ECLI:NL:RBAMS:2026:3064
Rechtbank Amsterdam 18 september 2026
Jurisprudentie – Uitspraken
ECLI:NL:RBAMS:2026:3064
text/xml
public
2026-09-18T14:55:54
2026-03-25
Raad voor de Rechtspraak
nl
Rechtbank Amsterdam
2026-03-31
C/13/780713 / KG ZA 25-1049
Uitspraak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Kort geding
Proceskostenveroordeling
Op tegenspraak
NL
Amsterdam
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:3064
text/html
public
2026-09-18T14:55:45
2026-09-18
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:RBAMS:2026:3064 Rechtbank Amsterdam , 31-03-2026 / C/13/780713 / KG ZA 25-1049
Bank hoeft geen zakelijke rekeningen te verstrekken aan de eisers. Voorshands wordt ervan uitgegaan dat de bank inhoudeljke redenen - het risicoprofiel - heeft om geen (zakelijke) relatie met eisers aan te gaan, en er geen sprake is van discrimintie Gesteld noch gebleken is van bijzondere omstandigheden aan de zijde van eisers die zwaarder wegen dan het belang van de bank om geen zakelijke rekeningen aan eisers te verstrekken.
RECHTBANK Amsterdam
Civiel recht, voorzieningenrechter
Zaaknummer: C/13/780713 / KG ZA 25-1049 VVV/EB
Vonnis in kort geding van 31 maart 2026
in de zaak van
1 [eiser 1] ,
te [woonplaats] ,2. [eiser 2] B.V.,
te [vestigingsplaats] ,3. [eiser 3] B.V.,
te [vestigingsplaats] ,4. [eiser 4] B.V.,
te [vestigingsplaats] ,
eisende partijen bij dagvaarding van 12 januari 2026,
hierna samen te noemen: [eisers] ,
advocaat: mr. H.J. Bos,
tegen
ABN AMRO BANK N.V.,
te Amsterdam,
gedaagde partij,
hierna te noemen: de bank,
advocaat: mr. B.W. Wijnstekers.
1De procedure
Op de zitting van 21 januari 2026 heeft [eisers] de vorderingen zoals omschreven in de dagvaarding toegelicht. De bank heeft verweer gevoerd, mede aan de hand van een conclusie van antwoord. Beide partijen hebben producties ingediend en gebruik gemaakt van pleitaantekeningen, die aan het procesdossier zijn toegevoegd.
Ter zitting waren aan de zijde van [eisers] aanwezig: [eiser 1] (directeur-eigenaar van [eiser 2] B.V., [eiser 3] B.V. en [eiser 4] B.V., hierna samen: de vennootschappen) met mr. Bos en mr. D. Hulsewé. Aan de zijde van de bank waren aanwezig: [naam 1] en [naam 2] (beiden KYC onderzoeker) en mr. [naam 3] (legal counsel) met mr. Wijnstekers en mr. G.W.H. Katgert. Laatstgenoemde heeft op de zitting het woord gevoerd namens de bank.
Na debat is de procedure pro forma aangehouden, om partijen de gelegenheid te bieden de mogelijkheid van een minnelijke regeling te onderzoeken. Bij brief van 2 maart 2026 heeft [eisers] verzocht om voortzetting van de mondelinge behandeling. Vooruitlopende op de beslissing daarover hebben partijen aanvullende producties ingediend. Op 17 maart 2026 heeft de voorzieningenrechter het verzoek tot voortzetting afgewezen en vonnis bepaald op 31 maart 2026.
2De feiten
2.1.
[eiser 1] is sinds 1995 in privé klant van de bank.
2.2.
Tussen 16 april 2020 en 1 april 2021 ontving [eiser 1] uit 51 transacties in totaal circa € 1.064.654,85 van verschillende Franse entiteiten. Daarna is de bank een klantonderzoek gestart naar het gebruik door [eiser 1] van haar bankrekening.
2.3.
In november 2021 heeft de bank aan [eiser 1] aangekondigd dat zij de bankrelatie per 15 januari 2022 zou beëindigen. Als reden daarvoor heeft de bank gegeven dat zij het klantonderzoek niet in positieve zin kon afronden en dus niet kon voldoen aan haar wettelijke verplichtingen uit hoofde van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft).
