ECLI:NL:RBAMS:2026:5366
Rechtbank Amsterdam 3 juni 2026
Jurisprudentie – Uitspraken
ECLI:NL:RBAMS:2026:5366
text/xml
public
2026-06-03T09:42:46
2026-05-29
Raad voor de Rechtspraak
nl
Rechtbank Amsterdam
2026-04-16
12004801 EA VERZ 25-1432
Uitspraak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Beschikking
NL
Amsterdam
Civiel recht; Arbeidsrecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:5366
text/html
public
2026-06-01T15:40:40
2026-06-03
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:RBAMS:2026:5366 Rechtbank Amsterdam , 16-04-2026 / 12004801 EA VERZ 25-1432
Arbeidsovereenkomst ontbonden op de g-grond. Geen ernstig verwijtbaar handelen werkgever. Geen sprake van schending van de Wet bescherming klokkenluiders.
RECHTBANK
AMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer / rekestnummer: 12004801 EA VERZ 25-1432
Beschikking van 16 april 2026
in de zaak van
VAN LANSCHOT KEMPEN N.V.,
gevestigd te Amsterdam,
verzoekende partij,
verwerende partij in de (voorwaardelijke) tegenverzoeken,
hierna te noemen: VLK,
gemachtigde: mr. P.W.H.M. Willems,
tegen
[verweerder]
,
wonende te [woonplaats] ,
verwerende partij,
verzoekende partij in de (voorwaardelijke) tegenverzoeken,
hierna te noemen: [verweerder] ,
gemachtigde: mr. M.M. Floors.
1De procedure
1.1.
VLK heeft een verzoek gedaan om de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden. [verweerder] heeft een verweerschrift en (voorwaardelijke) tegenverzoeken ingediend.
1.2.
Op 19 maart 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Voorafgaand aan de mondelinge behandeling hebben partijen aanvullende producties ingediend. Namens VLK zijn verschenen [naam 1] (hierna: [naam 1] ) en [naam 2] (hierna: [naam 2] ), bijgestaan door de gemachtigde. [verweerder] is in persoon verschenen, bijgestaan door de gemachtigde. Partijen en hun gemachtigden hebben hun standpunten toegelicht, de gemachtigden mede aan de hand van pleitaantekeningen, en vragen beantwoord. De griffier heeft daarvan aantekeningen gemaakt. Na verder debat is beschikking gevraagd en is een datum voor beschikking bepaald.
2De feiten
2.1.
[verweerder] , geboren [geboortedatum] 1966, is sinds 1 april 2001 in dienst bij VLK laatstelijk in de functie van [naam functie 1] .
2.2.
In artikel 6.1 van de arbeidsovereenkomst staat dat het salaris, inclusief vakantietoeslag, iedere maand wordt uitbetaald. Daarnaast bepaalt artikel 7 van de arbeidsovereenkomst dat de werknemer in aanmerking kan komen voor een jaarlijkse bonus, een en ander uitsluitend ter beoordeling van de directie.
2.3.
Met ingang van 1 januari 2020 is het Total Reward Statement 2019 van toepassing verklaard op de arbeidsovereenkomst van [verweerder] (hierna: TRS 2019). Hieruit volgt dat [verweerder] een functiecontract heeft. In de TRS 2019 staat onder meer het volgende:
“
Verlofuren Functiecontract
Voor medewerkers met een functiecontract wordt geen verlofsaldo geregistreerd. Dit betekent dat je een ongelimiteerd aantal verlofdagen kunt opnemen gedurende het jaar. Uiteraard kan verlof alleen opgenomen worden in goed overleg met jouw direct leidinggevende. Een eventueel huidig verlofsaldo blijft behouden en kan conform bestaande regeling voor het verkopen van verlofdagen aan het einde van elk jaar worden verkocht met een maximum van eenmaal de arbeidsduur per week. Bij uitdiensttreding zullen de resterende verlofdagen automatisch worden uitgekeerd.”
2.4.
Bij VLK is het beleid Incident Management Procedure 4.2 (hierna: IMP) van toepassing. Uit de IMP volgt dat iedereen die betrokken is bij een incidentmelding verplicht is tot geheimhouding over de in dat verband verkregen informatie en dat het verboden is om de melder van een incident te benadelen.
2.5.
Van 30 juni 2022 tot 1 februari 2025 was bij VLK de Regelgeving Klokkenluiden van toepassing. Vanaf 1 februari 2025 geldt de Regeling Klokkenluiden 2025. In beide regelingen is onder meer het volgende opgenomen. Mogelijke misstanden kunnen gemeld worden bij de afdeling Compliance of het Meldpunt Klokkenluiden (hierna: Meldpunt). Bij deze misstanden moet het maatschappelijk belang in het geding zijn en dat betekent dat sprake moet zijn van een patroon of structureel karakter. Een klokkenluidersmelding is vormvrij. Het is verboden om een klokkenluider te benadelen. Iedereen die betrokken is bij een klokkenluidersmelding is verplicht tot geheimhouding over de in dat verband verkregen informatie.
2.6.
[naam 3] (hierna: [naam 3] ) is de direct leidinggevende van [verweerder] . [naam 1] is de direct leidinggevende van [naam 3] .
2.7.
Over de jaren 2018 tot en met 2022 is [verweerder] ieder jaar voor zijn functioneren beoordeeld met een 3 (van 5 in totaal).
2.8.
In december 2023 heeft [verweerder] van VLK de eindbeoordeling ontvangen voor zijn functioneren over dat jaar. Daarbij is het functioneren van [verweerder] gewaardeerd op een 3. In de eindbeoordeling zijn vijf verbeterpunten opgenoemd.
2.9.
[verweerder] was eind 2023 en begin 2024 betrokken bij een acquisitietraject van een pensioenfonds.
