ECLI:NL:RBAMS:2026:7864
Rechtbank Amsterdam 10 augustus 2026
Jurisprudentie – Uitspraken
ECLI:NL:RBAMS:2026:7864
text/xml
public
2026-08-10T11:15:55
2026-08-04
Raad voor de Rechtspraak
nl
Rechtbank Amsterdam
2026-07-15
C/13/772051
Uitspraak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Tussenbeschikking
NL
Amsterdam
Civiel recht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:7864
text/html
public
2026-08-10T11:10:58
2026-08-10
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:RBAMS:2026:7864 Rechtbank Amsterdam , 15-07-2026 / C/13/772051
wamca - collectieve actie van Stichting Forward Gold Sale tegen ING en bunq - ontvankelijkheid - vereisten van representativiteit en gelijksoortigheid
RECHTBANK Amsterdam
Civiel recht
Zaaknummer: C/13/772051 / HA ZA 25-1256
Vonnis van 15 juli 2026
in de zaak van
de stichting
STICHTING COLLECTIEF FORWARD GOLD SALE,
gevestigd te Amsterdam,
eisende partij,
hierna te noemen: stichting FGS,
advocaat: mr. K. Rutten,
tegen
1. de naamloze vennootschap
ING BANK N.V.,
gevestigd te Amsterdam,
advocaat: mr. F.A. van de Wakker,2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
BUNQ B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
advocaat: mr. F.M.A. 't Hart,
gedaagde partijen,
hierna afzonderlijk te noemen: “ING” en “bunq”, en samen: “ING en bunq” of de banken.
1De kern van de zaak en de beslissing
1.1.
Deze zaak is een collectieve actie. Stichting FGS komt op voor de belangen van personen die goud hebben gekocht op termijn (10 maanden) via Forward Gold Sale-contracten en daarvoor ook hebben betaald, maar geen of te weinig goud hebben ontvangen. Het gaat om de helft van alle kopers, ongeveer 700 gedupeerden. Het goud zou worden gewonnen uit Afrikaanse goudmijnen in Tanzania (Ruby Creek) dan wel Ghana (Transeco). De gedupeerden hebben voor het goud betaald aan escrow-stichtingen die verschillende betaalrekeningen aanhielden bij ING en bunq.
1.2.
Stichting FGS vindt dat de banken de schade van de gedupeerden moeten vergoeden. Volgens stichting FGS waren er red flags, signalen die wijzen op verhoogde risico’s, en hadden de banken daarom de betaalrekeningen van de escrow-stichtingen niet mogen openen, althans moeten blokkeren. Daarom heeft stichting FGS ten behoeve van de gedupeerden een collectieve actie tot schadevergoeding ingesteld tegen de banken.
1.3.
In deze fase van de procedure gaat het nog niet om de inhoud. In dit vonnis wordt eerst beslist of stichting FGS ontvankelijk is in haar vorderingen. Partijen twisten met name erover:
- of stichting FGS voldoende representatief is voor de gedupeerden,
- of de schadevergoedingsvorderingen van stichting FGS voldoende gelijksoortig zijn,
- of de collectieve vordering tegen bunq summierlijk ondeugdelijk is.
1.4.
De rechtbank oordeelt dat stichting FGS voldoet aan de vereisten en dus ontvankelijk is in haar collectieve actie.
2De procedure
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 17 december 2025;
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 9 juni 2026, en de daarin genoemde stukken.
2.2.
Vonnis is bepaald op vandaag.
3De feiten
3.1.
Tussen 2015 en 2019 boden Ruby Creek Resources Inc., gevestigd te Los Angeles (Verenigde Staten) (hierna: Ruby Creek) en Transeco Minerals & Mining Ltd., gevestigd te Windsor (Verenigd Koninkrijk) (hierna: Transeco) zogeheten Forward Gold Sale-contracten (hierna: FGS-contract(en)) aan. De kopers werd voorgespiegeld dat zij met korting op termijn (10 maanden) fysiek goud zouden ontvangen, rechtstreeks uit Afrikaanse goudmijnen in Tanzania (Ruby Creek) dan wel Ghana (Transeco).
3.2.
De FGS-contracten werden verkocht door bemiddeling van in Nederland gevestigde
tussenpersonen, onder meer via de websites [internetsite 1] en [internetsite 2] en via telefoon (cold calling); Ruby Creek en Transeco hadden bij de verkoop twee verkoopagenten betrokken: Intercontinental Partners B.V. en Capac Investments B.V, die op hun beurt ook weer meerdere vertegenwoordigers hadden betrokken: Barcello B.V. (Barcello), Gold Investments Europe B.V., Gold Investments International B.V., Goldinvestment.nl B.V. (hierna gezamenlijk: Goldinvestment).
3.3.
Om de FGS-contracten onder de aandacht van potentiële kopers te brengen, maakten Goldinvestment en Barcello ook gebruik van verschillende brochures.
3.4.
Geïnteresseerden ontvingen een gestandaardiseerd FGS-contract van Goldinvestment of Barcello. De gegevens van de geïnteresseerden waren al ingevuld. Het FGS-contract bepaalde dat de beleggers de koopprijs moesten overmaken aan
een Nederlandse escrow-stichting. De betrokken partijen maakten gebruik van vijf
verschillende escrow-stichtingen (hierna: de Escrow-stichtingen). Deze Escrow-stichtingen hielden in totaal zeven bankrekeningen aan bij de banken, drie bij ING en vier bij bunq (hierna: de Bankrekeningen).
3.5.
De gelden van de kopers werden ontvangen op de Bankrekeningen. Volgens de verkoopbrochures zouden de gelden van de kopers worden gebruikt om te investeren in de exploitatie van de goudmijnen (waaronder in machines, personeel, wasstraten, vrachtwagens, en capaciteitsuitbreidingen), zodat daarmee het goud kon worden gewonnen.