2.4.
[eiser 1] is vervolgens een kort geding gestart. Die procedure is geëindigd in een minnelijke regeling, die inhield dat de bank de relatie met [eiser 1] zou voortzetten en [eiser 1] aanvullende informatie aan de bank zou verstrekken.
2.5.
In december 2022 heeft [eiser 1] de vennootschappen opgericht.
2.6.
Vervolgens is een langdurig traject gestart voor de aanvraag door [eiser 1] van zakelijke rekeningen voor de vennootschappen. De belangrijkste punten uit dat traject worden hierna genoemd.
2.7.
In een e-mail van de advocaat van de bank aan de advocaat van [eiser 1] van 4 december 2024 is bevestigd dat de bank geen zakelijke betaalrekeningen zal verstrekken aan de vennootschappen van [eiser 1] . In deze e-mail staat de volgende passage:
“De Bank heeft de relatie met mevrouw [eiser 1] na de kortgeding zitting weliswaar voortgezet, maar ziet nog steeds (witwas)risico’s, gelet op de onduidelijke herkomst van zowel vermogen als inkomsten die de Bank destijds heeft geconstateerd en de moeilijkheden (of eigenlijk onmogelijkheid) om bepaalde informatie middels openbare bronnen te verifiëren. Daarbij spelen ok geografische risico’s. Ofwel: de Bank wil het klantcomplex handhaven zoals het is, maar niet uitbreiden. De situatie blijft aldus zoals het de afgelopen jaren steeds is geweest.”
De bank besluit deze e-mail met de opmerking dat de IVR-registratie van de bank er niet aan in de weg staat dat [eiser 1] zakelijke betaalrekeningen kan aanvragen bij andere banken.
2.8.
In de aanvraagprocedure heeft [eiser 1] tegenover de bank verklaard dat [eiser 3] een holding is, dat zij vanuit [eiser 4] bij wijze van “hobby” woninginrichtingsklussen voor vrienden en kennissen wil doen, en dat zij vanuit [eiser 2] haar werk als agent wil gaan uitvoeren. Dat werk houdt volgens de verklaringen van [eiser 1] in dat zij [bedrijf 1] B.V. (hierna: [bedrijf 1] ), de Turkse entiteit [bedrijf 2] Ltd. (hierna: [bedrijf 2] ) en het internationale concern Syncrolift ondersteunt bij het vinden van opdrachten tot productie en levering van scheepsonderdelen en het verlenen van bijbehorende ondersteunende (consultancy)diensten. Deze opdrachten ontvangt [eiser 1] voornamelijk uit Pakistan, waar de Pakistaanse marine haar voornaamste klant is. In Pakistan maakt [eiser 1] voor haar zakelijke activiteiten gebruik van Pakistaanse entiteiten (Kay Jay Karachi en Kay Jay Islamabad) waarvan zij mede-eigenaar is. [eiser 1] is dit werk ingerold via haar vader. Haar compagnon in de Pakistaanse vennootschappen heeft door ziekte het bedrijf verlaten, waardoor [eiser 1] alleen is overgebleven. Omdat [eiser 1] geen zakelijke rekening in Nederland heeft, is de betaalstroom nu zo ingericht dat de inkomsten die [eiser 1] met dit werk genereert, binnenkomen bij Kay Jay Karachi of Kay Jay Islamabad, die het van Roepies naar Euro’s moeten wisselen bij een geldwisselkantoor, wat duur is, en vervolgens stort op de privé bankrekening van [eiser 1] in Pakistan. Van die rekening kan [eiser 1] het overmaken naar haar bankrekening in Nederland. Er is een maximum aan het aantal Euro’s dat maandelijks vanuit Pakistan mag worden overgemaakt.
2.9.
Bij brief van 16 januari 2026 heeft de bank de aanvraag van de zakelijke rekeningen definitief afgewezen. In deze brief zijn daarvoor de volgende redenen gegeven:
“Waarom wordt de aanvraag afgewezen?
