Menu

Filter op
content
PONT | Governance

0

ECLI:NL:RBAMS:2026:9407

Veroordeling voor het drogeren, betasten en seksueel binnendringen van zijn destijds 14-jarige nichtje, alsmede aanranding van een stagiair binnen zijn bedrijf, tot een gevangenisstraf van 24 maanden.

Rechtbank Amsterdam 24 september 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBAMS:2026:9407 text/xml public 2026-09-24T12:39:12 2026-09-22 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-09-10 13/094019-25 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Amsterdam Strafrecht; Materieel strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:9407 text/html public 2026-09-24T12:38:23 2026-09-24 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:9407 Rechtbank Amsterdam , 10-09-2026 / 13/094019-25
Veroordeling voor het drogeren, betasten en seksueel binnendringen van zijn destijds 14-jarige nichtje, alsmede aanranding van een stagiair binnen zijn bedrijf, tot een gevangenisstraf van 24 maanden.

vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

Parketnummer: 13/094019-25

Datum uitspraak: 10 september 2026

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 1988,

wonende op het adres [adres] ,

hierna: verdachte.
<nr>1</nr>Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 27 augustus 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. G. Dankers, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. J.L. L’Homme, naar voren hebben gebracht.

De rechtbank heeft tevens kennisgenomen van hetgeen mr. R.I. Takens namens de benadeelde partij [slachtoffer 1] en mr. L. Korfker namens de benadeelde partij [slachtoffer 2] naar voren hebben gebracht.
<nr>2</nr>Tenlastelegging
Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1

hij op of omstreeks 24 juli 2018 te Almere en/of Amsterdam en/of Diemen, in elk geval in Nederland, met [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedag 2] 2004, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1] , te weten

het aanbieden van drinken aan die [slachtoffer 1] en/of

het drogeren van die [slachtoffer 1] en/of

het betasten en/of aanraken van de borst(en) en/of vagina van die [slachtoffer 1] en/of

het knijpen in en/of wrijven over de borst(en) van die [slachtoffer 1] en/of

het vingeren van die [slachtoffer 1] en/of

het stoppen van zijn vinger en/of penis in de vagina van die [slachtoffer 1] ;

2

hij op of omstreeks 24 juli 2018 te Almere en/of Amsterdam en/of Diemen, in elk geval in Nederland, met [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedag 2] 2004, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten

het betasten en/of aanraken van de borst(en) en/of vagina van die [slachtoffer 1] en/of

het knijpen in en/of wrijven over de borst(en) van die [slachtoffer 1] en/of

het vingeren van die [slachtoffer 1] ;

3

hij op een of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 1 februari 2024 tot en met 18 april 2024 te Amsterdam en/of Diemen, in elk geval in Nederland, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid [slachtoffer 2] (die voor hem, verdachte, werkzaam was en/of stage liep bij het bedrijf van hem, verdachte) heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, immers is/heeft hij, verdachte,

tegen die [slachtoffer 2] gezegd: "Ik kom bij je met mijn sweep" en/of "Met brutale meisjes doe ik brutale dingen" en/of

die [slachtoffer 2] meegenomen naar een woning van een client (welke woning leeg bleek te staan/zijn) en/of

die [slachtoffer 2] (vervolgens) gevraagd om mee naar boven te lopen en/of om op bed te gaan zitten en/of

die [slachtoffer 2] bij de heupen vastgepakt en/of naar zich toegetrokken en/of

het touwtje van de broek van die [slachtoffer 2] losgemaakt en/of

de navel van die [slachtoffer 2] gelikt en/of gekust.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
<nr>3</nr>Voorvragen
De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.
<nr>4</nr>Waardering van het bewijs 4.1
Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gesteld dat alle drie de feiten kunnen worden bewezen.

