Menu

Filter op
content
PONT | Governance

0

ECLI:NL:RBAMS:2026:6311

Rechtbank Amsterdam 18 september 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBAMS:2026:6311 text/xml public 2026-09-18T14:59:25 2026-06-22 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-06-23 C/13/787951 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Kort geding Proceskostenveroordeling Op tegenspraak NL Amsterdam Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6311 text/html public 2026-09-18T14:58:43 2026-09-18 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:6311 Rechtbank Amsterdam , 23-06-2026 / C/13/787951
beëindiging hypothecaire lening; redelijke uitleg vonnis
RECHTBANK Amsterdam
Civiel recht, voorzieningenrechter

Zaaknummer: C/13/787951 / KG ZA 26-405 LV/EB

Vonnis in kort geding van 23 juni 2026

in de zaak van

[eiser] ,

te [woonplaats] ,

eisende partij bij dagvaarding van 28 mei 2026,

hierna te noemen: [eiser] ,

advocaat: mr. E.M. Prins,

tegen

ING BANK N.V.,

te Amsterdam,

gedaagde partij,

hierna te noemen: ING,

advocaat: mr. D.A. Apperloo.
<nr>1</nr>De procedure
Op de zitting van 9 juni 2026 heeft [eiser] de vorderingen zoals omschreven in de dagvaarding toegelicht. ING heeft verweer gevoerd, mede aan de hand van een conclusie van antwoord. Beide partijen hebben producties en gebruik gemaakt van spreekaantekeningen, die aan het procesdossier zijn toegevoegd.

Ter zitting waren, voor zover van belang, aanwezig:

aan de kant van [eiser] : [eiser] , zijn echtgenote en kinderen, [naam 1] (adviseur), mr. [naam 2] (juridisch adviseur), mr. Prins en mr. M.A.R. Schuckink-Kool;

aan de kant van ING: mr. [naam 3] (bedrijfsjurist) en mr. Apperloo.

Vonnis is bepaald op vandaag.
<nr>2</nr>De feiten 2.1.
[eiser] heeft een aannemingsbedrijf dat zich bezighoudt met het leggen van elektriciteits- en telecommunicatiekabels en de bij behorende grondverzetwerkzaamheden, genaamd [bedrijf] B.V. (hierna: [bedrijf] ). Daarnaast heeft hij een eenmanszaak, genaamd [eenmanszaak] . [eiser] bankierde privé en zakelijk bij ING.
2.2.
In de periode van augustus 2024 tot november 2024 heeft ING een Know-Your-Customer (KYC-) onderzoek naar [bedrijf] uitgevoerd.
2.3.
Op 19 november 2024 heeft ING [eiser] een hypotheekofferte ten bedrage van € 680.000,- verstrekt met betrekking tot een woning in [plaats] die [eiser] op 17 oktober 2024 had gekocht (onder voorbehoud van financiering). [eiser] heeft die offerte geaccepteerd.
2.4.
Bij brieven van 21 november 2024 heeft ING beëindiging van de bankrelatie met [bedrijf] en [eiser] (en dus ook met [eenmanszaak] ) aangezegd tegen 21 februari 2025, met een beroep op artikel 5 lid 3 van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) respectievelijk artikel 35 van de Algemene Bankvoorwaarden. Als reden voor het beëindigen van de zakelijke relatie heeft ING gegeven – kort gezegd – dat zij ook na het onderzoek nog geen helder beeld heeft van het gebruik van de zakelijke rekeningen, waardoor zij zich niet kan houden aan de voor haar geldende regelgeving. Als reden voor het beëindigen van de relatie met [eiser] is gegeven dat de benodigde vertrouwensbasis voor het behouden van de klantrelatie ontbreekt.
2.5.
[eiser] is vervolgens een kort geding gestart, waarin hij vorderde ING te veroordelen de relaties met hem en zijn ondernemingen voort te zetten. Op die zitting heeft ING nader toegelicht dat zij vermoedde dat [bedrijf] betrokken is bij een “cash compensatie model” (CCM), een constructie om geld wit te wassen.
2.6.
Bij vonnis van 21 januari 2025 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank overwogen dat ING terecht een onaanvaardbaar risico op betrokkenheid bij witwassen heeft gesignaleerd en vragen heeft gesteld aan [eiser] en zijn ondernemingen om die risico’s te mitigeren, op welke vragen maar zeer summier antwoord is gekomen. Voorshands heeft de voorzieningenrechter aannemelijk geacht dat ING niet kan voldoen aan haar verplichtingen op grond van artikel 3 lid 2 Wwft, zodat zij op grond van artikel 5 Wwft de bankrelatie met [bedrijf] dient te beëindigen. Dit geldt ook voor de bankrelatie met de eenmanszaak van [eiser] en met [eiser] in privé, omdat de privébankrekening van [eiser] en die van zijn eenmanszaak ook betrokken zijn bij transacties ten aanzien waarvan ING terecht onaanvaardbare risico’s heeft vastgesteld, aldus de voorzieningenrechter in het vonnis. Desondanks heeft de voorzieningenrechter ING veroordeeld om – uitsluitend – uitvoering te geven aan de hypothecaire relatie met [eiser] , conform de uitgebrachte offerte van 19 november 2024 en de daarbij behorende algemene voorwaarden. Die beslissing is als volgt gemotiveerd:

“Een belangenafweging pakt in dit geval uit in het voordeel van [eiser] . Vooralsnog is niet uitgesloten dat een bodemrechter zou kunnen oordelen dat tussen [eiser] en ING een hypotheekovereenkomst is tot stand gekomen (ING stelde dat zij het hypotheekaanbod met de beëindiging van de relatie al had ingetrokken voordat het was geaccepteerd, vzr.). [eiser] heeft belang bij een voorziening waarbij partijen voorlopig uitvoering geven aan de (beoogde) verplichtingen over en weer, conform de op 19 november 2024 verstrekte offerte. Een ander oordeel zou ertoe leiden dat [eiser] de koopprijs van de woning niet kan betalen op de afgesproken leveringsdatum van 10 januari 2024, als gevolg waarvan hij een aanzienlijke boete zal verbeuren. Het belang van ING om geen uitvoering te geven aan de geoffreerde hypotheek weegt daar niet tegen op. Indien een bodemrechter oordeelt dat geen hypotheekovereenkomst tot stand is gekomen, wordt ING als hypotheeknemer geacht voldoende zekerheid te hebben om zonder schade de reeds uitgevoerde prestaties ongedaan te kunnen maken, aangezien de verhypothekeerde woning een aanzienlijke overwaarde heeft.”
2.7.
[eiser] bankiert inmiddels bij KNAB. De termijnen van de hypotheek worden aan ING betaald vanaf de rekening van [eiser] bij KNAB.
2.8.
Bij brief van 15 augustus 2025 aan [eiser] heeft ING aangekondigd dat zij de (hypothecaire) relatie met hem zal beëindigen per 15 november 2025. In deze brief staat onder meer het volgende:

“Aanvankelijk gaf u blijk van bereidheid om zich in te spannen voor het onderbrengen van uw hypotheek bij een andere financiële instelling. In dat kader heeft er meerdere malen contact plaatsgevonden tussen uw advocaat - mr. Köse - en de advocaat van ING - mr. Apperloo. Tijdens dit contact heeft ING u, op uw verzoek, meermaals uitstel verleent om alternatieve financiering te regelen. Helaas kan ING zich niet aan de indruk onttrekken dat u zich, ondanks uw eerdere getoonde bereidheid, nauwelijks heeft ingespannen om daadwerkelijk tot herfinanciering over te gaan. Zo heeft u in deze periode slechts één afwijzing tot herfinanciering bij een andere financiële instelling kunnen aanleveren.

Ondanks meerdere verzoeken tot uitstel voor deze herfinanciering, heeft ING geen verdere

documentatie ontvangen waaruit blijkt dat u daadwerkelijk inspanning heeft geleverd voor

herfinanciering bij meerdere financiële instellingen. Daarnaast betreuren wij het dat u ING niet zelf

proactief heeft geïnformeerd over de voortgang van de herfinanciering of contact met ons hebt opgenomen om over de herfinanciering te overleggen.