3.6.
De eerste kopers kregen fysiek goud uitgeleverd, maar in juli 2018 stokte de
gouduitlevering. Volgens de aanbieders was dit slechts een tijdelijke stop. De mijnbouw was door omstandigheden stilgelegd, maar zou snel worden hervat en daarmee ook de goudleveringen. Dat gebeurde niet.
3.7.
Sinds juli 2018 loopt er een strafrechtelijk onderzoek naar de verkoop van deze
Forward Gold Sales. Gezien de omvang van het onderzoek heeft het OM in 2020 besloten zich te richten op de Forward Gold Sales van Ruby Creek, en niet langer ook op die van Transeco. Uit het onderzoek van het OM blijkt dat bij benadering 700 (rechts)personen, die tussen 2017-2019 FGS-contracten hebben afgesloten met Ruby Creek of Transeco, géén of te weinig goud hebben ontvangen. Onder deze gedupeerden bevinden zich bij benadering 161 personen die hun woon- of verblijfplaats in België hebben. Op 1 juli 2026 heeft de rechtbank Amsterdam in een aantal strafzaken uitspraak gedaan en verdachten veroordeeld voor oplichting en deelname aan criminele organisatie.
4Het geschil
4.1.
Stichting FGS vordert – samengevat – dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
Exclusieve belangenbehartiger
1. stichting FGS aan te wijzen als exclusieve belangenbehartiger;
Nauw omschreven groep
2) te bepalen dat deze collectieve vordering strekt tot bescherming van beleggers die een FGS-contract hebben afgesloten met Ruby Creek en/of Transeco in de periode 2017-2019, de inleg hebben betaald op een bankrekening van een Escrow-stichting, welke werd aangehouden bij ING of bunq, en geen of te weinig goud hebben ontvangen (Gedupeerde Beleggers);
Opt-out voor Nederlandse Gedupeerde Beleggers
3) te bepalen dat iedere Gedupeerde Belegger die in Nederland woont of domicilie heeft, binnen een maand na de aankondiging van de uitspraak, door een schriftelijke mededeling aan de griffie van de rechtbank kan laten weten zich van de behartiging van zijn belangen in deze collectieve actie te willen bevrijden;
Opt-out voor buitenlandse Gedupeerde Beleggers
4) te bepalen dat iedere Gedupeerde Belegger die niet in Nederland woont of domicilie heeft, binnen een maand na de aankondiging van de uitspraak, door een schriftelijke mededeling aan de griffie van de rechtbank kan laten weten zich van de behartiging van zijn belangen in deze collectieve actie te willen bevrijden;
Verklaring voor recht
5) te verklaren voor recht dat ING en bunq gezamenlijk en/of ieder voor zich toerekenbaar onrechtmatig hebben en/of heeft gehandeld jegens de Gedupeerde Beleggers en hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de daardoor geleden en te lijden schade van de Gedupeerde Beleggers;
Veroordeling tot vergoeding van de schade
6) ING en bunq hoofdelijk te veroordelen tot vergoeding van de schade van de Gedupeerde Beleggers, bestaande uit de inleg van het FGS-contract per Gedupeerde Belegger, te vermeerderen met de wettelijke rente;
Schadeafwikkeling
7) te bepalen dat de collectieve schadeafwikkeling (primair) zal worden vormgegeven op een door stichting FGS te bepalen wijze, althans (subsidiair) zoals de rechtbank in goede justitie geraden acht, althans (meer subsidiair) nader op te maken bij staat;
Proceskosten en buitengerechtelijke kosten
8) ING en bunq hoofdelijk te veroordelen tot vergoeding van redelijke en evenredige proceskosten en overige kosten van deze procedure aan stichting FGS, bestaande uit:
A. de volledige proceskosten van stichting FGS, te vermeerderen met de wettelijke rente;
B. de (buitenrechtelijke) kosten van stichting FGS, te vermeerderen met de wettelijke rente;
C. de door stichting FGS aan de financier te betalen overeengekomen vergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente en
D. de volledige kosten voor de schadeafwikkeling.
9) ING en bunq hoofdelijk te veroordelen tot vergoeding van proceskosten van stichting FGS.
4.2.
ING en bunq voeren verweer.
4.3.
ING betwist dat stichting FGS voldoet aan het representativiteitsvereiste, op basis van de volgende stellingen:
stichting FGS is niet transparant over de soort steun, uit haar stellingen is het draagvlak dat zij geniet niet te herleiden en zij laat relevante feiten en omstandigheden ten onrechte onbenoemd;
stichting FGS onderbouwt niet dat zij steun geniet voor wat betreft iedere vordering waarvoor zij pretendeert op te komen, en de steun die zij geniet is onvoldoende om te kunnen spreken van een adequaat draagvlak.
4.4.
ING voert aan dat bovendien voor ieder van de zeven Bankrekeningen een eigen afweging zal moeten worden gemaakt of sprake is van de vereiste daadwerkelijke subjectieve wetenschap, waarbij het antwoord op één vraag geen effect heeft voor het antwoord op de andere vragen. Effectief is daarmee sprake van zeven verschillende collectieve acties ineen. Dit werkt door in de mate van representativiteit die is vereist. Stichting FGS moet steun hebben van ‘Goudkopers’ voor ieder van de zeven acties, dus voldoende steun van ‘Goudkopers’ die naar ieder van de zeven Bankrekeningen geld hebben overgemaakt.
4.5.
