Menu

Filter op
content
PONT | Governance

0

ECLI:NL:RBAMS:2026:9299

Rechtbank Amsterdam 22 september 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBAMS:2026:9299 text/xml public 2026-09-22T08:55:16 2026-09-16 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-09-18 C/13/791707 / KG ZA 26-683 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Kort geding Proceskostenveroordeling NL Amsterdam Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:9299 text/html public 2026-09-21T15:36:10 2026-09-22 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:9299 Rechtbank Amsterdam , 18-09-2026 / C/13/791707 / KG ZA 26-683
Voortzetten bankrelatie
RECHTBANK Amsterdam
Civiel recht, voorzieningenrechter

Zaaknummer: C/13/791707 / KG ZA 26-683 LV/EB

Vonnis in kort geding van 18 september 2026

in de zaak van
<nr>1</nr> [eiser 1] B.V.,
te [vestigingsplaats 1] ,2. [eiser 2] B.V.,

te [vestigingsplaats 2] ,3. [eiser 3],

te [woonplaats 1] ,4. [eiser 4],

te [woonplaats 2] ,

eisende partijen bij dagvaarding van 4 augustus 2026,

hierna ook wel, afzonderlijk, te noemen [eiser 1] , [eiser 2] , [eiser 3] en [eiser 4] ,

advocaat: mr. H.T. Kernkamp,

tegen

ABN AMRO BANK N.V.,

te Amsterdam,

gedaagde partij,

hierna te noemen: de bank,

advocaat: mr. J.W. Achterberg.
<nr>1</nr>De procedure
Op de zitting van 1 september 2026 hebben eisers de vorderingen zoals omschreven in de dagvaarding toegelicht. De bank heeft verweer gevoerd, mede aan de hand van een tevoren ingediende conclusie van antwoord. Beide partijen hebben producties ingediend en gebruik gemaakt van spreekaantekeningen, die aan het procesdossier zijn toegevoegd.

Op de zitting waren aan de zijde van eisers aanwezig [eiser 3] ( statutair bestuurder van [eiser 1] en [eiser 2] ) met mr. Kernkamp. Aan de zijde van de bank waren aanwezig [naam 1] ( [functie 1] ), [naam 2] ( [functie 2] ) en mr. Achterberg.

Na debat is de procedure pro forma aangehouden om partijen de gelegenheid te bieden de mogelijkheid van een minnelijke regeling te onderzoeken. Op 3 september 2026 hebben partijen vonnis gevraagd. Vonnis is bepaald op vandaag.
<nr>2</nr>De feiten 2.1.
Eisers houden sinds 2023 diverse betaalrekeningen aan bij de bank (zowel zakelijk als privé). [eiser 3] , gehuwd met [eiser 4] , staat aan het hoofd van [eiser 1] en [eiser 2] (hierna samen te noemen [bedrijf]). [eiser 3] en [eiser 4] houden samen de aandelen in [bedrijf].
2.2.
[eiser 1] drijft een onderneming die zich volgens haar inschrijving in het handelsregister bezig houdt met (i) bemiddelingsactiviteiten in verband met