Ten aanzien van de feiten 1 en 2 heeft zij gewezen op de aangifte die zij zeer betrouwbaar acht en op de aanwezigheid van een sterke disclosure-getuige: de moeder van aangeefster, die het verhaal van aangeefster op belangrijke onderdelen ondersteunt. Aangeefster [slachtoffer 1] verklaart consistent en gedetailleerd over wat zich tussen haar en verdachte heeft afgespeeld. Dat zij bepaalde dingen niet meer helemaal weet, kan het gevolg zijn van het drogeren door verdachte. Verdachte ontkent niet dat aangeefster gedrogeerd was als gevolg van een partydrug die hij in haar drankje had gedaan. De moeder van aangeefster heeft verklaard dat aangeefster hysterisch gedrag vertoonde toen zij die avond na het uitje met verdachte thuiskwam. Na het voorval was aangeefster geslotener en zocht ze meer haar eigen weg. Volgens de officier van justitie vindt de aangifte ook steun in de (opgenomen) gesprekken die aangeefster en verschillende familieleden met verdachte hebben gevoerd en waarover zij verklaringen hebben afgelegd. De verklaring van verdachte dat ”zijn bekentenissen” in die gesprekken enkel zien op de partydrug in het drankje van aangeefster acht de officier van justitie ongeloofwaardig. De officier van justitie heeft er verder op gewezen dat verdachte in een gesprek met de moeder van aangeefster heeft gezegd: “ik ben handtastelijk geweest.”

Ten aanzien van feit 3 heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de aangifte betrouwbaar is, omdat aangeefster [slachtoffer 2] consistent verklaart en de aangifte steun vindt in de overige inhoud van het dossier. De officier van justitie heeft daarbij gewezen op het filmpje, waarop te zien is dat verdachte aan de navel van aangeefster likt. De officier van justitie heeft verder gewezen op door aangeefster overgelegde app-gesprekken, alsmede op getuigenverklaringen.
4.2
Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft vrijspraak bepleit. Verdachte ontkent de seksuele handelingen te hebben verricht en de verklaringen van beide aangeefsters worden niet of onvoldoende ondersteund door het dossier.

Ten aanzien van de feiten 1 en 2 heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat niet zonder meer van de betrouwbaarheid van de verklaring van aangeefster kan worden uitgegaan. Haar verklaring is op essentiële onderdelen in de loop der tijd aanzienlijk uitgebreider en ernstiger geworden, terwijl juist voor die onderdelen geen eerdere bevestiging bestaat en haar herinnering aan verschillende omliggende omstandigheden beperkt is.

De enige disclosure-getuige is de moeder van aangeefster. Zij heeft die avond en daarna weliswaar afwijkend gedrag bij aangeefster waargenomen, maar dat kan ook een gevolg zijn van de moeilijke thuissituatie.

Veel familieleden hebben een verklaring afgelegd, maar niemand heeft iets uit eigen waarneming kunnen verklaren. Deze verklaringen kunnen daarom niet redengevend zijn voor het bewijs. Verdachte heeft in een gesprek met zijn zus weliswaar erkend handtastelijk te zijn geweest en een pilletje in het drankje te hebben gedaan, maar seksueel misbruik heeft hij ontkend. Ook de andere getuigen hebben zijn verklaringen onjuist geïnterpreteerd.

Ten aanzien van feit 3 heeft de raadsman gesteld dat niet kan worden bewezen dat aangeefster [slachtoffer 2] door geweld, bedreiging of een andere feitelijkheid is gedwongen ontuchtige handelingen te dulden. Volgens verdachte heeft aangeefster hem toestemming gegeven voor het geven van een kus op haar navelpiercing. Aangeefster heeft op geen enkel moment aangegeven dat zij dat niet wilde en zij heeft ook niet gezegd dat verdachte moest stoppen. Aangeefster was meerderjarig en er was geen sprake van het inzetten van de professionele machtsverhouding als dwangmiddel. De verbalisant die het opgenomen filmpje bekeek, heeft gerelateerd dat hij niet kon zien wat verdachte bij aangeefster deed. Het filmpje toont geen dwang door middel van (bedreiging met) geweld of een andere feitelijkheid.

Ten slotte plaatst de raadsman vraagtekens bij de aangifte nu uit het dossier blijkt dat de aangeefster van dit feit vóór haar aangifte in contact is geweest met de aangeefster van de feiten 1 en 2, aangeefster [slachtoffer 1] .
4.4
Het oordeel van de rechtbank

Bij de beoordeling van het bewijs stelt de rechtbank voorop dat zedenzaken zich doorgaans kenmerken door het gegeven dat slechts twee personen aanwezig waren bij de ten laste gelegde seksuele handelingen: het vermeende slachtoffer en de vermeende dader. Dat is in deze zaak bij beide ten laste gelegde gebeurtenissen ook het geval.