2.10.
Op 2 februari 2024 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [naam 3] , [verweerder] en [naam 1] . Tijdens dit gesprek is aan [verweerder] meegedeeld dat hij niet langer betrokken zou zijn bij het acquisitietraject van het pensioenfonds en daarom uit het daarbij betrokken pitchteam werd gezet.
2.11.
Op 9 april 2024 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [naam 3] en [verweerder] . Tijdens dit gesprek heeft [naam 3] aan [verweerder] laten weten dat meerdere collega’s zich niet prettig voelen bij de samenwerking met [verweerder] . [naam 3] heeft [verweerder] gevraagd om hierover feedback te verzamelen bij de collega’s.
2.12.
[verweerder] heeft vervolgens aan vijf collega’s om feedback gevraagd aan de hand van steeds drie dezelfde vragen: wat valt positief op, wat kan worden verbeterd en heb je tips. Collega [naam 4] heeft onder andere geschreven dat [verweerder] soms op verkeerde momenten te volhardend is en druk uitoefent, ook zonder directe aanleiding, waarbij hij soms zijn stem verheft, wat als intimiderend wordt ervaren. Daarnaast luistert [verweerder] soms niet naar argumenten en herhaalt hij zichzelf. Volgens collega [naam 5] kan de communicatiestijl van [verweerder] wat zachter zijn. In de door [verweerder] opgevraagde feedback zijn ook positieve punten over [verweerder] vermeld.
2.13.
Op 5 juli 2024 heeft een tussentijds beoordelingsgesprek plaatsgevonden. Daarbij is het functioneren van [verweerder] met een 2 beoordeeld. Tijdens het gesprek is aan [verweerder] een aantal verbeterpunten meegegeven. De verbeterpunten betroffen samengevat dat [verweerder] meer en betere output realiseert, dat hij een aantal uitdagende dossiers daadwerkelijk verder helpt, dat zijn bestuurlijke sensitiviteit verbetert, dat hij minder koppig is, dat hij echt luistert, dat hij transparanter is over wat hij doet en zijn samenwerking met collega’s verbetert.
2.14.
Op 16 augustus 2024 hebben [naam 3] en [verweerder] een vervolggesprek gevoerd. Daarbij is afgesproken dat er een verbeterplan wordt opgesteld. [verweerder] heeft in dit gesprek gereageerd op het door [naam 3] opgestelde verslag van het tussentijds beoordelingsgesprek. Hij sprak zijn verbazing uit over de onjuistheden, onvolledigheden en/of ongenuanceerdheden in het verslag, en vooral over de eenzijdigheid in zijn nadeel.
2.15.
Bij e-mail van 21 augustus 2024 heeft [naam 3] aan [verweerder] een eerste opzet van een verbeterplan gestuurd. Als reactie op deze e-mail heeft [verweerder] laten weten dat het verbeterplan niet conform het generieke verbeterplan was opgesteld. Vervolgens hebben [verweerder] en [naam 3] meerdere e-mails uitgewisseld over de inhoud van het verbeterplan.
2.16.
Op 17 september 2024 heeft het eerste driewekelijkse voortgangsgesprek tussen [verweerder] en [naam 3] plaatsgevonden. Daarvan heeft [naam 3] een verslag opgesteld, waarin hij onder meer heeft opgemerkt dat het een goed gesprek was. Naar aanleiding van de aanvullingen van [verweerder] op het verslag heeft [naam 3] op 20 september 2024 per e-mail, onder, meer het volgende aan [verweerder] geschreven:
“(…) Wat betreft het voortgangsgesprek: wat ik zie is dat je een zeer uitgebreid verslag hebt gemaakt waarin je vooral moeite doet om je eigen (inhoudelijke) visie en positie toe te lichten. Dit kost onnodig veel tijd en energie die je beter kan steken in het leveren van goede output voor onze klanten en het team. (…)”
2.17.
Bij e-mail van 23 september 2024 heeft [verweerder] , onder meer, als volgt gereageerd:
“(…) In ons gesprek van 17 september heb ik er expliciet bij je op aangedrongen om een duidelijk en volledig gespreksverslag op te stellen. (…)
Onthutsend gegeven het bovenstaande was het dan ook voor mij om onderstaande mail van 17 september te mogen ontvangen met jouw verslag van het gesprek die dag. Op basis van vooral steekwoorden en losse zinnen heb je jouw aantekeningen gedeeld, wat dan in jouw optiek het verslag en een goede en volledige weergave moest zijn van het gesprek en de context. Onvoldoende wat mij betreft. Al met al een onsamenhangend geheel, waarin mijn mening ook niet altijd even goed verwoord is. (…) Uiterst onzorgvuldig dus van je en dat in zo’n delicaat traject waar we mee bezig zijn! Omdat je hiermee onvoldoende invulling hebt gegeven aan je verantwoordelijkheid was er voor mij geen andere keuze dan maar zelf een gespreksverslag op te stellen. Inderdaad jammer van de tijd en energie die er in is gaan zitten, maar dat kon dus niet anders.
(…) Het past niet om mij verwijten te maken als je zelf zo in gebreke blijft, ook naar gedrag. Ik heb je eerder hier al op aangesproken en gewezen op onze gedragscode. Je gaf toen aan die niet echt te kennen. Dat is natuurlijk erg opmerkelijk. Bijgaand heb ik deze daarom voor je bijgesloten, zoals gepubliceerd op intranet. Hierin kun je nalezen aan welke gedragsregels elke VLK-werknemer, inclusief jij, gewoon moet voldoen. (…)”
2.18.
Bij e-mail van 26 september 2024 heeft [naam 3] onder meer gereageerd dat zorgvuldige verslaglegging zeker belangrijk is, maar dit niet betekent dat het verslag lang hoeft te zijn. De insteek van de verslaglegging is een compacte en concrete uitwisseling. Verder herkende [naam 3] zich niet in alle punten die [verweerder] noemt.