goederenvervoer en (ii) groothandelactiviteiten in chemische grondstoffen en chemicaliën voor industriële toepassing. Het gaat onder meer om TDI (tolueen diisocyanaat) en pMDI ((een vorm van) methyleendifenyldiisocyanaat). Beide stoffen behoren tot de groep van isocyanaten en dienen voornamelijk als grondstof voor de productie van verschillende soorten zacht schuim (polyurethaan, ofwel PU), maar kunnen ook worden gebruikt als precursor en bestandsdeel voor raketbrandstof.
2.3.
De levering van TDI en MDI aan Rusland is per 20 juli 2025 gesanctioneerd onder artikel 2A van Verordening 833/2014.
2.4.
[eiser 2] is een zustervennootschap van [eiser 1] . Zij drijft een onderneming in het goederenvervoer over de weg (met uitzondering van verhuisbedrijven) en activiteiten van financiële holdings. [eiser 2] vervult een intercompany functie voor [eiser 1] door personeel uit te lenen aan [eiser 1] . Ook heeft [eiser 2] de vrachtwagens en containers in bezit die [eiser 1] gebruikt voor het transport. 75,5% van de creditomzet van [eiser 2] is afkomstig vanuit [eiser 1] .
2.5.
Tot begin 2025 was de voornaamste activiteit van [eiser 1] het verzorgen van transporten met tankcontainers van en naar Rusland. Een belangrijke Russische afnemer was Egida+ LLC (hierna: Egida). De dochtervennootschap van Egida, Egofom LLP, is gevestigd in Kazachstan en was een andere belangrijke afnemer van [eiser 1] . In de loop van 2025 is [bedrijf] meer en meer distributeur van chemische producten binnen Europa geworden.
2.6.
Eind 2025 is de bank een klantonderzoek gestart naar [bedrijf]. Zij heeft [bedrijf] in drie rondes schriftelijk vragen gesteld en reacties gevraagd op door de bank gesignaleerde risico’s op overtreding van sancties tegen Rusland. [bedrijf] heeft in drie rondes geantwoord. Niet alle door de bank gevraagde documentatie is daarbij verstrekt.
2.7.
Bij brieven van 22 juni 2026 heeft de bank aan eisers aangekondigd dat zij de relaties met hen zal beëindigen op grond van artikel 5 lid 3 van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) dan wel artikel 35 van de Algemene Bankvoorwaarden (ABV). Daarnaast heeft zij aangekondigd dat de gegevens van eisers gedurende vijf jaar op haar interne CAAML-lijst zullen worden geplaatst. De beslissingen tot opzegging zijn als volgt gemotiveerd:

Voor [eiser 1] :

De bank stelt vast dat sprake is van aanhoudende en niet-weggenomen integriteitsrisico’s, waaronder risico’s op mogelijke betrokkenheid bij witwassen, sanctieschendingen en/of het omzeilen van sancties.

Ondanks herhaalde verzoeken heeft u onvoldoende verifieerbare documentatie (zoals contracten, transportdocumentatie en eindgebruikersverklaringen) verstrekt, waardoor geen volledig en controleerbaar inzicht bestaat in de aard, herkomst en bestemming van de transacties.

Hierdoor kan de bank niet vaststellen welke goederen zijn geleverd, aan wie is geleverd en wat de uiteindelijke eindbestemming is geweest.

Daarnaast zijn transacties vastgesteld met tegenpartijen waarvan de activiteiten, herkomst van middelen en zakelijke rationale niet (voldoende) verifieerbaar zijn.

U heeft verklaringen afgelegd die onjuist, tegenstrijdig of onvolledig blijken te zijn en relevante informatie niet (volledig) verstrekt. Tevens is gebleken dat risicovolle transacties, ondanks eerdere signalen van de bank, zijn voortgezet.

Gelet op de aard van de verhandelde chemische stoffen en de mogelijke toepassingen daarvan acht de bank het risico op ongewenste of niet-transparante eindbestemmingen verhoogd en onvoldoende beheersbaar.”

Voor [eiser 2] :

Er is door de bank besloten om de bancaire relatie met [eiser 1] B.V. te beëindigen. Zoals ook in de separate brief aan die entiteit is beschreven, is de reden hiervoor het gebrek aan toereikende informatie en documentatie over de geconstateerde integriteitsrisico’s. Dit brengt voor de bank onbeheersbare integriteitsrisico's met zich mee. Deze risico's stralen vanwege de juridische, organisatorische en financiële verwevenheid met [eiser 1] B.V. in zodanige mate uit op de onderneming dat deze ook op haar van toepassing zijn.

Voor [eiser 3] en voor [eiser 4] :

Uit het klantenonderzoek blijkt dat u uiteindelijk belanghebbende (hierna: UBO) en bestuurder bent van de onderneming. Vanwege uw rol als UBO en bestuurder heeft de bank u gevraagd om opheldering te geven. U heeft ondanks deze oproepen onvoldoende gehoor gegeven om de door de bank gevraagde informatie en documentatie binnen de gestelde termijn te doen toekomen. Het gebrek aan informatie en inzicht brengt voor de bank integriteitsrisico’s met zich mee. Hierdoor kan de bank niet aan de op haar rustende wettelijke verplichtingen voldoen. Dit soort risico’s kan en mag de bank niet aanvaarden. Vanwege uw rol als UBO en bestuurder van de onderneming en de redenen voor beëindiging van de relatie met de onderneming rekent de bank u dit ook persoonlijk aan. Om deze reden(en) wordt de bancaire relatie met u beëindigd.
2.8.
Eisers hebben bezwaar gemaakt tegen de opzegging van de relaties, maar de bank heeft haar beslissingen gehandhaafd.
<nr>3</nr>Het geschil 3.1.
Eisers vorderen, kort gezegd:

primair

de bank te verbieden de bancaire relaties met hen te beëindigen;

de bank te gebieden de relaties met hen ongewijzigd voort te zetten;

de bank te verbieden de gegevens van eisers te registreren op de CAAML-lijst;

de bank te gebieden de registratie te verwijderen als die al zijn gedaan;

subsidiair

de bank te gebieden de bancaire relaties voort te zetten totdat in een bodemprocedure onherroepelijk zal zijn beslist over de rechtsgeldigheid van de opzegging;

de bank te verbieden gedurende die periode uitvoering te geven aan de CAAML-registratie;

meer subsidiair

- de bank te gebieden de bancaire relaties ten minste voort te zetten tot 31 december 2026;

alles op straffe van dwangsommen en met veroordeling van de bank in de proceskosten.
3.2.
Aan hun vorderingen leggen eisers ten grondslag, samengevat weergegeven, dat [bedrijf] momenteel nauwelijks meer iets naar (Wit-)Rusland vervoert en nooit heeft meegedaan aan bypass routes via Turkije of anderszins. Volgens eisers is er daarom geen risico op sanctieomzeiling. Ten tijde van een paar door de bank als problematisch aangemerkte transacties, was TDI volgens eisers nog niet gesanctioneerd. Zij stellen verder dat eindgebruikers-verklaringen die door afnemers van dual use goederen moeten worden afgelegd, alleen aan de orde komen bij vervoer van voor (Wit-) Rusland gesanctioneerde goederen als er een aannemelijk risico bestaat dat die goederen via een omweg alsnog in (Wit-)Rusland terecht zouden kunnen komen. In die gevallen vraagt [bedrijf] zo’n verklaring op, bijvoorbeeld aan Egofom in Kazachstan, een dochter van Egida. In die gevallen zorgt [bedrijf] er ook voor dat zij het volledige transport zelf in handen heeft en daardoor zeker weet dat het product voor de bedoelde toepassing ter plaatse wordt aangewend. Omdat zij nog maar kort actief is in de distributie van chemicaliën, heeft [bedrijf] zich tot nu toe met name gericht op risico’s van de niet in Europa geregistreerde bedrijven en hun antecedenten. Bij de beoordeling van de Europese partners richt zij zich met name op juiste registratie van het bedrijf, de aanwezigheid van een bankrekening en de directievoering. Ze heeft zich bereid verklaard om desgewenst ook haar Europese klanten te vragen om eindgebruikers-verklaringen. Maar zij begrijpt niet waarom zij Europese bouwbedrijven zou moeten screenen op de herkomst van hun betaalmiddelen.
3.3.
De bank voert verweer.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna ingegaan, voor zover van belang.
<nr>4</nr>De beoordeling 4.1.
De bank heeft de beëindiging van de relaties met eisers gegrond op artikel 5 lid 3 van de Wwft, althans artikel 35 van de ABV. Eerst zal worden ingegaan op de Wwft.
4.2.
Banken zijn op grond van artikel 3 Wwft verplicht cliëntenonderzoek te doen. Zij hebben op grond van de Wwft een verantwoordelijkheid bij het signaleren van zogenoemde financieel-economische criminaliteit en andere integriteitsrisico’s. Zij moeten zoveel mogelijk voorkomen dat het financiële systeem voor oneigenlijke doelen wordt gebruikt (of: misbruikt). Het cliëntenonderzoek houdt onder meer in dat de bank een voortdurende controle uitoefent op de zakelijke relatie en op de transacties die tijdens de duur van de relatie worden verricht. De bank moet zich ervan verzekeren dat de transacties overeenkomen met de kennis die zij heeft van de klant en diens risicoprofiel, met zo nodig een onderzoek naar de bron van de middelen die gebruikt worden (artikel 3 lid 2 aanhef en onder d Wwft). Als de bank haar cliëntenonderzoek niet kan voltooien of het gebruik door de klant van de bankrekening(en) een (ander) onacceptabel risico op witwassen of terrorismefinanciering vormt, moet zij de relatie met die klant beëindigen (artikel 5 lid 3 Wwft) omdat zij in dat geval het risico van misbruik van de door haar aangeboden producten en diensten niet kan overzien. Het is voor de beëindiging van de relatie niet noodzakelijk dat er concrete bewijzen zijn dat de klant betrokken is bij criminele activiteiten.
4.3.
In de kern komen de zorgen van de bank erop neer dat [bedrijf] zich onvoldoende bewust is van het risico dat met de door haar verhandelde chemicaliën sancties worden omzeild en dat zij er onvoldoende aan doet om te voorkomen dat zij daaraan (al dan niet onbewust) meewerkt. Dit leidt de bank af uit de volgende onderzoeksresultaten:

[bedrijf] richt zich ook na de ingevoerde sancties nog steeds voor een groot deel op landen van de voormalige Sovjet-Unie of op partijen die een band hebben met deze landen;

sinds [bedrijf] zich heeft teruggetrokken uit Rusland, vinden veel transacties plaats met bouwbedrijven, hoofdzakelijk in Duitsland en Turkije, die vaak pas recent zijn opgericht maar wel relatief grote bedragen kunnen overmaken, en die in sommige gevallen zijn gevestigd op een woon- of postadres. Onder deze bedrijven zijn er veel (a) die snel van bestuurder en activiteiten wisselen, (b) die geen website hebben waardoor antecedenten moeilijk geverifieerd kunnen worden en (c) waarvan bestuurders ofwel niet te verifiëren zijn, ofwel geen achtergrond in de chemie hebben;

meerdere afnemers kopen relatief grote hoeveelheden chemicaliën in zonder dat uit openbare bronnen duidelijk is dat de afnemers de faciliteiten hebben om deze te verwerken;

de herkomst van middelen en activiteiten van meerdere afnemers zijn ofwel onduidelijk ofwel niet verifieerbaar;

meerdere afnemers bundelen facturen, betalen individuele facturen in gesplitste termijnen, betalen bundels van facturen in gesplitste termijnen en/of betalen facturen met een grote vertraging;

[bedrijf] ontvangt betalingen uit een ander land dan waar de betreffende onderneming gevestigd is (wat een witwasindicator is volgens het Anti Money Laundering Centre); en

twee afnemers van [bedrijf] voeren betalingen uit waarbij zij verwijzen naar een contract van 24 april 2024 tussen [bedrijf] en haar voormalige Russische afnemer Egida.
4.4.
Ook de voorzieningenrechter constateert dat er verschillende signalen zijn dat [bedrijf] zich – minst genomen – onvoldoende bewust is van de risico’s dat zij onbedoeld meewerkt aan het omzeilen van sanctieregelgeving. [bedrijf] lijkt zich niet te realiseren dat zij sinds de omschakeling van haar activiteiten actief is in een hoog risico-branche. In hun pleitnota schrijven eisers bijvoorbeeld dat [bedrijf] niet een bijzonder hoog risicoprofiel had, omdat het niet primair de logistiek dienstverlener is die de transacties sluit voor de stoffen die met haar containerwagens worden vervoerd. Verder schrijft [bedrijf] in een e-mail van 30 maart 2026 aan de bank dat ze destijds geen reden had om te twijfelen aan de integriteit van Baukonzept (een van haar klanten) omdat “men de geleverde goederen (die geen andere toepassing kent dan de productie van industrieel schuim (cursivering vzr.) correct betaalde.” En nog op de zitting heeft [eiser 3] verklaard dat de door haar verhandelde producten gebruikt worden voor het maken van matrassen. Hij heeft toen ook de vraag van de voorzieningenrechter, of het risico is toegenomen sinds [bedrijf] is overgeschakeld op distributie van chemische stoffen, beantwoord met “Ik zou niet weten waarom”.
4.5.
Een ander punt is dat [bedrijf] ervan uitgaat dat het gevaar van doorlevering van goederen aan Rusland alleen dreigt bij landen die aan Rusland grenzen, en niet bij bedrijven die (elders) in Europa zijn gevestigd. Tot dusver vraagt ze om die reden geen eindgebruikersverklaringen aan die laatste groep Europese klanten. Dat is in ieder geval naïef.
4.6.
Bij de betalingen die zijn gedaan onder vermelding van een contract dat tussen [bedrijf] en Egida is gesloten, zijn ook de nodige vraagtekens te plaatsen. [bedrijf] heeft de vermelding van dat contract overigens naar eigen zeggen niet in de gaten gehad totdat de bank haar daarop wees, waaruit een gebrek aan alertheid blijkt. De verklaring die [bedrijf] heeft gegeven voor het vermelden van het contract met Egida, namelijk dat dit een logisch gevolg is van het feit dat buitenlandse afnemers administratieve sjablonen of