Op grond van het bepaalde in artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) kan het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, door de rechtbank niet uitsluitend worden aangenomen op grond van de verklaring van het vermeende slachtoffer. Voor een bewezenverklaring dient sprake te zijn van steunbewijs, afkomstig van een andere bron dan het vermeende slachtoffer. In zedenzaken kan een geringe mate van steunbewijs in combinatie met een betrouwbare verklaring van het slachtoffer voldoende wettig bewijs opleveren. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat het steunbewijs geen betrekking hoeft te hebben op de ten laste gelegde gedragingen. Wel moet er een voldoende duidelijk verband zijn tussen de verklaring van de aangever en het steunbewijs. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een getuige die een verklaring heeft afgelegd over de emotionele toestand die hij heeft waargenomen bij een aangeefster kort na het feit. Ook andere waarnemingen van getuigen die weliswaar niet de verweten seksuele handelingen bevestigen, maar wel binnen de context van de gebeurtenissen voldoende zelfstandig onderscheidend zijn, kunnen een rol van betekenis spelen en als steunbewijs dienen. In dit kader mag echter geen sprake zijn van een te ver verwijderd verband tussen de voornoemde verklaring (aangifte) en het overige bewijsmateriaal.

Ten aanzien van feit 1 en feit 2

Betrouwbaarheid verklaring [slachtoffer 1]

Op 2 februari 2024 heeft bij de zedenpolitie een informatief gesprek plaatsgevonden met aangeefster. Vervolgens heeft aangeefster op 12 februari 2024 aangifte gedaan. Daarin beschrijft zij gedetailleerd en overeenkomstig haar eerdere verklaring wat zich heeft afgespeeld op 24 juli 2018. Die dag is zij met verdachte in zijn busje meegegaan naar zijn woning. Ze gingen eerst langs de Macdonalds en daarna naar een avondwinkel waar hij drinken voor haar kocht. Nadat zij het drankje had opgedronken, voelde ze zich slap en kon ze haar armen en benen niet bewegen. Zij was wel mentaal bij. Ze gingen naar Almere en onderweg betastte verdachte haar borsten en vagina over haar kleding. Verdachte reed naar een loods van zijn bedrijf. Daar betastte hij haar onder haar kleding. Hij deed haar broek naar beneden en vingerde haar. Hij deed ook zijn broek uit en penetreerde haar zonder condoom. Vervolgens deed hij water in haar gezicht omdat zij nog niet goed bij was, waarna hij haar naar huis heeft gebracht.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn de verklaringen van aangeefster concreet, gedetailleerd en in de kern consistent. Aangeefster heeft - als gezegd - gedetailleerd verklaard over concrete, specifieke gebeurtenissen die plaatsvonden op 24 juli 2018. De rechtbank acht de verklaringen van aangeefster daarom betrouwbaar, ook ten aanzien van het seksueel binnendringen, en zal deze voor het bewijs gebruiken.

Dat aangeefster zich niet alles kan herinneren is te verklaren door tijdsverloop en het feit dat zij gedrogeerd was. Zij heeft ook verklaard dat zij zich niet alles herinnert. Daar komt bij dat aangeefster het heel moeilijk vond om over het misbruik te praten met familieleden en zij kan om die reden tegenover hen bepaalde aspecten achterwege hebben gelaten. Anders dan de raadsman betoogt, is dit voor de rechtbank dan ook geen reden om het onderdeel van haar verklaring dat ziet op de penetratie niet betrouwbaar te achten.