In het kader van het cliëntenonderzoek heeft de Bank meerdere malen aanvullende informatie opgevraagd en gesprekken gevoerd met u in uw hoedanigheid van bestuurder van de ondernemingen. Op basis van de door de ondernemingen ter beschikking gestelde gegevens en het onderzoek dat de Bank daarnaar heeft gedaan, kan de Bank echter onvoldoende inzicht krijgen in een aantal belangrijke onderdelen van de bedrijfsvoering van uw ondernemingen. Het gaat daarbij onder meer om:
1Onvoldoende inzicht in de aard en opbouw van de zakelijke activiteiten
Door u is aan de Bank medegedeeld dat de werkzaamheden van de ondernemingen met name bestaan uit de bemiddeling in defensie- en maritiem gerelateerde producten. De door de ondernemingen uitgevoerde werkzaamheden zijn voor de Bank onvoldoende verifieerbaar. U heeft toegelicht dat de contracten tussen u, althans de ondernemingen, en [bedrijf 1] (…) en [bedrijf 2] (…) onder een met deze ondernemingen gesloten non-disclosure agreement (hierna: NDA) vallen.
Een in de NDA overeengekomen geheimhoudingsverplichting staat volgens u in de weg aan de verstrekking van de door de Bank verzochte informatie. Verder heeft u ondanks verzoeken daartoe geen inzicht gegeven in de eindgebruikers van de producten waarin u bemiddelt. Los van het feit dat voor de Bank niet is gebleken dat deze op de NDA gebaseerde geheimhoudingsverplichting bestaat, doet dit geen afbreuk aan de verplichtingen die de Bank heeft om de verzochte informatie te ontvangen en te verifiëren. Als gevolg van het beroep op de geheimhoudingsverplichting ter onderbouwing van de weigering om de contracten met [bedrijf 1] en [bedrijf 2] te verschaffen ontbreekt het noodzakelijke inzicht in de activiteiten, transactiestromen en de wijze waarop opdrachten tot stand komen voor de door u gedreven ondernemingen.
2Onvoldoende duidelijkheid over de opbouw van zakelijke inkomsten
Hoewel de door u verstrekte facturen van Kay Jay International (Karachi, Pakistan) aan onder meer [bedrijf 1] en [bedrijf 2] zijn aangeleverd, is niet vast te stellen hoe de aan hen betaalde vergoeding (die weer ten grondslag ligt aan de door [bedrijf 1] en [bedrijf 2] ) aan u en/of de ondernemingen verschuldigde vergoedingen, wordt berekend, welke percentages worden gehanteerd, welke specifieke goederen daarmee gemoeid zijn en hoe deze inkomsten worden opgebouwd. Hierdoor kan de Bank niet beoordelen of de inkomstenstromen gebruikelijk en passend zijn voor de betreffende goederen en binnen de sector in algemene zin. Evenmin is de oorspronkelijke herkomst van de betreffende middelen voor de Bank onduidelijk, hetgeen voor de Bank onacceptabel is.
3Onvoldoende mogelijkheid om integriteitsrisico’s te mitigeren
Omdat de werkzaamheden van de ondernemingen voor een belangrijk deel bestaan uit de bemiddeling in Pakistan en zien op de Pakistaanse defensie-gerelateerde sector, is inzicht in het zakelijk netwerk voor de Bank noodzakelijk om risico’s te kunnen beoordelen. Ondanks herhaalde verzoeken blijft onvoldoende duidelijk met welke partijen wordt samengewerkt en hoe dit netwerk is opgebouwd en wordt onderhouden. Bovendien is het mede vanwege het potentiële (integriteits)risico van zogenoemde ‘dual-use’ goederen noodzakelijk om inzicht te verkrijgen in de specifieke goederen ten aanzien van de aankoop waarvan wordt bemiddeld. Ondanks verzoeken naar specificaties van goederen (bijvoorbeeld in de vorm van “HS-codes” of douaneformulieren), dan wel het informeren over voor de Bank van belang zijnde mitigerende maatregelen (zoals een screening beleid of “end-user statements”) blijft het onvoldoende duidelijk ten aanzien van de aankoop van welke specifieke goederen u bemiddelt.