2.19.
Bij e-mail van 30 september 2024 heeft [verweerder] aan [naam 3] , onder meer, het volgende geschreven:
“(…) - Ik had je wederom verzocht om in mijn verslag jouw opinie en conclusies aan te vullen (die ik overigens overgenomen had vanuit jouw eerdere verslag). (…) In jouw reactie ga je daar wederom niet op in; (…)
Ik span me in in het kader van dit verbetertraject, maar bovenstaande constateringen belemmeren mij echter in het goed kunnen uitvoeren hiervan. Dat benadeelt mij. Blijkbaar hanteer jij andere standaarden ten aanzien van zorgvuldigheid en gedrag in dit traject dan die ik hanteer. (…)”
2.20.
Bij e-mail van 1 oktober 2024 heeft [naam 3] aan [verweerder] het verbeterplan met de aanvullingen van [naam 1] gestuurd. Vervolgens is het verbeterplan nog twee keer aangepast.
2.21.
In het verslag van [naam 3] van het voortgangsgesprek van 8 oktober 2024 is onder meer opgenomen dat [naam 3] heeft aangegeven graag met een positieve toon samen te werken en invulling te geven aan het verbeterplan zonder (onnodige) verwijten te maken.
2.22.
Op op 22 oktober 2024 heeft [verweerder] het verbeterplan voor akkoord ondertekend. In het verbeterplan is een looptijd opgenomen van 1 oktober 2024 tot eind maart 2025.
2.23.
Tijdens het voortgangsgesprek van 19 november 2024 heeft [naam 3] aan [verweerder] laten weten dat hij de bepaalde klant in een specifieke cliëntpresentatie onvoldoende heeft gewaarschuwd voor bepaalde risico’s. Deze waren volgens [naam 3] enorm verwaterd en moesten volgens [naam 3] prominenter in het advies komen. [verweerder] was het daarmee niet eens.
2.24.
Bij e-mail van 26 november 2024 heeft [verweerder] , onder meer, als volgt gereageerd op dit verslag:
“(…) Wat me opvalt in ons gesprek, in onderstaand gespreksverslagen de benoemde mail is dat je zeer stellige uitspraken doet inzake dit dossier en over mijn persoonlijk functioneren hierbij, zonder veel ruimte te laten voor nuance of discussie. Deze opmerkingen en conclusies hebben mij naar toon en inhoud geraakt en vind ik niet erg constructief in onze samenwerking. Wat je hiermee namelijk lijkt te zeggen is dat je mijn integriteit in twijfel trekt en dat ik me volgens jou niet heb gehouden aan gemaakte afspraken en geldende interne procedures. (…) Ik herken me daarom totaal niet in jouw conclusies. (…)”
[verweerder] heeft zich verder afgevraagd of de ernst van de situatie zodanig is dat er een incidentmelding moet plaatsvinden. Voordat hij die melding zou doen heeft hij [naam 3] in deze e-mail acht vragen gesteld en hem verzocht deze vragen uiterlijk 3 december 2024 te beantwoorden.
2.25.
Tijdens het voortgangsgesprek op 27 november 2024 tussen [verweerder] en [naam 1] , heeft [naam 1] aangegeven een constructieve dialoog te verwachten tussen [verweerder] en [naam 3] omdat hij heeft geconstateerd dat dit momenteel niet goed verloopt. Daarbij heeft [naam 1] aan [verweerder] gevraagd hoe hij denkt dat de e-mail van 26 november 2026 bij [naam 3] overkomt en wat dit doet met het vertrouwen tussen hen.
2.26.
Op 3 december 2024 heeft tussen [verweerder] en [naam 3] het volgende voortgangsgesprek plaatsgevonden. Tijdens dit gesprek heeft [naam 3] laten weten dat hij het gevoel heeft dat de feedback niet tot [verweerder] doordringt. [verweerder] heeft aangegeven dat [naam 3] niet met feedback kwam, maar met verwijten en beschuldigingen zonder onderbouwing en dat het redelijk is dat [verweerder] daar vragen over stelt. [verweerder] heeft desgevraagd laten weten dat hij nog wel vertrouwt in een goede samenwerking, maar wilde nog steeds schriftelijk antwoord krijgen op zijn acht vragen.
2.27.
Bij e-mail van 9 december 2024 heeft [verweerder] aan [naam 1] meegedeeld wat hij met [naam 3] had besproken. Hierin staat onder meer:
“(…) Daarnaast moet volledig duidelijk worden wat [naam 3] zijn rol is geweest in dit hypothekendossier en of hij zich heeft gehouden aan gemaakte afspraken en geldende procedures binnen VLK en of zijn beschuldigingen richting mij terecht zijn of niet en of hij hierbij zorgvuldig heeft gehandeld.
(…) Ik ga deze week deze incidentmelding verrichten. (…)”
2.28.
Op 13 december 2024 heeft [verweerder] een incidentmelding gedaan ten aanzien van de opmerking van [naam 3] over de specifieke cliëntpresentatie (hierna: de incidentmelding) bij Internal Control. Op 16 december 2024 heeft Internal Control laten weten dat geen sprake is van een incident.
2.29.
Bij e-mail van 16 december 2024 heeft [verweerder] aan [naam 3] en [naam 1] , onder meer, geschreven dat hij zorgen heeft over de zorgvuldigheid en eerlijkheid van het verbetertraject, waaronder over de beschuldiging over de specifieke cliëntpresentatie, het opstellen van het verbeterplan en de gespreksverslagen. Hij heeft verder aangegeven dat hij weinig compassie ervaart van [naam 3] en [naam 1] voor de situatie rondom zijn ernstig zieke echtgenote.
