Menu

Filter op
content
PONT | Governance

0

ECLI:NL:RBAMS:2024:6869

Rechtbank Amsterdam 15 november 2024

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBAMS:2024:6869 text/xml public 2024-11-15T15:07:21 2024-11-11 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2024-11-08 13/224966-24 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Amsterdam Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2024:6869 text/html public 2024-11-15T08:43:53 2024-11-15 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2024:6869 Rechtbank Amsterdam , 08-11-2024 / 13/224966-24
Verdachte heeft samen met anderen een bedrag van in totaal € 219.750,- witgewassen. In dit geval heeft het witwassen van verdachte eraan bijgedragen dat met een schijnconstructie van valse facturen en vennootschappen duizenden euro’s konden worden rondgepompt, buiten het zicht van de (belasting)instanties. De rechtbank legt op een gevangenisstraf van negen maanden met aftrek van voorarrest, waarvan drie maanden voorwaardelijk en met een proeftijd van twee jaar en als bijzondere voorwaarde meldplicht.

vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling Publiekrecht

Team Strafrecht

Parketnummer: 13/224966-24

Datum uitspraak: 8 november 2024

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1972 in [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),

wonende op het adres [adres] ,

gedetineerd in [detentieplaats] .
<nr>1</nr>Onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 25 oktober 2024.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. R. Willemsen, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. A.M. Demirer, naar voren hebben gebracht.
<nr>2</nr>Beschuldiging
Verdachte wordt ervan beschuldigd dat hij op 11 juli 2024 in Amsterdam samen met anderen of een ander € 50.415,- en € 169.335,- heeft witgewassen.

De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
<nr>3</nr>Waardering van het bewijs 3.1.
Inleiding

In het onderzoek Telsen is [medeverdachte 1] in verband gebracht met de invoer van drugs. Vervolgens zijn alle gegevens van de bankrekeningen op naam van [medeverdachte 1] gevorderd. Uit de mutatieoverzichten van een van die rekeningnummers blijkt dat er regelmatig contante opnamen van € 5.000,- zijn verricht. Het vermoeden is dat verdachte met deze contante opnames in verband kan worden gebracht.

Verdachte wordt uiteindelijk verweten dat hij € 50.415,- en € 169.335,- aan contante bedragen heeft witgewassen.
3.2.
Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat kan worden bewezen dat verdachte de geldbedragen van € 50.415,- en € 169.335,- heeft witgewassen. Hij kan voor deze bedragen – die onder hem en in zijn woning zijn aangetroffen – verantwoordelijk worden gehouden.

Het dossier bevat voldoende aanknopingspunten om te spreken van een witwasvermoeden. Verdachte heeft geen verklaring afgelegd over een eventuele legale herkomst van de geldbedragen en zelfs het vermoeden van een illegale herkomst versterkt. Daarmee kan opzetwitwassen worden bewezen. Verdachte heeft dit feit in ieder geval samen met [medeverdachte 2] gepleegd. Door het pinnen van de geldbedragen, deze vervolgens in enveloppen te doen en daarna afdragen aan klanten, heeft verdachte de bedragen verworven, voorhanden gehad, omgezet en er gebruik van gemaakt.
3.3.
Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken van opzetwitwassen. Uit de chatgesprekken, de omstandigheid dat verdachte niet ongelimiteerd de beschikking had tot de pinpassen, het zonder vermomming pinnen bij steeds dezelfde pinautomaten, de door [medeverdachte 2] geplaatste kluis en het camerasysteem en de inschrijvingen van twee Bulgaren op zijn adres volgt dat verdachte geen sturende, maar een ondergeschikte rol had in de witwasconstructie. Hij wist niet dat de geldbedragen mogelijk van enig misdrijf afkomstig waren. Daarmee kan opzetwitwassen niet worden bewezen.

Daarnaast heeft de raadsman bepleit dat verdachte partieel moet worden vrijgesproken van de ten laste gelegde verhullende en verbergende witwashandelingen.