ING betwist ook dat de schadevergoedingsvorderingen van stichting FGS voldoen aan het gelijksoortigheidsvereiste, omdat:
de omvang van de gevorderde schade per ‘Goudkoper’ in grote mate uiteenloopt en op individuele basis moet worden vastgesteld.
de vraag of en in hoeverre de gevorderde schade aan ING en niet aan (eigen schuld van) de ‘Goudkoper’ zelf kan worden toegerekend, een beoordeling vergt per ‘Goudkoper’ aan de hand van de (unieke) individuele omstandigheden van díe ‘Goudkoper’.
4.6.
bunq voert aan dat stichting FGS om meerdere redenen niet ontvankelijk is.
4.7.
De eerste reden is omdat:
(i) stichting FGS niet transparant is over de omvang en samenstelling van haar achterban en
daarmee niet voldoet aan haar stelplicht;
(ii) indien al uitgegaan moet worden van 66 unieke deelnemersovereenkomsten (zoals de
stichting lijkt te stellen), dan is stichting FGS in kwantitatief opzicht niet representatief; en,
(iii) een in omvang veel grotere stichting haar eerdere steunbetuiging aan stichting FGS heeft ingetrokken. Stichting FGS heeft het bestaan van deze grote stichting en de intrekking van deze steun verzwegen in de dagvaarding.
4.8.
De tweede reden is dat de belangen van haar achterban onvoldoende gelijksoortig zijn. Stichting FGS veegt allerlei goudbeleggers op een hoop, ongeacht welke aanbieder, ongeacht welke tussenpersoon en ongeacht welke verkoopwijze of welke Escrow-stichting en zelfs ongeacht naar welke Bankrekening bij welke bank de koopsom is overgeboekt.
De beide banken (bunq en ING) zouden ook hoofdelijk aansprakelijk zijn. Iedere grondslag voor hoofdelijke aansprakelijkheid ontbreekt. Stichting FGS gaat eraan voorbij dat veel goudbeleggers hun goud hebben ontvangen en dat de informatie over hun goudbelegging of de inhoud van de gesloten overeenkomst verschilt. De oude stichting FGS trad op als lasthebber ter incasso. De bundeling die de nieuwe stichting voorstaat leent zich niet voor een collectieve actie gelet op de uiteenlopende individuele omstandigheden.
4.9.
De derde reden is dat de vorderingen jegens bunq summierlijk ondeugdelijk zijn. De stellingen van stichting FGS houden (primair) in dat bunq de Bankrekeningen niet had mogen openen. Ook hier wordt alles op één hoop geveegd. De Escrow-stichtingen waren blanco voor bunq (dit waren nieuwe cliënten) en er bestond vanuit het perspectief van bunq geen onderling verband, laat staan zicht op een `criminele organisatie'. Er was ook geen voorgeschiedenis zoals dat kennelijk wel bij ING aan de orde was. Stichting FGS refereert aan een boete van DNB, maar verzuimt te vermelden dat het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) deze boete partieel heeft vernietigd en tot het oordeel is gekomen dat bunq bij het aangaan van de relatie niet het Wwft-voorschrift heeft overtreden om onderzoek te doen naar `de aard en doel van de relatie'. De Bankrekeningen hebben bovendien relatief kort bestaan (ruim een jaar) en de goudbeleggingen kenden een leveringsperiode van 10 maanden. De drie Wwft-meldingen die bunq gedurende het bestaan van de Bankrekeningen heeft gedaan aan FIU Nederland hadden geen betrekking op een van de vier Escrow-stichtingen die een rekening aanhielden bij bunq. Stichting FGS verbloemt dit belangrijke feit, aldus steeds bunq.
4.10.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
5De beoordeling
Inleiding
5.1.
Stichting FGS heeft een collectieve actie ingesteld. Stichting spreekt daarbij van “de Gedupeerde Beleggers” maar ING betwist dat sprake is van beleggingen of beleggers. Daarom zal de rechtbank hierna spreken van “de Gedupeerden”.
5.2.
Stichting FGS omschrijft de gebeurtenis of gebeurtenissen waar haar vordering betrekking op heeft als volgt
het door ING en bunq openen van de Bankrekeningen voor de Escrow-stichtingen, en vervolgens
het nalaten van ING en bunq de betalingen op deze Bankrekeningen te bevriezen,
het nalaten van het nemen van verdere maatregelen te bescherming van de Gedupeerden, waaronder het opnemen in het Intern en Extern Verwijzingsregister van de Escrowstichtingen en gelieerde partijen en personen, het doen van een melding bij de AFM en DNB en aangifte bij het OM.
5.3.
Stichting FGS komt op voor de belangen van de Gedupeerden, die zij omschrijft als de (rechts)personen:
die een FGS-contract hebben afgesloten met Ruby Creek en/of Transeco;
die de inleg hebben betaald op een Bankrekening van een Escrow-stichting, die werd aangehouden bij ING of bunq; en
die geen of te weinig goud hebben ontvangen.
5.4.
Stichting FGS vordert inhoudelijk:
een verklaring voor recht dat ING en bunq (gezamenlijk) toerekenbaar onrechtmatig hebben gehandeld jegens de Gedupeerden en hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de daardoor geleden en te lijden schade van de Gedupeerden (vordering 5),
hoofdelijke veroordeling van ING en bunq tot vergoeding van de schade van de Gedupeerden, bestaande uit de inleg van het FGS-contract per Gedupeerde (vordering 6).
5.5.
Stichting FGS verwijt ING en bunq dat zij een groot aantal red flags hebben genegeerd en dat zij met het openen van de Bankrekeningen voor de Escrow-stichtingen, althans het niet bevriezen van de rekeningen, de ponzifraude hebben gefaciliteerd, waardoor de Gedupeerden schade hebben geleden. Dit verwijt baseert stichting FGS erop dat ING en bunq
- in strijd met een op hen rustende wettelijke plicht uit financieel toezichtrechtelijke wetgeving hebben gehandeld, te weten bepalingen uit de Wet op het financieel toezicht (Wft) en de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft), dan wel
- de bijzondere zorgplicht hebben geschonden.
