Curaçao. Vervolg op ECLI:NL:OGHACMB:2025:267. Verdeling huwelijksgoederengemeenschap. Eindvonnis.
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba 21 augustus 2026
Jurisprudentie – Uitspraken
ECLI
ECLI:NL:OGHACMB:2026:234
Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
21-08-2026
Datum publicatie
21-08-2026
Zaaknummer
CUR2019H00414
Rechtsgebied
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
ECLI:NL:OGHACMB:2026:234text/xmlpublic2026-08-21T18:13:452026-08-21Raad voor de RechtspraaknlGemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba2026-08-18CUR2019H00414UitspraakHoger beroepNLCiviel rechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGHACMB:2026:234text/htmlpublic2026-08-21T18:12:182026-08-21Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:OGHACMB:2026:234 Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba , 18-08-2026 / CUR2019H00414 Curaçao. Vervolg op ECLI:NL:OGHACMB:2025:267. Verdeling huwelijksgoederengemeenschap. Eindvonnis.
Burgerlijke zaken over 2026
Registratienummers: CUR201500988 – CUR2019H00414
Uitspraak: 18 augustus 2026 GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba V O N N I S in de zaak van: 1[ERFGENAAM 1], wonende in Curaçao,
oorspronkelijk gedaagde in conventie, eiseres in reconventie,
thans appellante,
gemachtigde: voorheen mr. E. Bokkes, thans mr. A.K.E. Henriquez, en: 2[ERFGENAAM 2], wonende te [woonplaats 1], Nederland,
oorspronkelijk gedaagde in conventie, eiseres in reconventie,
thans appellante,
gemachtigde: mr. E. Bokkes,
3. [ERFGENAAM 3],
wonende te [woonplaats 2], Nederland,
oorspronkelijk gedaagde in conventie, eiseres in reconventie,
thans appellante,
gemachtigde: mr. E. Bokkes, en: 4[ERFGENAAM 4], wonende in Curaçao,
oorspronkelijk gedaagde in conventie, eiser in reconventie,
thans (incidenteel) appellant na oproeping op de voet van art. 12a Rv,
gemachtigde: mr. A.K.E. Henriquez, tegen: 5[ERFGENAAM 5], wonende in Curaçao,
oorspronkelijk eiseres in conventie, gedaagde in reconventie,
thans geïntimeerde,
gemachtigde: mr. A.K.E. Henriquez. Partijen worden hierna genoemd (op volgorde van leeftijd):
[erfgenaam 5], [erfgenaam 4] en [erfgenaam 1] worden genoemd: [erfgenaam 5] c.s.
[erfgenaam 2] en [erfgenaam 3] worden genoemd: [erfgenaam 2] c.s.
1. Het verdere verloop van de procedure 1.1 Bij vonnis van 4 november 2025 (het vijfde tussenvonnis) heeft het Hof een tweede aanvullend voorschot op de schadeloosstelling en het loon voor de deskundige bepaald en verdere beslissingen gegeven. 1.2 Op 20 maart 2026 heeft de deskundige een deskundigenbericht ingediend. 1.3 Op 2 juni 2026 hebben [erfgenaam 5] c.s. en [erfgenaam 2] c.s. elk een conclusie na deskundigenbericht ingediend. Aan die van [erfgenaam 5] c.s. zijn producties gehecht. Bij akte van 30 juni 2026 hebben [erfgenaam 2] c.s. zich uitgelaten over die producties. 1.4 Vonnis is bepaald op vandaag. 2. De verdere beoordeling 2.1 De deskundige heeft op p. 34 van het deskundigenbericht opgemerkt dat het na zo’n lange periode waarbij zaken en emoties/disputen kriskras door elkaar lopen, bijna onmogelijk lijkt om de waarheid boven tafel te krijgen. De administraties zijn onvolledig en er is te veel gebeurd. Het Hof verenigt zich daarmee en voegt eraan toe dat deze procedure meer dan tien jaar geleden is begonnen en dat partijen op leeftijd zijn: [erfgenaam 5] is met 90 jaar de oudste; [erfgenaam 3] is met 77 jaar de jongste. Partijen hebben na het deskundigenbericht niet aangeboden bepaalde stellingen met getuigen te bewijzen. Gelet op dit alles zal het Hof geen bewijs opdragen en geen comparitie van partijen en geen aanvullend onderzoek gelasten, maar een eindvonnis wijzen. Zoals het Hof onder 2.14 van het vonnis van 21 maart 2023 heeft overwogen, kunnen bestanddelen die mogelijk later blijken te bestaan, later worden verdeeld. 2.2 De rechtsverhouding tussen partijen wordt beheerst door de redelijkheid en billijkheid (art. 3:166 lid 3 BW). Bij de vaststelling van een verdeling dient de rechter naar billijkheid rekening te houden met de belangen van partijen en het algemeen belang (art. 3:185 lid 1 BW). Tot die belangen behoort dat de procedure niet onredelijk lang duurt. 2.3 De deskundige heeft als antwoord op vraag 1 opgemerkt (p. 4 van het deskundigenbericht), verkort weergegeven, dat hij in de nalatenschap van de vader geen andere vermogensbestanddelen heeft aangetroffen dan de aandelen/certificaten in de [FMG] en het ouderlijk huis. De nalatenschap van de moeder bestond in de aandelen in (...) (hierna: FIBV) en haar aandeel in het ouderlijk huis, aldus de deskundige. 2.4 De deskundige heeft vervolgens vraag 7 beantwoord. Kort gezegd heeft hij het volgende gerapporteerd. De koopprijs van de (...)