Steunbewijs

De rechtbank stelt vast dat er voldoende steunbewijs is voor de verklaring van aangeefster. Haar moeder heeft verklaard over afwijkend gedrag toen aangeefster die avond thuiskwam. Zij vond dat aangeefster en verdachte die avond erg laat thuiskwamen en zij heeft verdachte tweemaal gebeld om te vragen waar zij bleven. Op een gegeven moment zag zij verdachte op de gang met aangeefster. Aangeefster was om zich heen aan het slaan, deed raar en was aan het tegenstribbelen tegen verdachte. De moeder vond het gedrag van aangeefster kennelijk zodanig vreemd dat zij haar ex, de vader van aangeefster, hierover belde, die op zijn beurt vroeg of aangeefster niet gedrogeerd was. De moeder heeft hierop geantwoord dat dat niet kon omdat aangeefster de hele dag met verdachte op stap was geweest. De moeder is vervolgens naar aangeefster gegaan om te vragen wat er was. Aangeefster moest huilen. De volgende dag belde verdachte of hij aangeefster weer moest komen halen, maar aangeefster zei dat zij niet met hem mee wilde.

Dat, zoals verdachte verklaart, aangeefster zich zo gedroeg omdat ze niet naar huis wilde in verband met de moeilijke thuissituatie en een nicht die bij hen logeerde, acht de rechtbank niet aannemelijk. Die situatie bestond immers al langer, maar juist die dag was haar gedrag extreem. Daar komt bij dat haar moeder heeft verklaard dat aangeefster desgevraagd juist zei dat de nicht niet weg hoefde maar kon blijven.

De moeder van aangeefster heeft verklaard dat verdachte tegen haar op 18 december 2023 heeft bekend. Verdachte heeft gezegd dat hij handtastelijk was geweest. Hij zei dat hij een drankje had met daarin een pilletje en dat aangeefster daarvan mocht drinken. Een paar dagen later, op tweede kerstdag, heeft verdachte zijn zus een bericht gestuurd waarin hij spijt betuigt voor iets ergs dat zich heeft voorgedaan in het verleden.

Aangeefster heeft op 14 december 2023 samen met [naam 1] , de stiefdochter van verdachte, verdachte geconfronteerd. Dit gesprek is uitgewerkt in een proces-verbaal. Daaruit volgt dat verdachte tegen beide vrouwen heeft gezegd: “ik was ook jonger, ouder dan jullie, maar jonger dan ik nu ben. Dus ja, dan doe je bepaalde dingen waar je later niet 100% achter staat? Of ga je ... bepaalde gevoelens of emoties handelen, dat niet juist is?” Verdachte heeft verklaard dat hij er vaker over na heeft gedacht om zijn excuses aan te bieden, maar dat het moment [daarvoor] nooit is gekomen. Verdachte ontkent weliswaar aan het einde van dat gesprek dat hij aangeefster seksueel heeft misbruikt, maar op de opname van het gesprek met mevrouw [naam 2] van diezelfde dag is te horen dat verdachte tegen die [naam 2] zegt dat hij handelingen heeft gepleegd, maar dat hij bij [naam 1] nooit verder is gegaan “dan dingen zeggen en handtastelijk zijn”. Te horen is dat [naam 2] tegen verdachte zegt: “het zijn jonge meisjes en het is familie”. Verdachte antwoordt daarop: “ik was jong”.

De verklaring van verdachte ter zitting dat hij tijdens deze beide gesprekken, en ook in het gesprek met zijn zus, alleen doelde op het feit dat hij aangeefster uit zijn gedrogeerde drankje heeft laten drinken, acht de rechtbank, gelet op gehele inhoud van deze gesprekken en op hetgeen de moeder heeft verklaard over het gedrag van aangeefster op 24 juli 2018 en de dagen daarna, ongeloofwaardig.

Gelet op de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster, het steunbewijs in het dossier en de afwezigheid van contra-indicaties, gaat de rechtbank bij de beoordeling van de tenlastelegging uit van de juistheid van de gebeurtenissen zoals die door aangeefster zijn beschreven. De rechtbank acht daarmee de feiten 1 en 2 bewezen.