2.30.
Op 17 december 2024 heeft een tussentijds evaluatiegesprek plaatsgevonden waarbij [verweerder] , [naam 3] , [naam 1] en [naam 2] ( [naam functie 2] ) aanwezig waren. [naam 1] heeft tijdens dit gesprek aan [verweerder] laten weten de kritiek van [verweerder] op VLK wat betreft zijn privésituatie onterecht te vinden. Daarnaast heeft [naam 1] aangegeven de incidentmelding als een persoonlijke aanval op [naam 3] te hebben ervaren. [naam 2] heeft in het gesprek meegedeeld geen enkele vorm van vertrouwen waar te nemen tussen [verweerder] , [naam 3] en [naam 1] en haar twijfel uitgesproken over het succesvol kunnen afronden van het verbetertraject. VLK heeft tijdens dit gesprek het verbetertraject voortijdig geëindigd.
2.31.
Over 2024 heeft [verweerder] als eindbeoordeling een 2 ontvangen. [verweerder] heeft zijn functioneren over 2024 zelf met een 4 beoordeeld.
2.32.
Vanaf 6 januari 2025 hebben partijen en hun gemachtigden onderhandeld over een vertrekregeling.
2.33.
Op 28 januari 2025 heeft [verweerder] zich ziekgemeld.
2.34.
Op 6 maart 2025 en 3 april heeft [verweerder] de bedrijfsarts bezocht. De bedrijfsarts heeft partijen geadviseerd met elkaar in gesprek te gaan over het re-integratiedoel. In haar advies van 7 april 2025 stelt zij dat terugkeer in het eigen werk medisch gezien mogelijk is, maar adviseert zij om hierover, gezien de ontstane arbeidssituatie, gezamenlijk tot afstemming te komen.
2.35.
Vervolgens hebben partijen tot november 2025 een mediationtraject doorlopen, maar dit is zonder resultaat geëindigd. Na pogingen om tot een minnelijke regeling te komen heeft VLK op 5 december 2025 het hier voorliggende verzoekschrift ingediend tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst.
2.36.
Op 5 december 2025 heeft [verweerder] een klokkenluidersmelding gedaan bij het Meldpunt. Op 7 januari 2026 heeft [verweerder] zijn klokkenluidersmelding aangevuld.
2.37.
Op 14 januari 2025 heeft [verweerder] zich beter gemeld. Vervolgens heeft VLK hem vrijgesteld van werkzaamheden.
2.38.
Op 11 maart 2026 heeft het Meldpunt aan [verweerder] meegedeeld dat zijn klokkenluidersmelding niet kwalificeert als een klokkenluidersmelding omdat het een arbeidsrechtelijke situatie betreft.
3Het verzoek, het verweer en het tegenverzoek
3.1.
VLK verzoekt de arbeidsovereenkomst met [verweerder] te ontbinden vanwege disfunctioneren dan wel een verstoorde arbeidsverhouding dan wel de cumulatiegrond.
3.2.
[verweerder] concludeert tot afwijzing van het verzoek van VLK, maar verzoekt de arbeidsovereenkomst te ontbinden vanwege de cumulatiegrond.
3.3.
Als de kantonrechter de arbeidsovereenkomst ontbindt, verzoekt [verweerder] samengevat, en uitvoerbaar bij voorraad:
voor recht te verklaren dat VLK ernstig verwijtbaar heeft gehandeld,
bij het bepalen van de einddatum rekening te houden met de voor VLK geldende opzegtermijn en de proceduretijd niet in mindering te brengen,
VLK te veroordelen tot betaling van de transitievergoeding,
VLK te veroordelen tot een aanvullende vergoeding als de arbeidsovereenkomst vanwege de cumulatiegrond wordt ontbonden,
aan [verweerder] een billijke vergoeding toe te kennen,
VLK te veroordelen tot betaling van de opgebouwde maar niet genoten vakantiedagen,
VLK te veroordelen tot de door [verweerder] gemaakte kosten voor rechtsbijstand voorafgaand aan de onderhavige procedure, vermeerderd met de wettelijke rente.
3.4.
Verder verzoekt [verweerder] samengevat:
voor recht te verklaren dat VLK niet rechtsgeldig een all-in loon aan [verweerder] heeft betaald en dus niet de vakantietoeslag en de opgebouwde maar niet genoten vakantiedagen heeft betaald en betaalt,
VLK te veroordelen tot betaling van de achterstallig vakantietoeslag, te vermeerderen met de wettelijke verhoging,
VLK te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten,
VLK te veroordelen tot betaling van de proceskosten,
VLK te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente over alle bedragen die VLK op grond van deze beschikking moet betalen.
3.5.
Bij de beoordeling wordt op de inhoudelijke standpunten van partijen ingegaan.
4De beoordeling van het verzoek
4.1.
Het gaat in deze zaak om de vraag op welke redelijke grond in de zin van artikel 7:669 BW de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden en of VLK zich tegenover ernstig verwijtbaar heeft gehandeld.
Opzegverbod
4.2.
[verweerder] heeft zich op 28 januari 2025 ziekgemeld en zich op 14 januari 2026 beter gemeld. Het opzegverbod uit artikel 7:670 lid 1 BW is daarom van toepassing. Dit opzegverbod staat echter op grond van artikel 7:671b lid 6 BW de verzochte ontbinding van de arbeidsovereenkomst niet in de weg. Het verzoek tot ontbinding houdt immers geen verband met de ziekte van [verweerder] .
Ontbinding
4.3.