Verder heeft verdachte op de zitting en tijdens zijn verhoor bij de politie op 4 september 2024 over het bedrag van € 169.335,- verklaard dat hij geen wetenschap had van dit bedrag. [medeverdachte 2] zou dit geld in zijn woning hebben neergelegd toen verdachte niet thuis was en een geldbedrag aan het pinnen was.
3.4.
Oordeel van de rechtbank

Bij de aanhouding van verdachte is in een zwarte schoudertas € 50.415,- aangetroffen. Bij de doorzoeking van de woning van verdachte is € 169.335,- aangetroffen. De rechtbank is van oordeel dat verdachte deze geldbedragen heeft witgewassen en overweegt daartoe als volgt.

Uit misdrijf afkomstig

Op basis van het dossier kan niet worden vastgesteld dat de geldbedragen afkomstig zijn uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Echter, ook als niet duidelijk is uit welk specifiek misdrijf voorwerpen afkomstig zijn, kan witwassen daarvan in bepaalde gevallen worden bewezen. Hiervan is sprake als de rechtbank kan vaststellen dat het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan dan dat de voorwerpen uit enig misdrijf afkomstig zijn.

Witwasvermoeden en de verklaring van verdachte

Daarvoor is allereerst vereist dat wordt vastgesteld dat de door het Openbaar Ministerie aangedragen feiten en omstandigheden van zodanige aard zijn dat sprake is van een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen. De rechtbank is van oordeel dat daarvan sprake is.

Bij verdachte en in zijn woning zijn grote hoeveelheden contante geldbedragen aangetroffen, terwijl verdachte niet over een legaal inkomen beschikt waaruit deze geldbedragen kunnen worden verklaard. Daarnaast zijn in de woning van verdachte een geldtelmachine, een kluis en verschillende bankpassen op naam van andere personen en bedrijven aangetroffen. Verdachte droeg ook verschillende bankpassen op naam van andere personen en bedrijven bij zich op het moment dat hij is aangehouden. Met deze personen en bedrijven heeft verdachte geen enkele connectie. Ook staan er twee Bulgaarse personen op zijn adres ingeschreven waar hij geen connectie mee heeft.

Verdachte heeft op 4 september 2024 bij de politie verklaard dat hij de bankpassen met bijbehorende pincodes van [medeverdachte 2] heeft gekregen. Ook heeft hij verklaard dat de bedrijven waarvan de bankpassen zijn aangetroffen, in opdracht van [medeverdachte 2] , [medeverda] en [medeverdachte 3] zijn opgericht door Bulgaren, maar dat deze Bulgaren zelf geen activiteiten in de bedrijven verrichten. Uit het dossier blijkt dat een aantal Bulgaren ook niet meer in Nederland staat ingeschreven, terwijl de ondernemingen op naam van deze Bulgaren wel in de Kamer van Koophandel als gevestigd in Nederland staan geregistreerd.

Daarnaast heeft verdachte verklaard dat hij van [medeverdachte 2] de opdracht heeft gekregen om geld te pinnen en dat de werkwijze er als volgt uit ziet. [medeverdachte 2] , [medeverda] en [medeverdachte 3] maken facturen op naam van de Bulgaarse bedrijven op. Deze facturen sturen zij naar hun klanten. De klanten betalen de facturen en maken het geld over naar de rekeningen, waarna [medeverdachte 2] aan verdachte en anderen de opdracht geeft om met de gekregen pinpassen en pincodes geldbedragen (telkens het maximum van € 5.000,‑) te pinnen. Uit de verklaring van verdachte blijkt ook dat op een van de bankrekeningen op systematische wijze telkens grote bedragen v zijn gepind. Nadat het geld is gepind, komt [medeverdachte 2] het geld ophalen bij verdachte. Soms pint [medeverdachte 2] zelf ook en neemt [medeverdachte 2] ook zakken of tassen met geld mee naar de woning van verdachte. Het geld wordt verdeeld (in enveloppen) en contant teruggegeven aan de klanten van [medeverdachte 2] , [medeverda] en [medeverdachte 3] , die het geld via de facturen op de rekeningen hebben gestort.