Ten aanzien van feit 3

Betrouwbaarheid verklaring [slachtoffer 2]

Op 18 mei 2024 heeft een informatief gesprek plaatsgevonden met aangeefster. Vervolgens heeft aangeefster op 21 mei 2024 aangifte gedaan.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn de verklaringen van aangeefster concreet, gedetailleerd en in de kern consistent. Aangeefster heeft verklaard dat zij stage liep bij het bedrijf van verdachte. Hij viel haar al eerder lastig met seksueel getinte en intimiderende opmerkingen, ook via whatsapp. Op 18 april 2024 zei verdachte dat hij bij een patiënt een katheter zou gaan plaatsen. In het kader van haar opleiding was het voor aangeefster belangrijk mee te gaan. De woning waar verdachte aangeefster mee naar toe nam bleek echter leeg. Verdachte zei dat het een woning was die hij huurde voor familie uit Suriname en dat hij iets moest controleren. Aangeefster voelde zich niet veilig en onderhield om die reden telefonisch contact met een vriendin. Ze droeg een joggingbroek en een croptop, waarbij haar buik deels ontbloot was. Verdachte boog onverhoeds voorover en begon haar navel te likken. Zij heeft daar een opname van gemaakt met haar telefoon. Aangeefster heeft - als gezegd - gedetailleerd verklaard over concrete, specifieke gebeurtenissen die volgens haar plaatsvonden in de periode van 1 februari 2024 tot en met 18 april 2024. De rechtbank acht de verklaringen van aangeefster daarom betrouwbaar en zal deze voor het bewijs gebruiken.

Steunbewijs

De aangifte wordt om te beginnen op onderdelen ondersteund door de verklaring van verdachte. Hij heeft immers erkend dat hij bepaalde flirterige berichten naar aangeefster heeft gestuurd. Deze berichten bevinden zich in het dossier. Hij heeft tevens verklaard dat hij aangeefster, met haar toestemming, een kusje op haar navelpiercing heeft gegeven.

Daarnaast vindt de aangifte steun in een door de aangeefster opgenomen video, waarop te zien is dat het hoofd van verdachte een heen en weer gaande beweging maakt ter hoogte van de navel.

Ook wordt de aangifte bevestigd door de verklaringen van getuigen [getuige] en [getuige] , die door aangeefster in de periode dat zij stageliep bij het bedrijf van verdachte, op de hoogte werden gehouden van het contact tussen aangeefster en verdachte. Aangeefster stuurde [getuige] dat ze bang was toen ze met verdachte op 18 april 2024 naar een woning zou gaan.

Dwang

De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of verdachte aangeefster op enige wijze heeft gedwongen te dulden dat hij haar op haar navel likte, hetgeen onder die omstandigheden als een ontuchtige handeling kwalificeert.

Tussen verdachte en aangeefster, die een stuk jonger is dan hij, bestond naar het oordeel van de rechtbank een ongelijke machtsverhouding. Aangeefster liep stage in het bedrijf van verdachte en moest in het kader van haar opleiding onder meer ervaring opdoen, onder meer met het plaatsen van een katheter. Verdachte heeft aangeefster in de periode voorafgaand aan 18 april 2024 zowel mondeling als telefonisch intimiderende en seksueel getinte opmerkingen toegevoegd. Op 18 april 2024 heeft hij haar onder valse voorwendselen, namelijk om bij een patiënt een katheter te plaatsen, naar een leegstaande woning gelokt. Hij heeft haar meegenomen naar de slaapkamer, is op het bed gaan zitten en heeft aangeefster, toen zij voor hem stond, naar zich toegetrokken en op haar navel gelikt.

Door onder die omstandigheden aangeefster onverhoeds op haar navel te likken, heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank door een andere feitelijkheid in de zin van artikel 246 van het Wetboek van strafrecht (Sr, oud), opzettelijk veroorzaakt dat aangeefster deze handeling tegen haar zin heeft ondergaan. Hij heeft haar immers in een zodanige door hem veroorzaakte situatie gebracht dat zij zich naar redelijke verwachting niet direct aan die handelingen heeft kunnen onttrekken. Dat verdachte is gestopt nadat aangeefster zijn hoofd wegduwde maakt dit oordeel niet anders, op dat moment was het kwaad immers al geschied.

De rechtbank acht de optelsom van deze omstandigheden, de eerdere opmerkingen en berichten van verdachte, en het overwicht dat verdachte had over aangeefster zodanig dat hij aangeefster heeft gedwongen tot het dulden van een ontuchtige handeling.

De rechtbank acht, gelet op dit alles, feit 3 bewezen.
<nr>5</nr>Voorwaardelijk verzoek om aanhouding
De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting een voorwaardelijk verzoek gedaan om de moeder van aangeefster [slachtoffer 1] te horen, in het geval de rechtbank haar verklaring bezigt als bewijs.