Een arbeidsovereenkomst kan alleen worden ontbonden als daar een redelijke grond voor is. In de wet is bepaald wat een redelijke grond is. Ook is voor ontbinding vereist dat herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt. VLK heeft verschillende ontslaggronden aan haar verzoek ten grondslag gelegd. De kantonrechter is van oordeel dat in deze zaak de arbeidsovereenkomst moet worden ontbonden, omdat sprake is van de g-grond (verstoorde arbeidsverhouding). Dit oordeel is gebaseerd op het volgende.
4.4.
[verweerder] betwist dat sprake is van een voldragen g-grond omdat VLK geen enkele poging heeft gedaan om de verstoorde arbeidsverhouding te herstellen. De kantonrechter volgt [verweerder] daarin niet. Zowel uit het dossier, de tussen partijen gevoerde correspondentie als hetgeen tijdens de mondelinge behandeling is besproken, is naar het oordeel van de kantonrechter genoegzaam gebleken dat tussen partijen een onoverbrugbaar verschil van inzicht bestaat. Over de houding en opstelling van [verweerder] is tussen partijen meerdere malen gesproken, maar deze gesprekken, terugkoppelingen en feedback hebben niet tot verandering geleid. Nadat het verbetertraject voortijdig is beëindigd, de onderhandelingen over een vertrekregeling zijn mislukt en [verweerder] bij de bedrijfsarts heeft aangegeven dat zijn re-integratiedoel terugkeer in het eigen werk is, zijn partijen op advies van de bedrijfsarts met mediation gestart om overeenstemming over het re-integratiedoel te bereiken. Deze mediation heeft echter niet tot een oplossing en evenmin tot verbetering van de arbeidsverhouding geleid. VLK heeft zich gelet op het voorgaande voldoende ingezet om de verstoorde arbeidsverhouding met [verweerder] te verbeteren. Bovendien blijkt uit het feit dat [verweerder] elk gesprek in het kader van het verbetertraject zonder medeweten van VLK heeft opgenomen dat [verweerder] zelf weinig vertrouwen meer had in VLK. Daarnaast verlangt [verweerder] zelf ontbinding van de arbeidsovereenkomst op de cumulatiegrond, wat eveneens wijst op een gebrek aan vertrouwen en een wens tot beëindiging van het dienstverband.
4.5.
Onder deze omstandigheden is de kantonrechter van oordeel dat de arbeidsverhouding tussen partijen zodanig is verstoord dat van VLK in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortbestaan. Herplaatsing ligt, mede gelet op het wederzijds gebrek aan vertrouwen, niet in de rede. Dit is ook niet in geschil. De conclusie is dat de arbeidsovereenkomst zal worden ontbonden.
Geen ernstige verwijtbaarheid VLK
4.6.
[verweerder] vindt dat VLK ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van een werkgever zich slechts zal voordoen in uitzonderlijke gevallen, bijvoorbeeld als een werkgever grovelijk de verplichtingen niet nakomt die voortvloeien uit de arbeidsovereenkomst en er als gevolg daarvan een verstoorde arbeidsverhouding ontstaat of als een werkgever een valse grond voor ontslag aanvoert met als enig oogmerk een onwerkbare situatie creëren. Een dergelijke situatie doet zich hier niet voor.
4.7.
Volgens [verweerder] zijn alle inspanningen van VLK er vanaf begin 2024 op gericht geweest het dienstverband te beëindigen. Hij betoogt dat er geen aanleiding was voor een verbetertraject, omdat hij tot 2024 altijd goed beoordeeld is op zijn functioneren. Daarnaast voert [verweerder] aan dat verschillende omstandigheden zijn functioneren in 2024 hebben beïnvloed: in augustus 2023 vielen drie collega’s uit waardoor hij extra werk moest verrichten, in november 2023 werd zijn echtgenote ernstig ziek en in het eerste halfjaar van 2024 was hij in grote mate betrokken bij het bedienen van een nieuwe grote cliënt waardoor hij minder tijd had voor andere werkzaamheden. VLK heeft hiertegen aangevoerd dat [verweerder] in voorgaande jaren herhaaldelijk is aangesproken op zijn gedrag en zelfs eerder een beoordeling met een 2 heeft gekregen. Tijdens de zitting heeft [verweerder] erkend dat er in het verleden opmerkingen zijn gemaakt over zijn directieve communicatiestijl. Hoewel de kantonrechter begrijpt dat de door [verweerder] genoemde omstandigheden zijn werk kunnen hebben beïnvloed, kunnen deze geen rechtvaardiging vormen voor het niet voldoen aan de door VLK benoemde verbeterpunten (zie 2.13.). Dat geldt met name voor de punten die zien op zijn houding en gedrag waar [verweerder] al eerder op was aangesproken en dat ook terugkomt in de feedback van collega’s. VLK heeft daarbij toegelicht dat de collega’s die hun zorgen aan haar kenbaar maakten, tevens degenen zijn die de feedback aan [verweerder] hebben gegeven. Dit is door [verweerder] niet weersproken. Het is gelet op het voorgaande niet zo dat VLK geen enkele aanleiding had om [verweerder] aan te spreken op zijn functioneren. Bovendien is, anders dan [verweerder] stelt, niet direct een verbeterplan opgesteld. Er zaten vier maanden tussen het eerste gesprek op 9 april 2024 en het besluit om een verbetertraject te starten. In die maanden hebben er meerdere gesprekken plaats gevonden tussen [verweerder] en zijn leidinggevende(n).
4.8.