Dit alles wijst erop dat sprake is van een schijnconstructie waarbij katvangers zijn ingezet om de daadwerkelijk betrokkenen uit het zicht van autoriteiten te houden. De rechtbank vindt daarom dat er, ook in onderlinge samenhang bezien, sprake is van een witwasvermoeden.

Indien sprake is van een witwasvermoeden dat verdachte wil weerleggen, mag van verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft over de legale herkomst van de geldbedragen. Die verklaring heeft verdachte niet gegeven, integendeel. Verdachte heeft immers verklaard dat [medeverdachte 2] tegen hem heeft gezegd dat sprake is van belastingontduiking en dat klanten van [medeverdachte 2] , [medeverda] en [medeverdachte 3] in het kader daarvan facturen laten opstellen voor hun bedrijven.

Conclusie

De rechtbank stelt op basis van het voorgaande vast dat het niet anders kan dan dat de geldbedragen uit misdrijf afkomstig zijn.

Witwashandelingen

De rechtbank is van oordeel dat ten aanzien van de geldbedragen verschillende witwashandelingen zijn gepleegd. Daartoe overweegt zij als volgt.

Witwashandelingen ten aanzien van het geldbedrag van € 50.415,- en partiële vrijspraak

Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij het geldbedrag van € 50.000,- op de dag van de aanhouding van tien verschillende rekeningen heeft gepind. Door het pinnen heeft verdachte dit geldbedrag verworven en voorhanden gehad. Het bedrag van € 415,- had hij in zijn portemonnee in diezelfde tas bij zich en dus voorhanden.

Anders dan de raadsman heeft bepleit, is de rechtbank van oordeel dat verdachte ook verhullingshandelingen heeft verricht. Het pinnen van het geldbedrag betreft een handeling die, naar het oordeel van de rechtbank, bedoeld is om de herkomst van het geld te verhullen. Zolang het geld immers 'giraal' is, laat het een spoor na. Dit spoor stopt op het moment dat het geld contant wordt opgenomen. Dan is dus niet meer te achterhalen wie de rechthebbenden van het gepinde bedrag zijn. Bovendien is sprake van omzetting, nu het geld contant is opgenomen (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:HR:2017:228).

De rechtbank vindt niet bewezen dat verdachte het geldbedrag heeft overgedragen of daarvan gebruik heeft gemaakt, zoals door de officier van justitie is gesteld. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken. Ook wordt verdachte vrijgesproken van het verbergen en verhullen van de werkelijke aard, herkomst, vindplaats, vervreemding en verplaatsing van dit geldbedrag.

Witwashandeling ten aanzien van het geldbedrag van € 169.335,- en partiële vrijspraak

De rechtbank is verder van oordeel dat verdachte het geldbedrag van € 169.335,- voorhanden heeft gehad. Voor het – als pleger – voorhanden hebben van een voorwerp in de zin van artikel 420bis, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) is vereist dat de verdachte het voorwerp opzettelijk aanwezig had. Dat houdt in dat de verdachte zich bewust was van de (waarschijnlijke) aanwezigheid van het voorwerp, zonder dat die bewustheid zich hoeft uit te strekken tot de precieze eigenschappen en kenmerken van dat voorwerp (waaronder begrepen de precieze omvang van een geldbedrag) of tot de exacte locatie daarvan (zie onder meer ECLI:NL:HR:2020:570).

Verdachte ontkent dat hij van het geld dat in de kluis en op de andere plekken in de woning is aangetroffen, afwist. De rechtbank stelt voorop dat er in beginsel vanuit kan worden gegaan dat iemand weet wat zich in zijn woning bevindt.

Verdachte heeft verklaard dat [medeverdachte 2] zelf wel eens geld pinde, het geld in supermarkttassen meenam en enige tijd in verdachtes woning achterliet. Het geld werd op verschillende plekken neergelegd, namelijk in de kast en in de kluis. Verdachte was dus op de hoogte van het bestaan van de kluis en dat [medeverdachte 2] deze gebruikte om daar geld in neer te leggen. Bovendien lag de sleutel van die kluis in de woning, ook toen [medeverdachte 2] daar niet (meer) aanwezig was. Verder heeft verdachte verklaard dat het geld werd verdeeld en in enveloppen werd gedaan.