De officier van justitie heeft zich tegen toewijzen van het voorwaardelijke verzoek verzet.

De raadsman heeft de rechter-commissaris in deze zaak eerder, op 8 juli 2025, laten weten geen onderzoekswensen te hebben. Van de verdediging mag onder die omstandigheden worden verlangd dat wordt toegelicht waarom zij terugkomt van dit eerder ingenomen standpunt en alsnog verzoekt om nader onderzoek. Het is vervolgens aan de rechter om te oordelen of de opgegeven redenen van voldoende gewicht zijn. Als dat niet het geval is, kan de rechter het verzoek afwijzen. Voor de beoordeling is van belang of na het moment waarop te kennen is gegeven dat er geen onderzoekswensen zijn, sprake is van relevante nieuwe ontwikkelingen met betrekking tot de strafzaak. Het ligt op weg van de verdediging om nieuwe ontwikkelingen aan te duiden.

Desgevraagd heeft de raadsman naar voren gebracht dat hij terugkomt van het standpunt geen onderzoekswensen te hebben, omdat hij ter terechtzitting heeft gehoord dat de officier van justitie in haar requisitoir stelt dat de verklaring van de moeder van aangeefster als (steun)bewijs is aan te merken. Dit gegeven is echter geen nieuwe ontwikkeling in deze strafzaak en was ook op 8 juli 2025 voorzienbaar. De rechtbank wijst het voorwaardelijk verzoek tot het horen van de moeder van aangeefster dan ook af.
<nr>6</nr>Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in de bijlage vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:

ten aanzien van feit 1:

op 24 juli 2018 te Almere en/of Amsterdam en/of Diemen met [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedag 2] 2004, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1] , te weten

het drogeren van die [slachtoffer 1] en

het betasten en aanraken van de borsten en vagina van die [slachtoffer 1] en

het knijpen in en wrijven over de borsten van die [slachtoffer 1] en

het vingeren van die [slachtoffer 1] en

het stoppen van zijn vinger en penis in de vagina van die [slachtoffer 1] ;

ten aanzien van feit 2:

op 24 juli 2018 te Almere en/of Amsterdam en/of Diemen met [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedag 2] 2004, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten

het betasten en/of aanraken van de borsten en vagina van die [slachtoffer 1] en

het knijpen in en wrijven over de borsten van die [slachtoffer 1] en

het vingeren van die [slachtoffer 1] ;

ten aanzien van feit 3:

in de periode van 1 februari 2024 tot en met 18 april 2024 te Amsterdam en Diemen door een andere feitelijkheid [slachtoffer 2] , die voor hem, verdachte, werkzaam was en/of stage liep bij het bedrijf van hem, verdachte, heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen, immers heeft hij, verdachte,

tegen die [slachtoffer 2] gezegd: "Ik kom bij je met mijn sweep" en "Met brutale meisjes doe ik brutale dingen" en

die [slachtoffer 2] meegenomen naar een woning van een client, welke woning leeg bleek te zijn, en

die [slachtoffer 2] vervolgens gevraagd om mee naar boven te lopen en om op bed te gaan zitten en