[verweerder] voert verder aan dat hem geen serieuze gelegenheid is geboden om zijn functioneren te verbeteren. Een van zijn argumenten is dat eerst de verstoorde relatie met [naam 3] hersteld had moeten worden voordat het verbetertraject kon starten. Dat de relatie met [naam 3] al verstoord was heeft [verweerder] echter onvoldoende onderbouwd. Het feit dat [verweerder] door [naam 3] van het pitchteam voor een groot acquisitieproject werd gehaald kan hij ervaren hebben als onterecht, maar VLK heeft op inzichtelijke wijze toegelicht dat de pitch door het sterkste team moest worden gedaan en dat [verweerder] daarvoor niet de meest geschikte persoon was. Uit het dossier blijkt verder niet dat er voorafgaand aan het verbetertraject een zodanige verstoring in de relatie tussen [verweerder] en [naam 3] was dat dit een belemmering vormde voor het starten van het verbetertraject. Verder staat vast dat VLK gedurende meerdere maanden actief met [verweerder] in gesprek is geweest tijdens het verbetertraject. In die periode verliep de relatie tussen [verweerder] en [naam 3] weliswaar stroef, maar [naam 1] heeft beide heren actief gemotiveerd om positief in het proces te staan en [naam 3] heeft dit ook uitgedragen. Uit de gespreksverslagen blijkt ook dat [verweerder] wel degelijk de mogelijkheid is geboden zijn functioneren te verbeteren. [verweerder] stelt dat tijdens het verbetertraject zijn positieve punten werden weggelaten en dat er eenzijdige verslagen werden opgesteld. Uit de overgelegde gespreksverslagen blijkt echter dat ook positieve aspecten zijn benoemd en dat [verweerder] juist veel inspraak heeft gehad bij het opstellen van deze verslagen. Dat [naam 3] de gesprekken niet zo uitgebreid heeft vastgelegd als [verweerder] had gewenst, weerspiegelt vooral een verschil in stijl en betekent niet dat de verslagen onjuist of onzorgvuldig zijn opgesteld. Verder heeft VLK veel geduld getoond bij het overeenkomen van het verbeterplan. Dit plan is op verzoek van [verweerder] meerdere keren aangepast en het heeft geruime tijd geduurd voordat [verweerder] het plan voor akkoord heeft ondertekend. Gezien deze omstandigheden had [verweerder] op enig moment moeten inzien dat hij niet het laatste woord had over de uitvoering van het verbetertraject. Van ernstig verwijtbaar handelen is naar het oordeel van de kantonrechter dan ook geen sprake.
4.9.
Ook de situatie die in december 2024 is ontstaan, is niet aan VLK ernstig te verwijten. [verweerder] stelt dat hij tijdens het verbetertraject voldoende vooruitgang boekte, maar dat VLK het traject plotseling heeft beëindigd omdat er geen vertrouwen meer was. Uit de stukken blijkt echter voldoende dat VLK [verweerder] meerdere keren heeft aangesproken op zijn houding. De wijze waarop [verweerder] met zijn leidinggevende correspondeerde, hoefde VLK niet te accepteren. Hij las zijn leidinggevende de les, terwijl juist van hem werd verwacht dat hij zijn functioneren verbeterde. [verweerder] had moeten beseffen dat het geduld van VLK op een gegeven moment zou opraken.
4.10.
Voorts stelt [verweerder] dat VLK ernstig verwijtbaar heeft gehandeld omdat zij hem in strijd met de Wet bescherming klokkenluiders (hierna: Wbk) en het interne beleid omtrent klokkenluiden heeft benadeeld. Daarbij wijst hij op de omstandigheid dat de incidentmelding van 13 december 2024 een van de redenen van VLK was om het verbetertraject vroegtijdig te beëindigen. Hoewel [verweerder] terecht stelt dat het benadelingsverbod ingaat bij de eerste interne melding van een misstand, deelt de kantonrechter zijn standpunt niet dat de incidentmelding als klokkenluidersmelding moet worden aangemerkt. De bescherming die klokkenluiders toekomt ziet op meldingen van misstanden in de zin van artikel 1 Wbk waarbij het kort gezegd gaat om (gevaar voor) schending van het Unierecht of om handelingen of nalatigheden waarbij het maatschappelijk belang in het geding is en niet om enkel persoonlijke belangen. De stelling dat VLK het Unierecht heeft geschonden is niet concreet onderbouwd en is ook niet gebleken. Uit de daaraan ten grondslag liggen producties blijkt dat de incidentmelding vooral ziet op hoe [verweerder] de feedback van [naam 3] op zijn specifieke cliëntpresentatie heeft ervaren, evenals zijn beleving van de gesprekken en e-mails hierover met [naam 3] en [naam 1] , en niet om een algemene misstand. Voor zover [verweerder] zich beroept op het beleid Incident Management Procedure 4.2 (IMP) geldt hetzelfde: het ging niet om een incident maar om een arbeidsgeschil. Dat het geen incident was als bedoeld in het IMP heeft Internal Control, zo heeft zij meegedeeld aan [verweerder] , op basis van haar expertise, kennis en geldende richtlijnen beoordeeld. De kantonrechter heeft geen aanleiding hieraan te twijfelen. Ten aanzien van de meldingen die [verweerder] op 5 december 2025 en op 7 januari 2026 heeft gedaan is, nog daargelaten of deze meldingen als klokkenluidersmeldingen moeten worden aangemerkt, niet gebleken dat VLK [verweerder] heeft benadeeld. Deze meldingen zijn immers op de dag van dan wel na het indienen van het ontbindingsverzoek gedaan.
4.11.
Volgens [verweerder] heeft VLK ook ernstig verwijtbaar gehandeld vanwege het overtreden van de geheimhoudingsplicht door een deel van zijn klokkenluidersmelding bij het verzoekschrift te overleggen. [verweerder] doelt hierbij op de door VLK overgelegde productie van zijn incidentmelding van 13 december 2024. Hoewel van VLK verwacht had mogen worden dat zij zorgvuldig met dit soort meldingen omgaat, is naar het oordeel van de kantonrechter geen sprake van ernstig verwijtbaar handelen.
4.12.