Gelijksoortigheidsvereiste (artikel 3:305a lid 1 BW)
5.6.
Gezien deze grondslagen van de collectieve actie is de hoofdvraag in deze procedure of ING en bunq onrechtmatig hebben gehandeld doordat zij ten aanzien van de Bankrekeningen bekend waren met zodanige omstandigheden dat de banken moesten ingrijpen maar zij dit hebben nagelaten. Voor beantwoording van die hoofdvraag gaat het dus om de bij de banken bekende omstandigheden ten aanzien van de Bankrekeningen, en niet om de individuele omstandigheden van de Gedupeerden waar stichting FGS voor opkomt. Dit is dus een vraag die voor alle Gedupeerden gelijk is en die zich daarom bij uitstek leent voor beantwoording in een collectieve procedure en die ook op zichzelf al een collectieve actie kan rechtvaardigen. Daarmee zijn de belangen van de Gedupeerden dus voldoende bundelbaar en gelijksoortig. Dit wordt niet anders door het gegeven dat het niet gaat om één bankrekening maar om in totaal zeven bankrekeningen, en om bankrekeningen bij twee verschillende banken. Het feitencomplex waarop stichting FGS zich baseert is steeds grotendeels hetzelfde, namelijk de vooropgestelde gebeurtenis van opening van de Bankrekeningen en het gebruik van deze Bankrekeningen dat bestaat uit de ontvangst van gelden door de Escrow-stichtingen in verband met de FGS-contracten. Stichting FGS stelt daarbij dat dwarsverbanden tussen de verschillende Bankrekeningen zichtbaar zijn. Op zichzelf voeren ING en bunq terecht aan dat de aansprakelijkheidsvraag per bank zal moeten worden beantwoord en dat goed denkbaar is dat de aansprakelijkheidsvraag uiteindelijk zelfs per afzonderlijke Bankrekening zal moeten worden beoordeeld, maar dat hoeft op zichzelf nog niet tot een categorisering van Gedupeerden te leiden, anders dan mogelijk per bank (aansprakelijke partij), en dat doet dus niet af aan de bundelbaarheid van de belangen van Gedupeerden zoals die uit het voorgaande blijkt. Hetzelfde geldt voor de daaraan inherente mogelijkheid dat de beoordeling per Bankrekening anders kan uitvallen: ook dat betekent op zichzelf niet dat de met de collectieve actie gemoeide belangen als geheel niet voldoende gelijksoortig zijn.
5.7.
Het voorgaande geldt ook voor de schadevergoedingsvorderingen. Ook deze vorderingen zien op één en dezelfde overkoepelende gebeurtenis en (grotendeels) hetzelfde feitencomplex. Weliswaar is voor de beoordeling van de schadevorderingen niet uit te sluiten dat individuele omstandigheden van de Gedupeerden uiteindelijk van belang zullen zijn, bijvoorbeeld in het kader van door de banken mogelijk te voeren verweren ten aanzien van eigen schuld, maar stichting FGS stelt terecht dat die beoordeling afhankelijk is van omstandigheden die op dat terrein eerst nog naar voren moeten worden gebracht. Tot op heden – zo begrijpt de rechtbank het standpunt – is dat alleen nog theoretisch gebeurd maar niet concreet. Bij die stand van zaken valt, gelet op de kenmerken van de gebeurtenis, niet in te zien dat die omstandigheden, voor zover relevant, niet kunnen worden gecategoriseerd. In elk geval is een categorisering per bank mogelijk.
5.8.
ING heeft nog aangevoerd dat de vermeende schade van de Gedupeerden bij uitstek individueel bepaald is. Die schade staat gelijk aan de gelden die zij hebben overgemaakt, minus de waarde van het goud dat zij wel hebben ontvangen op het moment van levering, eventueel te vermeerderen met rente vanaf het moment dat de schade van de Gedupeerden is ingetreden. Deze combinatie van factoren maakt dat de vermeende schade van iedere Gedupeerde anders zal zijn, als daarbij ook in aanmerking wordt genomen dat de Gedupeerden tussen de 100 en 24.000 gram goud hebben besteld. Met de overige elementen zijn er daarmee talloze variaties mogelijk, waarvan niet kan worden geabstraheerd, aldus steeds ING. Dit betoog maakt niet dat de vorderingen van de Gedupeerden onvoldoende bundelbaar zijn. Ook dit betoog heeft een theoretisch karakter. Of de vermeende schade van Gedupeerden zeer uiteenlopend is, moet eerst nog daadwerkelijk blijken in de inhoudelijke fase.
5.9.
De slotsom van het voorgaande is dat de belangen van de gedupeerden waarvoor stichting FGS met haar vorderingen opkomt, voldoende gelijksoortig zijn in de ruime betekenis die aan dit begrip wordt toegekend. De rechtbank vindt hiervoor ook steun in de conclusie van AG De Bock in de zaak The Privacy Collectie tegen Oracle en Salesforce:
“7.25 De conclusie uit het voorgaande is dat het er bij de toetsing aan het gelijksoortigheidsvereiste niet om gaat of de positie van alle belanghebbenden in alle opzichten gelijk of vergelijkbaar is, in die zin dat de belanghebbenden zich in dezelfde rechtspositie bevinden, dezelfde belangen hebben en dezelfde schade hebben geleden. Het gaat erom of de feitelijke en rechtsvragen in voldoende mate vergelijkbaar zijn. Die vraag moet worden beantwoord tegen de achtergrond van het doel van de WAMCA, het bevorderen van een effectieve en efficiënte rechtsbescherming voor de afwikkeling van massaschade. Daarmee kan ook relevant zijn of het voeren van individuele rechtszaken een reële en haalbare mogelijkheid is, zo blijkt uit de tekst van art. 1018c lid 5 onder b Rv.