(…)

Los van het vonnis, stelt ING zich op het standpunt dat zij ook op grond van de (…) Wft (…) en de (…) Wwft (…) bevoegd en gehouden is om ook de hypothecaire relatie met u te beëindigen. Uw particuliere ING-Betaalrekening wordt bijna volledig gevoed door bijschrijvingen van een KNAB-Betaalrekening op naam van [bedrijf] (…). De risico’s die wij hebben geconstateerd bij uw

ondernemingen staan zodoende nog steeds in direct verband met de gelden waarmee u maandelijks

uw hypotheekverplichtingen, bestaande uit aflos- en rentebetaling, voldoet bij ING. (…)”
2.9.
Op 25 november 2025 heeft ING de hypothecaire lening opgeëist. Op 30 maart 2026 heeft zij [eiser] geïnformeerd dat zij de notaris die dag opdracht had gegeven om de executoriale verkoop van de woning op te starten.
2.10.
Op 6 mei 2026 heeft [eiser] van zijn hypotheekadviseur het volgende bericht ontvangen:

“U heeft ons verzocht om uw hypotheek welke bij ING Bank loopt over te sluiten naar een andere geldverstrekker, wij zijn u graag behulpzaam hierbij, echter stuiten wij tegen het probleem dat wij bij een aanvraag moeten melden dat er sprake is van een FEC registratie, hierdoor is het onmogelijk geworden om de hypotheek bij een andere geldverstrekker onder te brengen. (…)”
<nr>3</nr>Het geschil 3.1.
[eiser] vordert na wijziging van zijn eis, kort gezegd:

in “het incident”

- ING te veroordelen tot afgifte van, of inzage in de stukken waarop zij baseert dat de huidige hypotheekbetalingen nog steeds uit verdachte of niet-verifieerbare bron afkomstig zijn en van de stukken waaruit blijkt of, wanneer en op welke grond een FEC-(ver)melding of -signaal over [eiser] tot stand is gekomen;

in “de hoofdzaak”

ING te verbieden uitvoering te geven aan de opzegging van de geldlening zolang [eiser] voldoet aan zijn betalingsverplichtingen uit die overeenkomst;

ING te verbieden de woning executoriaal te verkopen, zolang niet in een bodemprocedure is beslist over de rechtmatigheid van de beëindiging door ING van de hypothecaire relatie, althans voor een periode van 12 maanden of een andere redelijke periode om [eiser] in staat te stellen de woning onderhands te verkopen;