4Afwijzing op grond van het defensiebeleid van de Bank
Afsluitend is het gebleken dat u niet voldoet aan het beleid dat de Bank stelt op het gebied van activiteiten in of gerelateerd aan de defensie-industrie. Gezien uw activiteiten kwalificeert u als ‘high sensitive’. Dit brengt met zich mee dat u de in het beleid voorgeschreven stukken ter beoordeling aan de Bank dient te kunnen overleggen. U voldoet op dit punt niet aan de beleidsvereisten. Aanvullend op het niet voldoen aan het beleid, heeft u, ondanks herhaalde verzoeken naar een screeningsbeleid en ‘end-user statements’, onvoldoende stukken aangeleverd. Hierdoor kan de Bank geen afdoende beoordeling uitvoeren en blijven relevante risico’s onverminderd bestaan.
Conclusie
Door de combinatie van beperkte transparantie, defensie- en maritieme activiteiten, internationale transactiestromen en langdurige onduidelijkheden over eerdere geldstromen, zijn witwas-, sanctie- en integriteitsrisico’s (waaronder mogelijk omkoping en corruptie) door de Bank niet op een voor de Bank aanvaardbare wijze te mitigeren. Daarom heeft de Bank besloten om de aanvraag voor de zakelijke rekeningen voor uw ondernemingen af te wijzen.”
2.10.
[eiser 1] heeft de bank in december 2024 verzocht om de tekst van de IVR-registratie aan haar te verstrekken. Aan dat verzoek is (toen) geen gevolg gegeven.
3Het geschil
3.1.
[eisers] vordert, kort gezegd, de bank te bevelen:
i) zakelijke betaalrekeningen voor de vennootschappen te openen;
ii) aan [eisers] te verklaren in welke interne- en/of externe registers de bank haar heeft geregistreerd en wat de inhoud van de registratie is;
iii) een kopie van het volledige klantdossier aan haar te verstrekken, althans van de delen die relevant zijn voor het verkrijgen van een zakelijke bankrekening;
alles op straffe van dwangsommen en met veroordeling van de bank in de werkelijke proceskosten.
3.2.
Aan haar vordering legt [eisers] ten grondslag, samengevat weergegeven, dat een bank haar klanten desgewenst een betaalrekening moet bieden. Die verplichting hebben banken op grond van hun maatschappelijke positie ook ten aanzien van niet-consumenten. Zonder betaalrekening is het namelijk (vrijwel) onmogelijk om deel te nemen aan het maatschappelijk verkeer en om een bedrijf te exploiteren. Het belang van [eiser 1] om over zakelijke rekeningen bij de bank te kunnen beschikken, prevaleert boven het belang van de bank om dat zonder valide redenen te weigeren. Volgens [eiser 1] heeft de bank geen concrete, zwaarwegende, volgens jurisprudentie voldoende onderbouwde reden aangedragen voor de weigering. [eiser 1] heeft antwoord gegeven op alle vragen die de bank haar heeft gesteld.
3.3.
De bank voert verweer, dat er samengevat op neerkomt dat [eiser 1] niet de informatie heeft verstrekt die de bank nodig heeft op basis van de Wwft en haar eigen beleid, waardoor de bank niet in staat is het klantonderzoek in positieve zin af te ronden. Zij mag dan ook geen zakelijke overeenkomsten aangaan met de vennootschappen.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna nader ingegaan, voor zover van belang.
4De beoordeling
4.1.
De vorderingen zijn in kort geding toewijsbaar als voorshands voldoende aannemelijk is dat de bodemrechter het standpunt van de eisende partij zal volgen en niet van de eisende partij kan worden verwacht dat die de uitkomst van een bodemprocedure afwacht.
De zakelijke rekeningen
4.2.
De eerste vraag die voorligt, is of er gronden zijn om de bank te dwingen om zakelijke rekeningen aan de vennootschappen van [eiser 1] te verstrekken.
4.3.