Deze handelswijze komt overeen met de wijze waarop het geldbedrag van € 169.335,- in de woning van verdachte is aangetroffen. De rechtbank is van oordeel dat verdachte gelet op zijn wetenschap over deze handelswijze bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [medeverdachte 2] grote hoeveelheden geld in zijn woning achterliet. Daarmee is bewezen dat verdachte het geld dat in zijn woning is aangetroffen opzettelijk aanwezig heeft gehad.

Niet is bewezen dat verdachte ten aanzien van het geldbedrag van € 169.335,- andere witwashandelingen heeft gepleegd, zodat de rechtbank hem daarvan vrijspreekt.

Opzet

De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat verdachte wist dat het geld van misdrijf afkomstig was.

Opzet ten aanzien van het geldbedrag van € 50.415,-

Verdachte was zich namelijk bewust van de werkwijze en het feit dat de Bulgaren zelf geen activiteiten verrichten in de door hen opgerichte bedrijven. Ook heeft [medeverdachte 2] tegen verdachte gezegd dat het geld afkomstig is van belastingontduiking. Toch heeft verdachte grote contante bedragen gepind en wist hij dat die bedragen vervolgens weer aan dezelfde personen werden teruggegeven als de personen die de facturen hadden betaald.

Opzet ten aanzien van het geldbedrag van € 169.335,-

Uit de hiervoor opgeschreven handelswijze rondom de contante bedragen die verdachte en [medeverdachte 2] in verdachtes huis opsloegen, maakt de rechtbank ook ten aanzien van de € 169.335,- op dat verdachte – in ieder geval – bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat ook die geldbedragen van misdrijf afkomstig zijn.

Medeplegen

De rechtbank is tot slot van oordeel dat verdachte voorgaande witwashandelingen samen met anderen heeft gepleegd. Op basis van de verklaring van verdachte stelt de rechtbank vast dat er naast verdachte en [medeverdachte 2] meerdere personen bij de witwasconstructie zijn betrokken. De rechtbank vindt dat de bijdrage van verdachte, te weten het pinnen en weer teruggeven van het geld in contanten, waarbij soms geld in enveloppen is gedaan voor klanten, van voldoende gewicht is binnen deze constructie, zodat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking.
<nr>4</nr>Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in bijlage II vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

op 11 juli 2024 te Amsterdam tezamen en in vereniging met anderen een voorwerp, te weten een geldbedrag van € 50.415,-, heeft verworven, voorhanden gehad en omgezet en heeft verhuld wie de rechthebbende was, terwijl hij, verdachte, wist dat dit voorwerp – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was uit enig misdrijf

en

op 11 juli 2024 te Amsterdam tezamen en in vereniging met anderen een voorwerp, te weten een geldbedrag van € 169.335,-, voorhanden heeft gehad, terwijl hij, verdachte, wist dat dit voorwerp – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was uit enig misdrijf.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
<nr>5</nr>Strafbaarheid van het feit
Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
<nr>6</nr>Strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
<nr>7</nr>Motivering van de straf 7.1.
Eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van achttien maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan zes maanden voorwaardelijk en met een proeftijd van twee jaren. Zij heeft gevorderd dat aan de proeftijd een meldplicht en ambulante behandeling als bijzondere voorwaarden worden verbonden.

De officier van justitie heeft een hogere straf gevorderd dan dat de LOVS oriëntatiepunten bij een benadelingsbedrag van ongeveer € 220.000,- voorschrijven, omdat zij vindt dat rekening moet worden gehouden met de omvang van het grotere geheel en het aandeel van verdachte daarin. Uit het dossier volgt namelijk dat verdachte een belangrijke rol heeft gespeeld in een zorgvuldig vormgegeven witwasconstructie. Ook geeft het dossier aanknopingspunten dat verdachte al langer beschikt over geldbedragen die niet verklaarbaar zijn vanuit zijn eigen inkomen.
7.2.
Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair verzocht een straf op te leggen die gelijk is aan het voorarrest. Subsidiair is zijn verzoek om daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf of een taakstraf op te leggen. Daarbij verzoekt de raadsman rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, te weten de medische en financiële situatie van verdachte en de ziekte van zijn moeder.
7.3.
Oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen verklaarde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Ernst van de feiten