[verweerder] stelt verder dat VLK ernstig verwijtbaar heeft gehandeld door verplichtingen uit de AVG te schenden. Volgens hem heeft VLK zonder wettelijke grondslag persoonsgegevens uit de incidentmelding gedeeld met derden door deze als productie bij het verzoekschrift te overleggen aan de rechtbank. [verweerder] heeft echter onvoldoende onderbouwd welke persoonsgegevens in strijd met de AVG zijn gedeeld. Ook is onvoldoende aangetoond dat sprake is van een datalek in de zin van de AVG.
4.13.
[verweerder] voert nog aan dat VLK ernstig verwijtbaar heeft gehandeld door hem vrij te stellen van werkzaamheden. De kantonrechter acht deze maatregel gezien de omstandigheden en de lopende ontbindingsprocedure echter redelijk.
4.14.
Gelet op het voorgaande is van ernstig verwijtbaar handelen van VLK niet gebleken. [verweerder] heeft nog een reeks aan andere argumenten opgeworpen die volgens hem maken dat VLK ernstig verwijtbaar heeft gehandeld, maar ook die leiden alle, ook niet in samenhang bezien, niet tot die conclusie. Die leiden eerder tot de constatering dat [verweerder] een man van detail is, die het lastig vindt als anderen anders te werk gaan en die moeite heeft om naar zijn eigen functioneren te kijken.
Datum einde arbeidsovereenkomst
4.15.
Nu geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen aan de zijde van VLK wordt het einde van de arbeidsovereenkomst op grond van artikel 7:671b lid 9 sub a BW bepaald op het tijdstip waarop de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging zou zijn geëindigd, waarbij de duur van deze procedure in mindering wordt gebracht, met dien verstande dat een termijn van ten minste een maand resteert. De opzegtermijn bedraagt vier maanden. Deze procedure heeft geduurd van 5 december 2025 tot de datum van deze beschikking (16 april 2026). De arbeidsovereenkomst wordt daarom ontbonden met ingang van 1 juni 2026.
Tegenverzoeken [verweerder]
Verklaring voor recht
4.16.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen wordt de verzochte verklaring voor recht dat VLK ernstig verwijtbaar heeft gehandeld afgewezen.
Salaris is inclusief vakantietoeslag maar exclusief vakantiedagenloon
4.17.
[verweerder] meent dat hij nog aanspraak heeft op vakantietoeslag en op uitbetaling van opgebouwde maar niet genoten vakantiedagen.
4.18.
Tussen partijen is in geschil of zij een all-in loon zijn overeengekomen. VLK stelt dat partijen een all-in loon van € 12.420,97 bruto zijn overeengekomen inclusief vakantietoeslag en vakantiedagenloon. [verweerder] betwist dat partijen een all-in loon zijn overeengekomen. Daartoe voert hij het volgende aan. De in de arbeidsovereenkomst gemaakte afspraak dat het salaris inclusief vakantietoeslag is, is met de TRS 2019 vervangen. Daarnaast zijn partijen niet schriftelijk overeengekomen dat VLK aan [verweerder] een loon inclusief het vakantiedagenloon betaalt. Bovendien heeft VLK niet op een duidelijke en transparante manier aangegeven welk deel van het door VLK maandelijks betaalde all-in loon betrekking heeft op het loon zelf, welk deel op de vakantietoeslag en welk deel op de loonbetaling tijdens vakantiedagen.
4.19.
Vooropgesteld wordt dat [verweerder] gelet op de gemotiveerde betwisting van VLK onvoldoende heeft onderbouwd dat de afspraken in de arbeidsovereenkomst met betrekking tot het salaris zijn vervangen door de TRS 2019. De kantonrechter stelt dan ook vast dat partijen een salaris inclusief vakantietoeslag zijn overeengekomen. Anders dan [verweerder] betoogt, is de kantonrechter van oordeel dat partijen rechtsgeldig een salaris inclusief vakantietoeslag zijn overeengekomen. Artikel 17 lid 2 Wet Minimumloon en Minimumvakantiebijslag (WMM) geeft de mogelijkheid om bij schriftelijke overeenkomst het vakantietoeslag op een ander tijdstip dan jaarlijks in de maand juni uit te betalen. In artikel 6.1 van de arbeidsovereenkomst is dat gebeurd. Dat is dus een rechtsgeldige afwijking. De door [verweerder] gevorderde vakantietoeslag wordt daarom afgewezen.
4.20.
Volgens VLK is ook het vakantiedagenloon inbegrepen bij het salaris, maar zij heeft onvoldoende onderbouwd waaruit dit blijkt. Er is niets overgelegd waaruit volgt dat dit is afgesproken. De kantonrechter neemt daarom als uitgangspunt dat partijen een salaris van € 12.420,97 bruto per maand inclusief vakantietoeslag, maar exclusief vakantiedagenloon zijn overeengekomen.
Geen vergoeding vakantiedagen
4.21.
[verweerder] vordert betaling van de loonwaarde van de door hem opgebouwde maar niet genoten vakantiedagen en voert daartoe aan dat VLK dit bedrag niet heeft betaald of betaalt. Volgens [verweerder] bouwt hij 27 dagen vakantie per jaar op en heeft hij vanaf datum indiensttreding gemiddeld 6,2 vakantiedagen per jaar niet genoten. De kantonrechter volgt [verweerder] daarin niet.
4.22.
De artikelen 7:639 en 7:640 BW regelen de aanspraken van een werknemer op vakantie met behoud van loon. Dit is dwingend recht dat moet worden uitgelegd volgens de Europese Richtlijn 2003/88/EG. Het Europese Hof van Justitie heeft bij herhaling beslist dat uit het recht op doorbetaling van loon van artikel 7 van de Richtlijn voor de werkgever de verplichting voortvloeit om de werknemer in staat te stellen vakantie daadwerkelijk op te nemen.