7.26
Uit het feit dat het gelijksoortigheidsvereiste is opgenomen in de ontvankelijkheidsbeoordeling (die voorafgaat aan de inhoudelijke beoordeling, (…)) volgt dat nog geen definitief antwoord hoeft te worden gegeven op de vraag of de belangen van belanghebbenden gelijksoortig zijn. Dat definitieve oordeel zal worden gegeven in de inhoudelijke fase. Zoals gezegd kan in de fase van de schadevaststelling nader worden bekeken of en in hoeverre daadwerkelijk sprake is van gelijksoortigheid en kunnen zo nodig categorieën van belanghebbenden worden vastgesteld. De rechter hoeft in de ontvankelijkheidsfase slechts een inschatting te maken van de gelijksoortigheid van de belangen.
7.27
De rechter kan in de ontvankelijkheidsfase dus volstaan met het maken van een inschatting of het gaat om vorderingen waarvoor de te beantwoorden feitelijke vragen en rechtsvragen in voldoende mate vergelijkbaar zijn. Daartoe blikt de rechter in de ontvankelijkheidsfase vooruit, zoals Pavillon het heeft verwoord, op de juridische en feitelijke vragen die bij de inhoudelijke beoordeling van de vorderingen moeten worden beantwoord. Het inhoudelijk oordeel over de vraag of de vorderingen voor alle belanghebbenden gelijkelijk toewijsbaar zijn, volgt later.”
Representativiteitsvereiste (artikel 3:305a lid 2 aanhef BW)
5.10.
Stichting FGS komt op voor de belangen van de groep van Gedupeerden zoals omschreven door stichting FGS (zie hiervoor). Haar achterban uit deze groep bestaat uit 101 verschillende Gedupeerden. Dat komt neer op ruim 14% van het totaal van zo’n 700 gedupeerden. Deze Gedupeerden hebben gezamenlijk circa € 5,7 betaald zonder dat zij daar goud voor terug hebben gekregen. Dat vormt ongeveer 19% van de totale betalingen. Dergelijke percentages zijn toereikend om stichting FGS als voldoende representatief aan te merken voor de groep als geheel. Het gaat niet om een verwaarloosbaar percentage van het totaal aantal gedupeerden of van hun totale schade, zoals aan de orde in de Airbus-zaak waarnaar de banken hebben verwezen. Het gegeven dat niet alle 101 personen de als zodanig aangeduide steunverklaring voor de collectieve actie hebben ingediend, doet daar niet aan af, omdat alle 101 personen via hun aanmelding hebben verklaard: “Ik ben Gedupeerde” en “Ik steun de bankenclaim van Collectief FGS”. Daaruit volgt afdoende hun steun voor een collectieve procedure. Vanuit het perspectief van een individuele gedupeerde, die vergoeding wenst van zijn of haar eigen schade, is het verschil tussen een procedure op basis van lastgeving en een collectieve actie, niet wezenlijk.
5.11.
ING voert aan dat stichting FGS de groep van Gedupeerden nader moet onderverdelen in groepen voor iedere afzonderlijke Bankrekening waarop zij bedragen hebben gestort, en dat voor elk van deze groepen de representativiteit moet worden beoordeeld. Een dergelijke nadere onderverdeling is echter niet noodzakelijk. ING verwijst hiertoe naar de Coronadatalek-zaak. In de Coronadatalek-zaak werd de representativiteit weliswaar voor verschillende groepen beoordeeld, maar dat gebeurde omdat de eisende partij in die zaak zelf voor verschillende te onderscheiden groepen opkwam. Dat is hier niet het geval. Ook hier kan worden herhaald dat stichting FGS in deze procedure een overkoepelende gebeurtenis aan de orde stelt, namelijk het in het kader van gesloten FGS-contacten storten door de Gedupeerden van gelden op de Bankrekeningen van de Escrow-stichtingen, en zij komt op voor de belangen van die groep. Vanwege dat overkoepelende karakter kan niet worden gezegd dat stichting FGS op gekunstelde wijze een groep creëert die in feite geen gemeenschappelijke kenmerken vertoont.
5.12.
De conclusie is dan ook dat stichting FGS voldoende representatief is, gezien haar achterban en de omvang van de vorderingen die zij vertegenwoordigt, een en ander zoals bedoeld in artikel 3:305a lid 2 aanhef BW.
Voldoende middelen en zeggenschap (artikel 3:305a lid 2 onder c BW)
5.13.
Artikel 3:305a lid 2 onder c BW schrijft voor dat de belangenorganisatie beschikt over voldoende middelen om de kosten voor het instellen van een rechtsvordering te dragen, waarbij de zeggenschap over de rechtsvordering in voldoende mate bij de belangen-organisatie ligt.
5.14.
Deze bepaling bevat twee voorschriften: (i) de belangenorganisatie moet beschikken over voldoende middelen om de kosten voor het instellen van een rechtsvordering te dragen en (ii) de zeggenschap moet in voldoende mate bij de belangenorganisatie liggen. Het eerste voorschrift is te verstaan als beschikken over voldoende middelen om de redelijkerwijs voorzienbare kosten van het voeren van de procedure te dragen.
5.15.
ING en bunq hebben aanvankelijk ook bezwaren geuit met betrekking tot deze vereisten, waarbij zij hebben gewezen op deze passage in de financieringsovereenkomst:
"The Funder acknowledges and agrees that the Class Representative shall maintain sole conduct of the litigation, including any settlement discussions, subject only to the Class Representative's obligations to follow the advice of the Lawyer."