Verdachte heeft samen met anderen een bedrag van in totaal € 219.750,- witgewassen. Witwassen is een ernstig feit dat de integriteit van het financiële en economische verkeer aantast. Door het witwassen van crimineel vermogen wordt de onderliggende criminaliteit gefaciliteerd. In dit geval heeft het witwassen van verdachte eraan bijgedragen dat met een schijnconstructie van valse facturen en vennootschappen duizenden euro’s konden worden rondgepompt, buiten het zicht van de (belasting)instanties. Het maatschappelijk belang om dergelijk handelen tegen te gaan is groot en daarom is een forse strafrechtelijke reactie passend.

LOVS oriëntatiepunten

De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf gekeken naar de afspraken voor strafoplegging die de rechtbanken onderling hebben gemaakt (de LOVS oriëntatiepunten). Er is geen oriëntatiepunt met betrekking tot witwassen, maar het oriëntatiepunt Fraude wordt van toepassing verklaard op witwassen, indien dit in een frauduleuze context plaats vindt. De rechtbank vindt dat, gelet op de verklaring van verdachte dat het witwassen heeft plaatsgevonden in het kader van belastingontduiking, kan worden aangesloten bij deze oriëntatiepunten. Bij een benadelingsbedrag van € 219.750,- is een gevangenisstraf van negen tot twaalf maanden het uitgangspunt.

Hoewel in het algemeen in strafverzwarend zin meeweegt dat verdachte het witwassen in een georganiseerd verband heeft gepleegd, zal de rechtbank dat verdachte in dit geval niet zwaar aanrekenen, omdat uit de chatberichten volgt dat verdachte zich vermoedelijk in een dwingend netwerk bevond en dat hij werd aangestuurd door [medeverdachte 2] . De rechtbank ziet anders dan de officier van justitie geen aanleiding om de omvang van het grotere geheel mee te wegen, omdat dat niet is ten laste gelegd.

Persoon van verdachte

Bij het bepalen van de strafmaat heeft de rechtbank ook gekeken naar het strafblad van verdachte van 17 september 2024. Daaruit volgt dat verdachte niet eerder voor een soortgelijk feit is veroordeeld.

Uit een rapport van Reclassering Inforsa van 17 juli 2024, opgemaakt ten behoeve van de voorgeleiding bij de rechter-commissaris, komt naar voren dat verdachte heeft verklaard dat hij zijn leven aardig op de rit had tot zijn vader een jaar geleden overleed. Hij zou zijn benaderd door “slechte mensen” om geld te pinnen. Hij verdiende hier dan wat geld mee, met als doel te sparen voor het graf. De reclassering heeft in het kader van een schorsing van de voorlopige hechtenis geadviseerd om daaraan de meldplicht en ambulante behandeling als bijzondere voorwaarden te verbinden.

Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van de op de zitting ter sprake gekomen persoonlijke omstandigheden van verdachte. De rechtbank ziet hierin aanleiding om een deel van de straf als voorwaardelijk deel op te leggen, omdat verdachte heeft verklaard dat hij zich destijds vanwege zijn kwetsbare situatie heeft laten verleiden om aan de witwasconstructie mee te werken. De rechtbank heeft er gelet op zijn huidige persoonlijke omstandigheden onvoldoende vertrouwen in dat verdachte zonder toezicht van de reclassering in staat is om weerstand te bieden tegen een vergelijkbaar aanbod, mocht zich dat voor gaan doen. De rechtbank zal daarom een gedeelte van de op te leggen straf in voorwaardelijke zin op leggen en daaraan de bijzondere voorwaarde verbinden dat verdachte tijdens zijn proeftijd met de reclassering in contact staat. De officier van justitie heeft ook gevorderd dat verdachte ambulant moet worden behandeld, maar vanwege het ontbreken van een concrete onderbouwing waar de behandeling op zou moeten zien, ziet de rechtbank daartoe geen aanleiding.