4.23.
Zowel [verweerder] als VLK zijn het erover eens dat de TRS 2019 van toepassing is op de arbeidsovereenkomst en dat [verweerder] een functiecontract heeft waarbij geen verlofsaldo wordt geregistreerd. Hoewel [verweerder] ook verwijst naar artikelen in de Arbeidsvoorwaarden Van Lanschot Kempen – januari 2026 (hierna: de AVLK) waarin staat dat een werknemer 27 vakantiedagen per jaar opbouwt, stelt hij zelf dat hij niet uitdrukkelijk heeft ingestemd met de AVLK. Bovendien volgt uit de AVLK dat de artikelen over verlofuren zijn uitgezonderd voor het functiecontract. Gelet hierop gaat de kantonrechter ervan uit dat [verweerder] op grond van de TRS 2019 een ongelimiteerd aantal verlofdagen per jaar kan opnemen.
4.24.
[verweerder] heeft een specificatie overgelegd waaruit volgt dat hij vanaf 1 januari 2020 jaarlijks gemiddeld 22 vakantiedagen heeft opgenomen, wat meer is dan het wettelijk minimum ex artikel 7:634 BW. VLK heeft dit niet weersproken. De kantonrechter stelt daarom vast dat [verweerder] in ieder geval sinds 1 januari 2020 in staat is gesteld om daadwerkelijk vakantie op te nemen. Omdat [verweerder] een onbeperkt aantal vakantiedagen per jaar kan opnemen en hij sinds 1 januari 2020 jaarlijks gemiddeld meer dan het minimum heeft genoten, zijn er naar het oordeel van de kantonrechter geen opgebouwde maar niet genoten vakantiedagen. Voor de periode vóór 1 januari 2020 is de vordering verjaard. Daarbij geldt dat [verweerder] in die jaren kennelijk ook in staat is gesteld om daadwerkelijk voldoende vakantie op te nemen, gelet op zijn eigen stellingen hierover. De vordering tot uitbetaling van opgebouwde maar niet genoten vakantiedagen wordt dan ook afgewezen.
4.25.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen kan de verzochte verklaring voor recht dat VLK niet rechtsgeldig een all-in loon aan [verweerder] heeft betaald en dus niet de vakantietoeslag en de opgebouwde maar niet genoten vakantiedagen heeft betaald en betaalt, niet worden toegewezen.
Transitievergoeding
4.26.
Partijen zijn het erover eens dat [verweerder] recht heeft op de wettelijke transitievergoeding. Het verzoek om VLK te veroordelen tot betaling van de transitievergoeding wordt daarom toegewezen.
4.27.
Gelet op hetgeen hiervoor overwogen wordt uitgegaan van een salaris van € 12.420,97 bruto per maand inclusief vakantietoeslag. Tussen partijen is niet in geschil dat [verweerder] bovenop het salaris maandelijks € 231,98 bruto aan generieke toeslag, € 145,33 bruto aan pensioencompensatie en € 109,75 bruto aan meebewegende pensioentoeslag ontvangt. Partijen verschillen van mening over de hoogte van de gemiddelde bonus. Nu [verweerder] in 2025 geen werkzaamheden heeft uitgevoerd voor VLK gaat de kantonrechter uit van de gemiddelde bonus van € 1.756,94 bruto per maand, berekend over de jaren 2022, 2023 en 2024.
4.28.
Uitgaande van het salaris van € 12.420,97 bruto per maand inclusief vakantietoeslag, vermeerderd met de onder 4.27. genoemde toeslagen en gemiddelde bonus, bedraagt het salaris € 14.664,97 bruto per maand.
4.29.
De transitievergoeding wordt gelet op het voorgaande door de kantonrechter vastgesteld op een bedrag van € 123.036,20 bruto. De gevorderde wettelijke rente over de transitievergoeding wordt ook toegewezen, te rekenen vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, dus vanaf 1 juli 2026.
Billijke vergoeding
4.30.
Een billijke vergoeding kan alleen worden toegekend als de ontbinding het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van VLK. Zoals hierboven is overwogen, is hiervan geen sprake. Dit verzoek wordt daarom afgewezen.
4.31.
VLK hoeft geen gelegenheid te krijgen het verzoek in te trekken, omdat aan de ontbinding geen billijke vergoeding wordt verbonden.
Gemaakte kosten voor rechtsbijstand/buitengerechtelijke incassokosten
4.32.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen worden de door [verweerder] gevorderde kosten voor rechtsbijstand en de buitengerechtelijke incassokosten afgewezen.
Artikel 21 Rv
4.33.
Naar het oordeel van de kantonrechter is onvoldoende vast komen te staan dat VLK in strijd met artikel 21 Rv essentiële voor de beslissing van belang zijnde feiten onvermeld heeft gelaten en aldus de kantonrechter onjuist en onvolledig heeft voorgelicht.
Beide verzoeken
Proceskosten
4.34.
De kantonrechter zal ten aanzien van alle verzoeken bepalen dat partijen ieder hun eigen proceskosten moeten betalen, omdat de aard van de zaak daartoe aanleiding geeft.
5De beslissing
De kantonrechter
Op het verzoek van werkgever
5.1.
ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 juni 2026,
Op de verzoeken van werknemer
5.2.
veroordeelt VLK om aan [verweerder] een transitievergoeding te betalen van € 123.036,20 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 juli 2026, tot aan de dag van de gehele betaling,
5.3.
verklaart deze beschikking wat betreft de onder 5.2. genoemde beslissing uitvoerbaar bij voorraad,
Op beide verzoeken
5.4.
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt,
5.5.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.F. Kuiken en in aanwezigheid van de griffier, mr. M. Hillebrink, in het openbaar uitgesproken op 16 april 2026.
51447