Nadat stichting FGS had toegelicht dat zij met haar procesfinancier is overeengekomen dat deze passage in de financieringsovereenkomst komt te vervallen, hebben ING en bunq hun bezwaren niet meer gehandhaafd.
5.16.
Aangezien de vergoeding voor de procesfinancier binnen de toegestane bandbreedte blijft, doorstaat stichting FGS ook voor het overige de hier aan te leggen toets van artikel 3:305a lid 2 onder c BW.
Summierlijke ondeugdelijkheid (artikel 1018c lid 5 onder c Rv)
5.17.
bunq heeft aangevoerd dat de vorderingen van stichting FGS tegen bunq summierlijk ondeugdelijk zijn.
5.18.
Stichting FGS heeft ten aanzien van bunq het volgende aangevoerd:
“DNB heeft in november 2018 een onderzoek uitgevoerd naar de wijze waarop bunq invulling gaf aan de Wwft, in het bijzonder naar de kwaliteit van haar systematische integriteitsrisicoanalyse. DNB stelde vast dat bunq niet aan alle vereisten van de Wwft voldeed. Uit de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 18 oktober 2022 volgt dat bunq niet voldeed aan de verplichting onderzoek te doen naar de bron van de middelen van een cliënt en de verplichting om de uiteindelijk belanghebbende te identificeren en verifiëren. Eveneens heeft bunq de regels rond verscherpt onderzoek bij politiek prominente personen overtreden.
bunq meldde op 28 september 2017 (of kort daarna) verdachte transacties bij de FIU-Nederland (…). Volgens bunq waren de transacties verdacht vanwege goudhandel, onduidelijke zakelijke voorstellen, veel internationale betalingen, een ingewikkelde bedrijfsstructuur met vele bankrekeningen, ondoorzichtige geldstromen en het veelvuldige gebruik van co-working spaces. Bij de melding was een Forward Gold Sale-contract van 22 november 2017 tussen Ruby Creek en Compliance bunq gevoegd.
Op 14 oktober 2017 (of kort daarna) meldde bunq nog een ongebruikelijke transactie bij de FIU-Nederland, onder meer vanwege de connecties met Hooft en Pharmalead B.V.
Op 31 oktober 2017 (of kort daarna) maakte bunq melding bij de FIU-Nederland van een ongebruikelijke transactie door Lawep B.V. (…). bunq constateerde dat veel inkomende betalingen afkomstig waren van Intercontinental Partners en de uitgaande betalingen betrekking hadden op (de aankoop van) diamanten, hetgeen bunq op zichzelf reeds verdacht vond. Daar kwam nog bij dat de klant toegang had tot de gedeelde rekeningen van Hooft.”
5.19.
In het kader van de beoordeling of sprake is van summierlijke ondeugdelijkheid van de vorderingen hoeft slechts te worden beoordeeld of sprake is van de uitzonderlijke situatie dat overduidelijk sprake is van ondeugdelijke vorderingen. Weliswaar kan op basis van de gegeven onderbouwing door stichting FGS worden betwijfeld of de vorderingen tegen bunq een kans van slagen hebben, maar tegelijkertijd kan ook weer niet op voorhand worden gezegd dat overduidelijk sprake is van ondeugdelijke vorderingen. Deze beoordeling hoort thuis in de inhoudelijke fase. De rechtbank vindt hiervoor opnieuw steun in de conclusie van AG De Bock in de zaak The Privacy Collectie tegen Oracle en Salesforce.
Overige vereisten
5.20.
Voorts heeft stichting FGS voldoende toegelicht dat aan de overige ontvankelijkheidsvereisten is voldaan (en hebben ING en/of bunq dit niet dan wel onvoldoende betwist), te weten (de al besproken vereisten zijn cursief weergegeven):
artikel 1018c lid 5 onder a Rv/artikel 3:305a lid 1 t/m 3 BW
A. Gelijksoortigheidsvereiste (artikel 3:305a lid 1 BW)
B. Statutenvereiste (artikel 3:305a lid 1 BW)
C. Waarborgvereiste (artikel 3:305a leden 1 en 2 BW)
(i) Representativiteitsvereiste (artikel 3:305a lid 2 aanhef BW)
(ii) Overige vereisten (artikel 3:305a lid 2 BW)
Toezichthoudend orgaan (lid 2 onder a)
Deelname aan of vertegenwoordiging bij de besluitvorming (lid 2 onder b)
Voldoende middelen en zeggenschap (lid 2 onder c)
Internetpagina (lid 2 onder d)
Voldoende ervaring en deskundigheid (lid 2 onder e)
E. Vereisten artikel 3:305a lid 3 BW
(i) geen winstoogmerk (lid 3 onder a),
(ii) voldoende nauwe band met de Nederlandse rechtssfeer (lid 3 onder b),
(iii) voldoende minnelijk overleg (lid 3 onder c)
de overige in artikel 1018c lid 5 Rv genoemde onderwerpen
A. Meerwaardevereiste (artikel 1018c lid 5 onder b Rv)
B. Summierlijke ondeugdelijkheid (artikel 1018c lid 5 onder c Rv)
Afsluiting ontvankelijkheidsvereisten
5.21.
De conclusie is dat stichting FGS voldoet aan al deze ontvankelijkheidsvereisten en dat zij dus ontvankelijk is in haar collectieve vordering.
Exclusieve belangenbehartiger
5.22.
De rechtbank zal stichting FGS aanwijzen als exclusieve belangenbehartiger als bedoeld in artikel 1018e Rv. Op grond van het bepaalde in artikel 1018e lid 5 Rv moet de
stichting dit vonnis, inhoudende deze beslissing – in geanonimiseerde vorm – laten aantekenen in het centrale register voor collectieve vorderingen. Daarnaast zal het vonnis worden gepubliceerd op rechtspraak.nl.