De straf

De rechtbank acht gelet op het bovenstaande een gevangenisstraf van negen maanden met aftrek van voorarrest, waarvan drie maanden voorwaardelijk en met een proeftijd van twee jaar passend. De rechtbank zal aan de proeftijd de bijzondere voorwaarde verbinden dat verdachte zich bij de reclassering moet melden.

8. Voorlopige hechtenis
8.1.
Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte op te heffen. Hij heeft bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken van opzetwitwassen, zodat het bepaalde in artikel 67a, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering aan de orde is (hierna: Sv). Daarnaast is geen sprake meer van herhalingsgevaar, zodat de voorlopige hechtenis moet worden opgeheven vanwege het ontbreken van gronden.

Subsidiair is het verzoek van de raadsman om het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte te schorsen, vanwege de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Verdachte kampt met nierproblemen en heeft een hartritmestoornis. Ook is hij sinds 2010 Hiv-positief. De zorg in de Penitentiaire Inrichting is onvoldoende. Tot slot is zijn moeder gediagnosticeerd met darmkanker en blijkt dit in een vergevorderd stadium te zijn. Het is voor verdachte van belang dat hij afscheid kan nemen van zijn moeder.
8.2.
Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verzoeken moeten worden afgewezen. De medische zorg van verdachte in de Penitentiaire Inrichting is voldoende. Voor het nemen afscheid van zijn moeder kan verdachte een verzoek voor tijdelijk verlof indienen bij de Penitentiaire Inrichting.
8.3.
Oordeel van de rechtbank

Afwijzing verzoek opheffing bevel tot voorlopige hechtenis

De rechtbank wijst het verzoek tot opheffing van het bevel tot voorlopige hechtenis af.

Ernstige bezwaren

De bezwaren die tot het verlenen van het bevel tot voorlopige hechtenis hebben geleid zijn gelet op de bewezenverklaring van opzetwitwassen onverkort aanwezig.

Gronden

Ook het herhalingsgevaar is onverkort aanwezig. De rechtbank verwijst ten aanzien van het herhalingsgevaar naar de motivering in de beslissingen van de rechtbank van 29 juli 2024 en het hof van 21 augustus 2024 en neemt deze over. Daarnaast verwijst de rechtbank naar de overweging in dit vonnis onder 7.3, namelijk dat zij er vanwege de huidige persoonlijke omstandigheden van verdachte geen vertrouwen in heeft dat verdachte zonder toezicht van de reclassering niet opnieuw de fout in zal gaan. De rechtbank vindt dat de onderzoeksgrond niet langer aanwezig is, zodat deze komt te vervallen.

Artikel 67a, derde lid, Sv

De rechtbank heeft bewezen verklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan opzetwitwassen en heeft gelet hierop de bovengenoemde straf aan verdachte opgelegd. Van het bepaalde in artikel 67a, derde lid, Sv is daarom geen sprake.

Afwijzing verzoek schorsing bevel tot voorlopige hechtenis

De rechtbank ziet geen aanleiding om over te gaan tot schorsing van het bevel tot voorlopige hechtenis en wijst dit verzoek ook af. De rechtbank vindt dat het strafvorderlijk belang bij voortzetting van de voorlopige hechtenis zwaarder weegt dan het persoonlijk belang van verdachte. De rechtbank ziet het belang van verdachte om afscheid te kunnen nemen van zijn moeder, maar haar exacte levensverwachting is nog onduidelijk op dit moment. Mocht die situatie wijzigen, dan kan verdachte een verzoek voor tijdelijk verlof indienen bij de Penitentiaire Inrichting.
<nr>9</nr>Beslag
Onder verdachte zijn geldbedragen, pinpassen, een geldtelmachine, twee telefoons (iPhone en Samsung), een SD-kaart en twee computers in beslag genomen.
9.1.
Standpunt van partijen

De officier van justitie heeft gevorderd dat de geldbedragen, de pinpassen, de geldtelmachine en één van de telefoons verbeurd worden verklaard, omdat het feit is begaan en gepleegd met deze voorwerpen. De SD-kaart en computers kunnen worden teruggegeven aan verdachte. Over de andere telefoon heeft de officier van justitie geen standpunt ingenomen.