inkooporders hergebruiken bij hun interne betalingsopdrachten, is in ieder geval onnavolgbaar.
4.7.
Volgens de bank is het al tot overtreding van sancties gekomen. Eisers bestrijden dat. Het antwoord op die vraag is in kort geding niet eenvoudig vast te stellen, maar is ook niet van doorslaggevend belang. Al met al is aannemelijk dat [bedrijf] zich er – nog steeds – onvoldoende bewust van is dat de door haar gedistribueerde chemicaliën ook militaire doelen kunnen dienen en dat zij om die reden extra kritisch moet kijken naar het risico van sanctieomzeiling. Haar focus lijkt vooral te liggen op het overeind houden van haar onderneming, gegeven de relatief grote aandacht die zij daaraan heeft besteed in haar antwoordbrieven aan de bank. Zij lijkt de noodzaak van een kritischere beoordeling van haar klanten niet echt te onderschrijven. Gesteld noch gebleken is in ieder geval dat zij inmiddels controleerbaar beleid heeft ingevoerd om risico’s van sanctieomzeiling te beoordelen. Verder is ook gesteld noch gebleken dat zij al uitvoering geeft aan haar aanbod om (a) ook aan Europese klanten eindgebruikersverklaringen te vragen en (b) derdenbetalingen te weigeren als daar geen logische en met documentatie onderbouwde constructie aan ten grondslag ligt. Dat mocht wel van haar worden verwacht als zij de gesignaleerde risico’s serieus zou nemen.
4.8.
Vanwege het fundamentele verschil dat er bestaat tussen de risicoperceptie van partijen, is het voor de bank niet mogelijk om de sanctierisico’s die aan de onderneming van [bedrijf] zijn verbonden, voldoende te beheersen. Voor de bank is niet te overzien of haar rekeningen daarvoor worden gebruikt. Dat zo zijnde, is voorshands aannemelijk dat de bank op grond van artikel 5 lid 3 Wwft verplicht is om afscheid te nemen van eisers.
4.9.
Bij deze uitkomst is het niet meer nodig om in te gaan op wat partijen verder nog hebben aangevoerd over de Russische vennootschap waarvan de aandelen (nu nog) in handen zijn van [bedrijf] en [eiser 4] , of op de vraag of de bank gebruik mocht maken van haar opzeggingsbevoegdheid ex artikel 35 ABV.
4.10.
Er is ook geen grond om de bank te verbieden de gegevens van eisers te vermelde op haar interne CAAML-lijst. Op die lijst worden de gegevens geregistreerd van klanten met wie de relatie is beëindigd op grond van de Wwft. Het doel daarvan is te voorkomen dat opnieuw een relatie met de klant wordt aangegaan zonder dat de risico’s daarvan zorgvuldig door de bank zijn beoordeeld. De relatie met eisers wordt beëindigd op grond van de Wwft.
4.11.
De slotsom is dat alle vorderingen zullen worden afgewezen.
4.12.
Eisers zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De rente daarover is ook toewijsbaar. De proceskosten van de bank worden begroot op:

- griffierecht



735

- salaris advocaat



1.177

- nakosten



189

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal



2.101

5. De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
weigert de gevraagde voorzieningen,
5.2.
veroordeelt eisers in de proceskosten van € 2.101, te vermeerderen met € 98 plus de kosten van betekening als het vonnis wordt betekend,
5.3.
veroordeelt eisers tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na vonnisdatum zijn betaald en tot betaling van de wettelijke rente over € 98 plus de kosten van betekening vanaf veertien dagen na die betekening,
5.4.
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. L. Voetelink, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. E. van Bennekom, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 18 september 2026.

Coll: BB

Artikel delen