Nauw omschreven groep
5.23.
Zoals al eerder vermeld, betwist ING dat sprake is van beleggingen en van beleggers. Daarom zal in de omschrijving van de nauw omschreven groep het begrip “beleggers” worden vervangen door (rechts)personen, “inleg” door “gelden” en het begrip “de Gedupeerde Beleggers” door “de Gedupeerden”.
5.24.
Het voorgaande leidt tot de volgende omschrijving van de nauw omschreven groep:
“(rechts)personen die een Forward Gold Sale-contract hebben afgesloten met Ruby Creek en/of Transeco in de periode 2017-2019, gelden hebben betaald op een bankrekening van een Escrow-stichting, welke werd aangehouden bij ING of bunq, en geen of te weinig goud hebben ontvangen (de Gedupeerden).”
Opt-out en opt-in
5.25.
Artikel 1018f Rv verbindt aan de aanwijzing van stichting FGS als exclusieve belangenbehartiger een aantal voorschriften, die ertoe strekken dat de personen voor wier belangen zij opkomt van die aanwijzing in kennis worden gesteld en zich kunnen beraden op hun positie (‘opt-out’, lid 1, dan wel ‘opt-in’, lid 5).
5.26.
De rechtbank zal een termijn stellen voor opt-out voor Gedupeerden die in Nederland wonen of domicilie hebben. Zij kunnen binnen die termijn gebruik maken van de opt-out mogelijkheid.
5.27.
Uitgangspunt van de wet is dat voor buitenlandse Gedupeerden, dus Gedupeerden die niet in Nederland wonen of domicilie hebben, een opt-in-regime geldt. Achterliggende gedachte daarbij is dat, als onvoldoende duidelijk is, zelfs bij benadering, wat de omvang of aard van de gedupeerden in het buitenland is, dit aan goede onderhandelingen in de weg staat, en dat zou weer de in de wet voorgestane efficiënte en effectieve afwikkeling van de massazaak belemmeren. In dit geval is de omvang van de groep van Gedupeerden in het buitenland echter wel duidelijk, nu die volgens stichting FGS een omvang heeft van bij benadering 161 personen die hun vaste woon- of verblijfplaats in België hebben. In de omstandigheid dat de groep Gedupeerden in het buitenland in dit geval dus wel in beeld is, ziet de rechtbank aanleiding ook voor deze groep Gedupeerden het al genoemde opt-out-regime toe te passen.
5.28.
De rechtbank is voornemens ter uitvoering van het onder 5.25 bedoelde voorschrift te bevelen dat in een aantal landelijke dagbladen de volgende advertentie wordt geplaatst:
“
Collectieve actie van Stichting Forward Gold Sale tegen ING en bunq inzake hun zorgplicht ten aanzien van bankrekeningen waarop gelden zijn gestort in het kader van Forward Gold Sale-contracten.
Stichting Forward Gold Sale (hierna: stichting FGS) voert bij de rechtbank Amsterdam een procedure tegen ING en bunq over hun beweerdelijke inbreukmakende activiteiten. De dagvaarding is op 7 juli 2025 aangetekend in het register voor collectieve vorderingen (https://www.rechtspraak.nl/registers/centraal-register-voor-collectieve-vorderingen).
Wilt u niet dat ook uw belangen in deze procedure worden behartigd, stuur dan een bericht aan de rechtbank Amsterdam, team Handel, Postbus 84500, 1080 BN Amsterdam. Vermeld daarin dat uw verzoek betrekking heeft op zaaknummer: C/13/772051 / HA ZA 25-1256. U kunt dit doen tot en met [datum volgt].”
5.29.
De rechtbank is verder voornemens in het centraal register voor collectieve vorderingen de volgende tekst te doen plaatsen:
“
Collectieve actie van de Stichting Forward Gold Sale tegen ING en bunq inzake hun zorgplicht ten aanzien van bankrekeningen waarop gelden zijn gestort in het kader van Forward Gold Sale-contracten.
Stichting Forward Gold Sale (hierna: stichting FGS) voert bij de rechtbank Amsterdam een procedure tegen ING en bunq over hun beweerdelijke inbreukmakende activiteiten. De stichting FGS is door de rechtbank aangewezen als exclusieve belangenbehartiger.
Niet meedoen
Als u behoort tot de groep van (rechts)personen voor wie stichting FGS opkomt en u vindt het goed dat stichting FGS ook uw belangen behartigt, dan hoeft u niets te doen.
Als u niet wilt dat ook uw belangen in deze procedure worden behartigd (bijvoorbeeld omdat u hiervoor zelf een procedure wilt voeren), dan kunt u dat aan de rechtbank kenbaar maken. [U bent dan niet aan de uitspraak in deze zaak gebonden, maar u kunt er ook geen rechten aan ontlenen.]
Wilt u niet dat ook uw belangen in deze procedure worden behartigd, stuur dan een brief aan rechtbank Amsterdam, team Handel, Postbus 84500, 1080 BN Amsterdam. U kunt dit doen tot en met [datum volgt].
U kunt de volgende tekst gebruiken:
“Ik wil niet dat in de collectieve actie van Stichting FGS rechtbank Amsterdam, zaaknummer: C/13/772051 / HA ZA 25-1256, mijn belangen worden behartigd en wens mij daarvan te bevrijden.”
5.30.
Partijen zullen bij akte in de gelegenheid worden gesteld zich over deze tekstvoorstellen en de wijze van publicatie daarvan uit te laten.
5.31.
Partijen zullen ook in de gelegenheid worden gesteld om zich bij dezelfde akte uit te laten over nut en noodzaak van het stellen van een termijn als bedoeld in artikel 1018g Rv. Stichting FGS kan daarnaast in haar akte laten weten of zij behoefte heeft aan het aanvullen van de gronden van de vordering als bedoeld in die bepaling.