die [slachtoffer 2] bij de heupen vastgepakt en naar zich toegetrokken en

het touwtje van de broek van die [slachtoffer 2] losgemaakt en

de navel van die [slachtoffer 2] gelikt.
<nr>7</nr>De strafbaarheid van de feiten
De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
<nr>8</nr>De strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
<nr>9</nr>Motivering van de straffen en maatregelen 9.1.
De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar onder 1, 2 en 3 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 36 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren met oplegging van de bijzondere voorwaarden als door de reclassering geadviseerd.
9.2.
Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet alleen verdachte raakt, maar ook zijn gezin en zijn onderneming. De reclassering ziet ook contra-indicaties voor het opleggen van een gevangenisstraf. Daarnaast heeft de raadsman gewezen op het tijdsverloop en het feit dat de straffen die destijds voor dit soort feiten werden opgelegd lager waren. De raadsman heeft verzocht om een geheel voorwaardelijke straf, eventueel gecombineerd met een taakstraf.
9.3.
Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het betasten en seksueel binnendringen van zijn destijds 14-jarige nichtje. Hij heeft daarmee haar lichamelijke en seksuele integriteit op ingrijpende wijze geschonden. Voorafgaand daaraan heeft hij haar gedrogeerd door een pil in een alcoholhoudend drankje te doen dat zij opdronk, waardoor zij zich niet kon verzetten. Het toedienen van verdovende middelen bij een zo jong meisje levert fysieke gevaren op en de rechtbank acht het buitengewoon zorgelijk en verwerpelijk dat verdachte op deze kennelijk planmatige wijze te werk is gegaan, zodat zij zich niet zou verzetten of zich het misbruik niet zou kunnen herinneren. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van feiten als de onderhavige daarvan nog langdurig nadelige psychische gevolgen kunnen ondervinden. Dit blijkt in deze zaak temeer uit de ter terechtzitting voorgelezen schriftelijke slachtofferverklaring. Hierin beschrijft het slachtoffer hoe de feiten haar leven voorgoed hebben veranderd. De man die zij vertrouwde heeft haar veiligheidsgevoel afgenomen. Zij verloor de grip op haar leven, voelde zich leeg, uitgeput en verloren. Zij kon zich op school niet meer concentreren. Het heeft haar ontwikkeling, vertrouwen en toekomst lange tijd stilgezet. Tot op de dag van vandaag draagt zij de gevolgen, ze heeft moeite met intimiteit en vertrouwen in relaties. Ze krijgt nog vaak paniekaanvallen en periodes van hyperventilatie. Dit alles heeft verdachte ondergeschikt gemaakt aan zijn eigen lustgevoelens.

Verdachte heeft daarnaast een jonge vrouw die stage liep binnen zijn bedrijf gedwongen tot het ondergaan van ontuchtige handelingen, daarbij misbruik makend van het overwicht dat hij als directeur op haar had. De rechtbank acht dit zeer kwalijk. De werkplek is bij uitstek een plek waar men zich veilig moet kunnen voelen. Uit de bij het verzoek tot schadevergoeding gevoegde patiëntenkaart van de huisarts blijkt dat het slachtoffer zich tot de huisarts heeft gewend met psychische klachten. In het huisartsjournaal is beschreven dat zij last heeft van herinneringen aan de voor haar onprettige periode. Ook hier vond verdachte zijn eigen genot belangrijker.

De geschetste ernst van de gedragingen van verdachte maken dat een voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf, zoals door de raadsman van verdachte voorgesteld, niet passend is. De rechtbank wijst er in dit verband nog op dat hier sprake is van een taakstrafverbod.

Uit het Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 14 juli 2016 betreffende verdachte, blijkt dat verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld.

De rechtbank heeft tot slot acht geslagen op het over verdachte opgemaakte reclasseringsadvies van 21 oktober 2025. De reclassering heeft het idee dat er meer speelt dan verdachte in gesprekken laat zien. Hij toont zich ambivalent ten aanzien van hulpverlening. Geadviseerd wordt een voorwaardelijk strafdeel met als bijzondere voorwaarden een meldplicht en ambulante behandeling.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op hetgeen in vergelijkbare zaken wordt opgelegd, aanleiding bestaat bij de straftoemeting af te wijken van wat de officier van justitie heeft gevorderd in die zin dat zij de straf zal matigen. De rechtbank zal daarbij geen voorwaardelijk strafdeel opleggen. Zij overweegt daartoe dat er geen aanwijzing is dat verdachte een hulpvraag heeft en hij ook geen openheid van zaken heeft gegeven. Eventuele begeleiding kan in het kader van de regeling met betrekking tot de Voorwaardelijke Invrijheidsstelling plaatsvinden.

Alles afwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf van 24 maanden passend en geboden.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.

Ten aanzien van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer 1] vordert € 170,-- aan vergoeding van materiële schade en € 18.125,-- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De benadeelde partij [slachtoffer 2] vordert € 2.500,-- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat beide vorderingen in hun geheel kunnen worden toegewezen.