Uitgangspunt is dat iedere partij vrij is te kiezen met wie hij een contractuele relatie wil aangaan. In beginsel heeft een bank dan ook het recht het verstrekken van een betaalrekening te weigeren, bijvoorbeeld vanwege toezichtrechtelijke eisen of integriteitsrisco's. Slechts onder bepaalde bijzondere omstandigheden kan op een bank uit hoofde van haar maatschappelijke positie een verplichting rusten een betaalrekening aan te bieden aan een niet-consument. Van zo’n ‘contracteerplicht’ is alleen sprake als de (bijzondere) omstandigheden van het geval maken dat het belang van de bank bij het zelf mogen bepalen met wie zij een contactuele relatie aangaat, moet wijken voor een zwaarder wegend belang van de aanvrager.
4.4.
De contractsvrijheid van de bank wordt nog op een andere wijze begrensd, namelijk door de verplichting van de bank om de Wwft na te leven. Op grond van die wet mag een instelling geen relatie aangaan met een partij als de instelling – samengevat – het cliëntonderzoek niet op positieve wijze heeft kunnen afronden (artikel 5 jo. Artikel 3 Wwft).
4.5.
De bank heeft verschillende redenen gegeven waarom zij op grond van de Wwft geen contractuele relatie met de vennootschappen zou mogen aangaan. Al die redenen moeten volgens de bank worden bezien tegen de achtergrond dat [eiser 1] bemiddelt in de scheepsbouwtechniek, een sector die volgens haar recentelijk in het nieuws is gekomen wegens mogelijke omzeiling van sanctiewetten, door wederuitvoer aan gesanctioneerde partijen. Daar komt bij dat [eiser 1] actief is in Pakistan. Toen het initieel gestarte klantonderzoek naar [eiser 1] (in persoon) in 2021 begon, was Pakistan opgenomen op de EU lijst van “high-risk countries with strategic deficiencies” voor Wwft-doeleinden. Pakistan is begin 2023 van die lijst verwijderd, maar wordt nog steeds aangemerkt als “Jurisdiction under Increased monitoring” door de Financial Action Task Force, een internationaal samenwerkingsverband op het gebied van de voorkoming van witwassen en terrorismefinanciering. [eiser 1] heeft dat allemaal niet betwist.
4.6.
Hierna zal worden ingegaan op de concrete redenen waarom de bank niet met de vennootschappen wil contracteren.
4.7.
De bank voert aan dat zij niet kan vaststellen uit welke personen en entiteiten het zakelijke netwerk van [eiser 1] bestaat en in welke concrete eindproducten [eiser 1] bemiddelt, omdat [eiser 1] geen gehoor heeft gegeven aan verzoeken die de bank hieromtrent heeft gedaan. [eiser 1] heeft volgens de bank verklaard dat zij weet wie de eindgebruikers zijn, maar enigszins afwijkend en oncomfortabel gereageerd toen de bank vroeg wie dat zijn. [eiser 1] drong erop aan dat de bank dat aan [bedrijf 1] zou moeten vragen. [eiser 1] heeft echter een zelfstandige informatieplicht jegens de bank. Uiteindelijk heeft [eiser 1] een zeer globaal overzicht verstrekt van de goederen en partijen waaruit zij via een van haar Pakistaanse entiteiten inkomsten genereert. Dat bestand bevat echter geen namen van de (rechts)personen waarmee [eiser 1] heeft gehandeld en is niet vergezeld van een controleerbare onderbouwing. Tijdens de aanvraagprocedure heeft [eiser 1] bij herhaling verklaard dat zij voortborduurt op het zakelijk netwerk dat is opgebouwd door haar vader en haar compagnon. Het gaat, met andere woorden, om een informeel en persoonlijk netwerk. In dergelijke circuits kan het gebruikelijk zijn dat transacties niet worden gedocumenteerd, waardoor onderlinge transacties en (betaal)afspraken minder doorzichtig zijn. Dit maakt een dergelijk netwerk op zijn beurt kwetsbaar als medium voor mogelijk witwassen, corruptie of smeergeld.
4.8.