De raadsman heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van het beslag.
9.2.
Oordeel van de rechtbank

De rechtbank verklaart de geldbedragen, pinpassen, geldtelmachine en de iPhone verbeurd, omdat verdachte met deze voorwerpen het feit heeft begaan.

De rechtbank zal de SD-kaart, de Samsung en de twee computers teruggeven aan verdachte.
<nr>10</nr>Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 47, 57 en 420bis Sr.
<nr>11</nr>Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

- witwassen, meermalen gepleegd

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 (negen) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Bepaalt dat een gedeelte, groot 3 (drie) maanden, van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De tenuitvoerlegging kan ook worden bevolen als de veroordeelde gedurende de proeftijd niet aan de hierna vermelde bijzondere voorwaarden voldoet.

- Meldplicht bij reclassering

Veroordeelde meldt zich op een door de reclassering te bepalen datum en tijdstip bij Reclassering Inforsa op het adres [adres reclassering] . Veroordeelde blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt.

Geeft aan de reclassering de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:

ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zo lang als de reclassering dit noodzakelijk acht.

Wijst af het verzoek tot opheffing dan wel schorsing van het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte.

Verklaart verbeurd:

- nr. 5: 1 STK Bankpas (goednr. 247163);

- nr. 6: 1 STK Bankpas (goednr. 247164);

- nr. 7: 1 STK Bankpas (goednr. 247165);

- nr. 8: 1 STK Bankpas (goednr. 247166);

- nr. 9: 1 STK Bankpas (goednr. 247167);

- nr. 10: 1 STK Bankpas (goednr. 247168);

- nr. 11: 1 STK Bankpas (goednr. 247169);

- nr. 12: 1 STK Bankpas (goednr. 247170);

- nr. 13: 1 STK Bankpas (goednr. 247171);

- nr. 14: 1 STK Bankpas (goednr. 247172);

- nr. 15: 1 STK Bankpas (goednr. 247173);

- nr. 16: 1 STK Bankpas (goednr. 247174);

- nr. 17: Geldtelmachine (goednr. 247175);

- nr. 18: 1 STK Telefoontoestel (Omschrijving: Apple Iphone, goednr. 247224);

- nr. 19: 1 STK Bankpas (goednr. 247443);

- nr. 20: 1 STK Bankpas (goednr. 247445);

- nr. 21: 1 STK Bankpas (goednr. 247446);

- nr. 22: 1 STK Bankpas (goednr. 247447);

- nr. 23: 1 STK Bankpas (goednr. 247463);

- nr. 24: 1 STK Bankpas (goednr. 247464);

- nr. 25: 1 STK Bankpas (goednr. 247465);

- nr. 26: 1 STK Bankpas (goednr. 247466);

- nr. 27: 1 STK Bankpas (goednr. 247467);

- nr. 28: 1 STK Bankpas (goednr. 247468);

IBN-code H.02.01.001: € 28.590,- (goednr. 247178);

IBN-code H.02.01.002: € 45.000,- (goednr. 247179);

IBN-code H.02.01.003: € 65.395,- (goednr. 247180);

IBN-code H.02.02.001: € 28.800,- (goednr. 247182);

IBN-code H.03.01.001: € 1.550,- (goednr. 247194);

IBN-code I.02.01.001: € 49.900,- (goednr. 247343);

IBN-code I.02.01.002: € 515,- (goednr. 247344).

Gelast de teruggave aan verdachte, [verdachte] , van:

- nr. 1: SD kaart;(goednr. 247189)

- nr. 2: 1 STK Computer (Omschrijving: Packard Bell, goednr. 247197);

- nr. 3: 1 STK Telefoontoestel (Omschrijving: Samsung, goednr. 247199);

- nr. 4: 1 STK Computer (Omschrijving: Asus, goednr. 247200).

Dit vonnis is gewezen door

mr. M. Vaandrager, voorzitter,

mrs. C. Huizing-Bruil en M.A. Boerhorst, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. G. Brokkelkamp, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 8 november 2024.

Artikel delen