5.32.
Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.
6De beslissing
De rechtbank
6.1.
wijst stichting FGS aan als exclusieve belangenbehartiger zoals bedoeld in artikel 1018e Rv,
6.2.
draagt stichting FGS op van dit vonnis aantekening te maken in het centraal register voor collectieve vorderingen,
6.3.
verwijst de zaak naar de rol van 2 september 2026 voor akte aan de zijde van alle partijen als bedoeld in rechtsoverwegingen 5.30 en 5.31,
6.4.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. Dudok van Heel, rechter, en in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken op 15 juli 2026.
Bijlage I: het integrale petitum
6.5.
SCFGS vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
Exclusieve belangenbehartiger
1. De stichting aan te wijzen als exclusieve belangenbehartiger zoals bedoeld in artikel 1018e Rv;
Nauw omschreven groep
2) Te bepalen dat deze collectieve vordering strekt tot bescherming van beleggers die een FGS-contract hebben afgesloten met Ruby Creek en/of Transeco in de periode 2017-2019, de inleg hebben betaald op een bankrekening van een Escrow-stichting, welke werd aangehouden bij ING Bank of bunq, en geen of te weinig goud hebben ontvangen (de Gedupeerde Beleggers);
Opt-out voor Nederlandse Gedupeerde Beleggers
3) Te bepalen dat, in overeenstemming met artikel 1018f lid 1 Rv, iedere Gedupeerde Belegger die in Nederland woont of domicilie heeft, binnen een maand na de aankondiging ex artikel 1018f lid 3 Rv van de uitspraak tot aanwijzing van de exclusieve belangenbehartiger, door een schriftelijke mededeling aan de griffie van de rechtbank kan laten weten zich van de behartiging van zijn belangen in deze collectieve actie te willen bevrijden;
Opt-out voor buitenlandse Gedupeerde Beleggers
4) Te bepalen dat, in overeenstemming met artikel 1018f lid 5 Rv laatste zin jo artikel 1018f lid 1 Rv, iedere Gedupeerde Belegger die niet in Nederland woont of domicilie heeft, binnen een maand na de aankondiging ex artikel 1018f lid 3 Rv van de uitspraak tot aanwijzing van de exclusieve belangenbehartiger, door een schriftelijke mededeling aan de griffie van de rechtbank kan laten weten zich van de behartiging van zijn belangen in deze collectieve actie te willen bevrijden;
Verklaring voor recht
5) Op de gronden uiteengezet in deze dagvaarding te verklaren voor recht dat ING en bunq gezamenlijk en/of ieder voor zich toerekenbaar onrechtmatig hebben en/of heeft gehandeld jegens de Gedupeerde Beleggers wier belangen de stichting behartigt en hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de daardoor geleden en te lijden schade van de Gedupeerde Beleggers;
Veroordeling tot vergoeding van de schade
6) ING en bunq hoofdelijk te veroordelen tot vergoeding van de schade van de Gedupeerde Beleggers, bestaande uit de inleg van het FGS-contract per Gedupeerde Belegger, te vermeerderen met de wettelijke vanaf de datum van inleg van het FGS-contract tot aan de dag der algehele voldoening, dan wel een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, dan wel nader op te maken bij staat;
Schadeafwikkeling
7) Te bepalen dat de collectieve schadeafwikkeling (primair) zal worden vormgegeven op een door de stichting te bepalen wijze, althans (subsidiair) zoals de rechtbank op basis van een door de stichting en ING en bunq op grond van artikel 1018i Rv over te leggen voorstellen voor de collectieve schadeafwikkeling in goede justitie geraden acht, althans (meer subsidiair) nader op te maken bij staat;
Proceskosten en buitengerechtelijke kosten
8) ING en bunq hoofdelijk te veroordelen tot vergoeding van redelijke en evenredige proceskosten en overige kosten van deze procedure aan de stichting, bestaande uit:
A. de volledige proceskosten van de stichting op grond van artikel 10181 lid 2 Rv, althans de daadwerkelijk gemaakte proceskosten op grond van artikel 237 Rv, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf primair (i) deze onderscheidenlijke proceskosten zijn gemaakt, subsidiair
(ii) de datum van de brief van 18 respectievelijk 24 april 2023, meer subsidiair (iii) de datum van betekening van deze dagvaarding en meest subsidiair (iv) de datum van vonnis wijzen, tot aan de dag der algehele voldoening;
B. de (buitenrechtelijke) kosten van de stichting op grond van artikel 6:96 BW, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf primair (i) dat deze onderscheidenlijke kosten zijn gemaakt, subsidiair (ii) de datum van de brief van 18 respectievelijk 24 april 2023, meer subsidiair (ii) de datum van betekening van deze dagvaarding, meest subsidiair (iii) de datum van vonnis wijzen, tot aan de dag der algehele voldoening;
C. de door de stichting aan de Financier te betalen overeengekomen vergoeding op grond van artikel 6:96 BW en artikel 10181 lid 2 Rv, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van vonnis wijzen tot aan de dag der algehele voldoening en
D. de volledige kosten voor de schadeafwikkeling, een en ander zoals nader te begroten.
9) ING en bunq hoofdelijk te veroordelen tot vergoeding van de door de stichting gemaakte kosten van dit geding, te vermeerderen met de nakosten ten belope van € 178 zonder betekening, dan wel € 270 in geval van betekening, een en ander te voldoen binnen veertien dagen na betekening van het vonnis, en – voor het geval voldoening van de (na)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening tot aan de dag der algehele voldoening.
Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RBAMS:2026:6647
ECLI:NL:PHR:2026:129
ECLI:NL:RBDHA:2023:14036
ECLI:NL:RBAMS:2024:4264