alles op straffe van verbeurte van dwangsommen en met veroordeling van ING in de proceskosten.
3.2.
ING voert verweer.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna ingegaan, voor zover van belang.
<nr>4</nr>De beoordeling 4.1.
Als eerst zal de vordering “in de hoofdzaak” worden behandeld. Die is in kort geding toewijsbaar als voorshands aannemelijk is dat de bodemrechter het standpunt van [eiser] zal volgen en van [eiser] niet kan worden gevergd dat hij de uitkomst van de bodemprocedure afwacht.
4.2.
Opmerking vooraf verdient dat ING niet langer betwist dat tussen partijen een hypothecaire geldleningsovereenkomst van kracht is.
4.3.
Het standpunt van [eiser] kom erop neer dat ING op grond van de beslissing van de voorzieningenrechter van 21 januari 2025 verplicht is te blijven voldoen aan haar verplichtingen onder de hypothecaire lening zolang hij voldoet aan zijn financiële verplichtingen jegens ING. Dat is echter niet het geval. Uit de motivering van die beslissing blijkt dat het gaat om een voorlopige maatregel (“een voorziening waarbij partijen voorlopig uitvoering geven aan …”), die erop gericht was te voorkomen dat [eiser] de boete zou verbeuren als hij de koopsom niet op tijd zou betalen (“Een ander oordeel zou ertoe leiden dat [eiser] de koopprijs van de woning niet kan betalen op de afgesproken leveringsdatum van 10 januari 2024, als gevolg waarvan hij een aanzienlijke boete zal verbeuren.”).
4.4.
Over de vraag hoe lang ING uitvoering moet blijven geven aan de overeenkomst, heeft de voorzieningenrechter zich niet uitgelaten. Een redelijke uitleg van het vonnis brengt mee dat [eiser] , nadat de dreiging van de boete zou zijn verdwenen (dus na de eigendomsoverdracht aan [eiser] ) zou moeten meewerken aan een vertrek bij ING. Dat volgt uit het oordeel, in het vonnis van 21 januari 2025, dat ING de relaties met [bedrijf] , [eiser] en zijn eenmanszaak moet beëindigen op grond van artikel 5 Wwft. Er is dan ook geen grond om ING te verbieden gevolg te geven aan de opzegging van de leningsovereenkomst zolang [eiser] voldoet aan zijn hypothecaire verplichtingen. Evenmin is er grond om ING te verbieden de woning executoriaal te verkopen zolang niet in een bodemprocedure is beslist over de rechtmatigheid van de beëindiging door ING van de hypothecaire relatie.
4.5.
De woning is in eigendom aan [eiser] overgedragen op 10 januari 2024, meer dan twee jaar geleden. Vanaf dat moment was het gevaar van de boete geweken en mocht van [eiser] worden verwacht dat hij zou meewerken aan een vertrek bij ING. Uit de overgelegde correspondentie blijkt dat [eiser] zich daar ook van bewust is geweest. Hij heeft getracht de hypotheek over te sluiten bij een andere financier. Dat is niet gelukt, hoewel ING herhaaldelijk uitstel aan [eiser] heeft verleend, op zijn verzoek, waarmee zij heeft voldaan aan haar zorgplicht jegens hem op dit punt.
4.6.
Dat het niet is gelukt de lening te herfinancieren, kan ING niet worden tegengeworpen. [eiser] stelt wel dat de FEC registratie – wat daar ook precies mee wordt bedoeld – van ING afkomstig is, maar ING betwist dat. Zij heeft stukken overgelegd waaruit blijkt dat [eiser] niet in een extern verwijzingsregister is opgenomen. Hoe dit precies zit, kan in dit kort geding niet worden vastgesteld, omdat deze procedure geen ruimte biedt voor feitenonderzoek. In ieder geval is voorshands niet aannemelijk dat ING er de oorzaak van is dat het [eiser] niet lukt om de lening te herfinancieren. Hierin kan geen grond worden gevonden om de termijn om tot herfinanciering te komen, te verlengen.
4.7.
De route naar herfinanciering is dus afgesloten. Begrijpelijk is dat de inspanningen van [eiser] tot dusver daarop gericht zijn geweest, maar dat is geen haalbare kaart meer. Dat is hem niet eerder zo duidelijk te verstaan gegeven. Een belangenafweging brengt mee dat [eiser] nog wel de kans moet krijgen om de woning onderhands te verkopen. Bij executoriale verkoop van de woning valt immers een fors lagere verkoopopbrengst te verwachten dan bij onderhandse verkoop. Een termijn van zes maanden voor het onderhandse verkooptraject wordt redelijk geacht. “In de hoofdzaak” zal het ING daarom gedurende zes maanden na vonnisdatum worden verboden om de woning executoriaal te verkopen, onder de voorwaarde dat [eiser] blijft voldoen aan zijn financiële verplichtingen jegens ING. Mocht [eiser] er binnen zes maanden niet in slagen de woning te verkopen, mag ING het executietraject weer oppakken.
4.8.
Een dwangsom is niet nodig, gelet op de toezegging van ING dat zij een toewijzend vonnis zal naleven.
4.9.
De “incidentele” vordering zal worden afgewezen. ING heeft de onderbouwing van haar stelling, dat de hypotheekbetalingen nog steeds uit verdachte of niet-verifieerbare bron afkomstig zijn, in dit kort geding al gegeven. Het komt erop neer dat de verdenkingen van ING niet alleen gericht waren/zijn tegen de onderaannemers van [bedrijf] , van wie [bedrijf] stelt afscheid te hebben genomen, maar ook tegen [bedrijf] zelf, die het Cash Compensatie Model ook kan toepassen met andere onderaannemers. ING ziet in de door [eiser] overgelegde bankafschriften aanwijzingen dat dit laatste ook gebeurt. Niet in geschil is dat [eiser] zijn inkomen uit die onderneming haalt. Dat ING beschikt over informatie over de totstandkoming van de FEC registratie wordt door haar betwist en is voorshands niet aannemelijk.
4.10.
[eiser] wordt aangemerkt als de overwegend in het ongelijk gestelde partij en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van ING worden begroot op:

- griffierecht



735,00

- salaris advocaat



1.177,00

- nakosten



189,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal



2.101,00
<nr>5</nr>De beslissing
De voorzieningenrechter
5.1.
gebiedt ING om gedurende zes maanden na vonnisdatum uitvoering te blijven geven aan de hypothecaire geldlening, onder de voorwaarde dat [eiser] blijft voldoen aan zijn financiële verplichtingen onder die lening,
5.2.
verbiedt ING om gedurende die periode over te gaan tot executoriale verkoop van de woning,
5.3.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 2.101,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. L. Voetelink, bijgestaan door mr. E. van Bennekom, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2026.

Coll:

Artikel delen