De verdediging heeft de vorderingen betwist. Ten aanzien van de benadeelde partij [slachtoffer 1] stelt de verdediging dat onvoldoende vaststaat dat de kosten voor gezinstherapie aan het ten laste gelegde feit kunnen worden toegerekend, gezien de reeds bestaande problemen. Ten aanzien van het immateriële deel van de vordering heeft de raadsman aanzienlijke matiging verzocht.

Hetzelfde geldt voor de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] . Van geobjectiveerd geestelijk letsel is volgens de verdediging niet gebleken.

Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

Naar het oordeel van de rechtbank is het materiële deel van de vordering voldoende onderbouwd en onvoldoende gemotiveerd betwist. Als gevolg van het bewezenverklaarde is de benadeelde partij door de huisarts verwezen voor behandeling van haar psychische klachten. Zij heeft daarvoor kosten gemaakt, die niet volledig door haar zorgverzekering zijn vergoed. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een zodanig causaal verband tussen het bewezenverklaarde en de schade, dat deze kosten aan verdachte moeten worden toegerekend. De rechtbank zal daarom dit deel van de vordering toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is geleden, te weten 27 februari 2024.

Vaststaat dat aan de benadeelde partij door het onder 1 en 2 bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. De aard en de ernst van de feitelijkheden brengen dit op zichzelf al met zich. Op grond van artikel 6:106 onder b van het Burgerlijk Wetboek (BW) heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade. Rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend en gelet op de Rotterdamse schaal, waarbij de rechtbank aansluiting zoekt bij Hfst 15.1 Seksuele misdrijven, categorie (b) ernstig, begroot de rechtbank de immateriële schade naar billijkheid op € 12.500,-- en wijst dit bedrag toe, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.

De vordering zal voor het overige worden afgewezen.

Ten aanzien van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

Vaststaat dat aan de benadeelde partij door het onder 3 bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 onder b BW heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien

er een ernstige inbreuk is gepleegd op haar persoonlijke levenssfeer en

er een ernstige inbreuk is gepleegd op haar lichamelijke integriteit.

Hoewel de bewezen verklaarde ontuchtige handelingen in feitelijke zin nog enigszins beperkt in ernst zijn gebleven, houdt de rechtbank rekening met het overwicht dat verdachte als directeur uitoefende op de benadeelde partij als stagiaire in zijn bedrijf, en de situatie waarin hij haar gebracht heeft door haar onder valse voorwendselen naar een woning te lokken. De rechtbank begroot de immateriële schade, mede gelet op hetgeen in soortgelijke zaken wordt toegekend en gelet op de Rotterdamse schaal, waarbij de rechtbank aansluiting zoekt bij Hfst 15.3 Seksuele misdrijven, categorie (b) ernstig, op € 2.500,--, te vermeerderen met de wettelijke rente gerekend vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.

In het belang van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemden, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

Verdachte zal tevens worden veroordeeld in hun proceskosten, tot op heden begroot op nihil.
<nr>10</nr>Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f (oud), 55, 57 (oud), 63 (oud), 245 (oud), 246 (oud) en 247 (oud) van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
<nr>11</nr>Beslissing
Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

ten aanzien van feit 1 en feit 2:

eendaadse samenloop van

met iemand, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam

en

met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen;

ten aanzien van feit 3:

feitelijke aanranding van de eerbaarheid.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 24 maanden.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] toe tot een bedrag van € 170,-- (honderd en zeventig euro) aan vergoeding van materiële schade en € 12.500,-- (twaalfduizend en vijfhonderd euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente gerekend over de materiële schade vanaf 27 februari 2024 en over de immateriële schade vanaf 24 juli 2018 tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 1] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Wijst de vordering voor het overige af.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 1] aan de Staat € 12.670,-- (twaalfduizend, zeshonderd en zeventig euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover over de materiële schade vanaf 27 februari 2024 en over de immateriële schade vanaf 24 juli 2018 tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 88 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] toe tot een bedrag van € 2.500,-- (tweeduizend en vijfhonderd euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (1 februari 2024) tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 2] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 2] aan de Staat € 2.500,-- (tweeduizend en vijfhonderd euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (1 februari 2024) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 25 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M.C. Danel, voorzitter,

mrs. B.C. Langendoen en G.J.M. Kruizinga, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. D. West, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 10 september 2026.

Zie het arrest van de Hoge Raad van 14 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1519

Artikel delen