moeten worden aangenomen dat in [plaats 1] sprake is van een gewapend conflict, uit het AAB van 2023 kunnen afleiden dat de humanitaire situatie niet doelbewust/doelgericht is veroorzaakt door bij die gewapende strijd betrokken partijen in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict maar dat de slechte humanitaire situatie het gevolg is van een combinatie van factoren zoals een slechte economische situatie, natuurrampen en het stopzetten van hulp door internationale donoren naar aanleiding van de machtsovername door de Taliban. Uit de informatie van Amnesty International waar eiser naar heeft verwezen komt naar het oordeel van de rechtbank geen ander beeld naar voren. Dat geldt ook voor de informatie van het EUAA die hierboven is genoemd.
19.2
De minister heeft verder terecht van eiser verlangd dat hij onderbouwt dat aannemelijk is dat hij toch een reëel risico loopt het slachtoffer te worden van willekeurig geweld door een gewapend conflict en zich op het standpunt kunnen stellen dat eiser daarin niet is geslaagd.
19.3
De verwijzing van eiser naar een uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats leidt niet tot een ander oordeel. De verwijzing van eiser naar deze uitspraak betreft de overweging van de rechtbank dat de minister zijn standpunt over het bestaan van een 15c-situatie in Afghanistan voornamelijk baseert op informatie in het AAB waarbij het aantal burgerslachtoffers bepalend is geacht voor het bestaan van en de intensiteit van het gewapende conflict, en daarmee niet in overeenstemming is met de uitleg die het Hof van Justitie van artikel 15, onder c, van de Kwalificatierichtlijn heeft gegeven. De minister heeft zich in dit geval echter niet voornamelijk beroepen op het AAB en ook niet het aantal burgerslachtoffers bepalend geacht, zoals volgt uit wat hiervoor is overwogen in 19.1.
Conclusie en gevolgen
20. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen verblijfsvergunning krijgt, niet in Nederland mag blijven en terug moet keren naar Afghanistan. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W.M. Bunt, rechter, in aanwezigheid van

mr. M.P. de Zwart, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vreemdelingenwet 2000

Richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming.

Verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013

tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is

voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van

een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (herschikking).

Pagina 42.

Zie Werkinstructie 2022/3 en rechtsoverweging 14.

Werkinstructie 2025/9.

Zie pagina 3 van Werkinstructie 2025/9.

Afdeling 19 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:94.

Vgl. Afdeling 30 november 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY5578.

Algemeen ambtsbericht van december 2025.

Pagina 66.

Pagina 68.

Bijvoorbeeld Afdeling 31 mei 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1802.

Bijvoorbeeld Afdeling 1 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2201.

Vgl. Afdeling 31 mei 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1803, overweging 5.3.

Afdeling 20 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4648.

Vgl. Afdeling 21 november 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3735, overweging 9.3.

Islamic State Khorasan Province.

Armed Conflict Location & Event Data Project.

Amnesty International (Al) - The State of the World's Human Rights; Afghanistan 2023, 24 april 2024.

Afdeling 17 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2927.

25 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2024:4506.

Artikel delen