Mede in het kader van het wettelijk toezicht vanuit de EU op oneigenlijk gebruik van ‘dual-use’ goederen (goederen die zowel voor civiele als militaire doelen kunnen worden gebruikt) heeft de bank [eiser 1] gevraagd naar een overzicht van de eindproducten waarin zij bemiddelt. De bank heeft [eiser 1] gevraagd of zij gebruik maakt van zogenoemde “end-user statements”, een gebruikelijk document in de internationale handel ter controle van de eindgebruiker en het voorgenomen gebruik van ‘dual-use’ goederen. In antwoord op deze verzoeken antwoordde [eiser 1] op de hoogte te zijn van het begrip en de mogelijke problematiek rondom ‘dual-use’ goederen, maar stelde zij ook dat zij alleen in commerciële (civiele) goederen bemiddelt en daarom geen gebruik maakt van “end-user statements”. Dat antwoord verbaast de bank, omdat op de door [eiser 1] aangeleverde lijst met goederen een scheepsmotor staat vermeld, en een scheepsmotor ook een militair doel kan hebben.
4.9.
De bank heeft verder aangevoerd dat de door [eiser 1] verstrekte facturen van haar zakelijke partners geen duidelijk inzicht geven in de opbouw van aan [eiser 1] in persoon betaalde vergoedingen. Overeenkomsten met [bedrijf 1] en [bedrijf 2] , die daar meer duidelijkheid over zouden kunnen bieden, wil [eiser 1] niet geven vanwege contractuele geheimhoudingsverplichtingen die zij stelt te hebben. Ook de HS (douane)-codes van de goederen waarin ze bemiddelt kan ze niet geven en [eiser 1] heeft ook geen zicht op de specificaties van de goederen waarin zij bemiddelt. [eiser 1] heeft ook geen inzicht in de douanelijsten die worden ingevuld door de partijen waarvoor zij bemiddelt. Hierdoor is het voor de bank niet mogelijk om inzicht te verkrijgen in de opbouw van de door [eiser 1] ontvangen vergoedingen voor de door haar verrichte werkzaamheden, waardoor de bank niet kan nagaan of de vergoeding ook deugdelijk aansluit bij de goederen ten aanzien van de levering waarin [eiser 1] bemiddelt en de door haar verleende diensten. Daarmee is het doel en de beoogde aard van de zakelijke relatie voor de bank niet vast te stellen, waartoe zij op grond van artikel 3 lid 2 sub c Wwft wel verplicht is. Daarnaast kan niet worden uitgesloten dat het vermogen van [eiser 1] mede is opgebouwd uit gelden die afkomstig zijn uit corruptie of omkoping, wat te meer een risico is aangezien [eiser 1] als tussenpersoon fungeert. Hiermee loopt de Bank een onaanvaardbaar witwas, sanctie- en integriteitsrisico.
4.10.
De bank heeft ook andere dan Wwft-gerelateerde redenen om niet met de vennootschappen in zee te willen gaan. Omdat [eiser 1] heeft verklaard dat zij veelal bemiddelt voor de Pakistaanse marine, merkt de bank haar aan als actief in de defensiesector. De bank voert speciaal beleid voor klanten in de defensiesector. Dat beleid vloeit voort uit toezichtrechtelijke eisen op dit gebied. Voor alle klanten in de defensiesector stelt het beleid de volgende eisen:
4.11.
Omdat [eiser 1] handelt met bedrijven in Turkije en Pakistan, beide hoog-risicolanden, en [eiser 1] naar eigen zeggen in dual-use goederen bemiddelt, is de risicoclassificatie van [eiser 1] ‘high sensitive’. Voor klanten in deze risicocategorie stelt het beleid de volgende aanvullende eisen:
4.12.
Volgens de bank voldoet [eiser 1] niet aan de eisen die de bank in haar beleid stelt, omdat zij de vereiste (beleids)stukken niet heeft aangeleverd of niet kan aanleveren. De bank stelt dat het haar niet vrijstaat om in strijd met het gevoerde beleid zakelijke rekeningen aan [eiser 1] te verstrekken.
4.13.
Tot slot noemt de bank het uitstralingsrisico van [eiser 1] op haar vennootschappen, reden waarom de bank bij haar beslissing om geen relatie met de vennootschappen aan te gaan ook heeft betrokken dat zij nog steeds niet de gewenste duidelijkheid heeft over de herkomst van het vermogen van [eiser 1] .
4.14.
Hoewel de bank daar herhaaldelijk om heeft gevraagd, is haar geen (sluitende) documentatie overgelegd waaruit blijkt dat [eiser 1] sieraden heeft geërfd van haar oma en die heeft verkocht aan een “zakengezin” in Frankrijk, zoals zij stelt.
Conclusie ten aanzien van de zakelijke rekeningen
4.15.
De bank heeft uitvoerig uiteengezet dat en waarom zij geen relatie met de vennootschappen wil aangaan. Ook als [eiser 1] haar best heeft gedaan om de vragen van de bank te beantwoorden en niet meer informatie kan aanleveren dan zij heeft gedaan, neemt dat niet weg dat de geschetste risico’s voorshands reëel voorkomen – waarmee niet gezegd is dat [eiser 1] zich ook daadwerkelijk schuldig heeft gemaakt aan witwassen, terrorismefinanciering of andere strafbare feiten. Voorshands wordt er vanuit gegaan dat de bank inhoudelijke redenen – het risicoprofiel– heeft om niet met de vennootschappen te willen contracteren – en dat er dus geen sprake is van discriminatie, zoals namens [eiser 1] is gesteld.
4.16.
Niet gebleken is van bijzondere omstandigheden aan de zijde van [eiser 1] en haar vennootschappen die zwaarder wegen dan het belang van de bank om geen relatie met haar vennootschappen aan te gaan. Dat de huidige betaalstroom omslachtig en kostbaar is, is daarvoor onvoldoende. Er is dan ook geen grond om de bank te veroordelen om zakelijke rekeningen aan de vennootschappen te verstrekken.
4.17.
Dat een medewerker van de bank tegenover [eiser 1] zou hebben verklaard dat hij een positief advies op de aanvraag van de zakelijke rekeningen zou geven, leidt niet tot een ander oordeel. De beslissing was namelijk niet aan deze medewerker, zoals hij zelf ook tegen [eiser 1] heeft gezegd.
De IVR-registratie
4.18.
In haar conclusie van antwoord heeft de bank opgenomen dat zij op 24 oktober 2024 voor [eiser 1] de onderstaande IVR-registratie heeft gedaan:
“Negatief advies: bij hypotheekaanvraag is gebleken dat cl [lees: cliënt] niet kan aantonen waar inkomen vandaan komt en er is er een niet te traceren link met een Pakistaans bedrijf waarmee 7 ton gemoed is. Omdat cl IVR staat kan ze elders wel proberen een rekening aan te vragen.”
4.19.
Daarmee is de gevraagde informatie over de IVR-registratie verstrekt, zodat [eisers] geen belang meer heeft bij toewijzing van de vordering die is gericht op de IVR-registratie. Ook die vordering zal worden afgewezen.
Het klantdossier
4.20.
Welk belang [eisers] heeft bij het ontvangen van een kopie van de klantdossiers, heeft zij niet gesteld. De wens om de dossiers in te zien, lijkt te zijn ingegeven door de veronderstelling dat de bank andere redenen heeft om [eiser 1] als klant te weigeren dan de bank heeft gegeven. Voorshands zijn er echter geen aanwijzingen dat daarvan sprake is. De vordering tot afgifte van het klantdossier zal bij gebrek aan belang worden afgewezen. Het is dan ook niet nodig om nog in te gaan op wat de bank verder nog heeft aangevoerd tegen deze vordering.
4.21.
[eisers] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de bank worden begroot op:
- griffierecht
€
735,00
- salaris advocaat
€
1.177,00
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
2.101,00
5De beslissing
De voorzieningenrechter
5.1.
weigert de gevraagde voorzieningen,
5.2.
veroordeelt [eisers] in de proceskosten van € 2.101,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als zij niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. T.H. van Voorst Vader, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. E. van Bennekom, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2026. Bij afwezigheid van mr. Van Voorst Vader is dit vonnis ondertekend door mr. E.A. Messer, voorzieningenrechter, die het vonnis ook heeft uitgesproken.
Coll: GR