-vennootschappen bij de verkoop in 2010 werkt rechtstreeks door in de waarde van de certificaten van aandelen in FIBV. FIBV heeft (bedrijfseconomisch gezien) een vordering ter zake van een onbetaald deel van de koopsom van ongeveer NAf 2,3 miljoen. Er moet een rente-effect in beschouwing worden genomen. Bij een rente van 2,7% komt de vordering uit op NAf 3.166.000 per 31 december 2023 (de einddatum van de meest actuele jaarrekening van FIBV die beschikbaar is). De hoogte van deze rente heeft de deskundige berekend op basis van een analyse van het door FIBV gemaakte rendement op de liquide middelen die renderend bij lokale commerciële banken zijn belegd in de periode 2012-2023 (p. 19, 23 en 29 van het deskundigenbericht). 2.5 Het Hof laat in het midden of vraag 7 zag op het begroten van een vordering op basis van een bedrijfseconomische analyse. Ook als dat niet zo is, kan het antwoord van de deskundige in de beoordeling worden betrokken. Partijen hebben zich immers kunnen uitlaten over het deskundigenbericht van de deskundige en zij hebben dat ook gedaan. Het Hof is van oordeel dat de economische analyse van de deskundige van belang is voor een billijke verdeling van de nalatenschappen. De door de deskundige genoemde bedragen van NAf 2,3 miljoen en NAf 3.1660.000 zijn gebaseerd op schattingen en aannames, zoals verantwoord in het deskundigenbericht. Voor zover partijen menen dat deze bedragen correctie behoeven, is dat standpunt in het licht van de verantwoording van de deskundige onvoldoende gemotiveerd. Daarom gaat het Hof eraan voorbij. 2.6 Het standpunt van [erfgenaam 5] c.s. dat met deze “vordering uit onbetaalde koopsom” geen rekening mag worden gehouden wegens verjaring wordt verworpen. De verkoop heeft plaatsgehad in 2010. Daarna heeft [erfgenaam 5] de andere erfgenamen meermalen verzocht om mee te werken aan een verdeling. Vervolgens heeft notaris Burgers op 2 juni 2015 een ontwerp van een akte van verdeling opgesteld, waarna deze procedure is begonnen met het verzoekschrift van 12 november 2015. Indien rekening wordt gehouden met de door de deskundige omschreven “vordering uit onbetaalde koopsom”, komt dat ten goede aan FIBV en daarmee aan alle erfgenamen, maar gaat dat ten koste van [H] (hierna: [H]), de vennootschap van [zoon erfgenaam 5], de zoon van [erfgenaam 5]. [erfgenaam 5] is de procedure begonnen met het verlangen dat de nalatenschappen zouden worden verdeeld. Iedere erfgenaam mocht zich tegen de destijds door [erfgenaam 5] verlangde verdeling verdedigen en mag zich tegen de nu door haar verlangde verdeling verdedigen door aan te voeren dat bij de verdeling rekening moet worden gehouden met argumenten die de waarde van FIBV verhogen. Hoewel de “vordering uit onbetaalde koopsom” niet rechtstreeks kan worden aangemerkt als een overgeslagen goed in de zin van art. 3:179 lid 2 BW (omdat als het al een schuldvordering is in juridische zin, die niet toekomt aan de nalatenschappen, maar aan de verkoper: (...) (hierna: FMC)), strookt het met de ratio van die bepaling om het beroep op verjaring te verwerpen. 2.7 Op overeenkomstige gronden verwerpt het Hof het beroep van [erfgenaam 5] c.s. op rechtsverwerking en op de redelijkheid en billijkheid. Hetgeen hiervoor onder 2.6 is overwogen, brengt mee dat er geen reden is om aan te nemen dat de [erfgenaam 2] c.s. het recht hebben verwerkt om aanspraak te maken op deze “vordering uit onbetaalde koopsom” of dat de eisen van de redelijkheid en billijkheid in de weg staan aan die aanspraak. 2.8 In 2010 heeft FMC aandelen verkocht aan [H]. Contractspartijen bij die koop waren dus FMC en [H]. Indien bij die koop kwijting is verleend voor de koopsom, heeft FMC dat gedaan. [erfgenaam 5] c.s. hebben onvoldoende gesteld om aan te nemen dat bij die koop (ook) rechtsgeldig door of namens [erfgenaam 2] c.s. kwijting is verleend, laat staan dat [erfgenaam 2] c.s. thans aan die kwijting gebonden zouden zijn. 2.9 In hun conclusie na deskundigenbericht hebben [erfgenaam 5] c.s. aangevoerd dat in art. 11 van de overeenkomst uit februari 2011 is overeengekomen dat eerdere afspraken vervallen zodra de koopprijs is voldaan. Die bepaling moet echter zo worden uitgelegd dat die ziet op overeenkomsten die eerder zijn gesloten tussen de partijen bij de overeenkomst uit februari 2011, dat wil zeggen tussen [erfgenaam 5] c.s., [erfgenaam 2] c.s. en hun moeder. Daaronder valt niet de overeenkomst waarbij FMC aandelen heeft verkocht aan [H]. 2.10 Ook voor het overige hebben [erfgenaam 5] c.s. onvoldoende concreet gesteld dat [erfgenaam 2] c.s. het recht om aanspraak te maken op de “vordering uit onbetaalde koopsom” hebben prijsgegeven en wanneer en op welke wijze zij dat hebben gedaan. Hun standpunt dat [erfgenaam 2] c.s. dat recht hebben prijsgegeven, wordt daarom verworpen. 2.11 Het Hof zal rekening houden met hetgeen de deskundige aanduidt als een vordering uit onbetaalde koopsom. 2.12 Na beantwoording van vraag 7 heeft de deskundige de vragen 2 (deels)
en 3 beantwoord. In de aangepaste balans op p. 28 van het deskundigenbericht heeft hij gerapporteerd dat de certificaten van aandelen in FIBV op 31 december 2023 moeten worden gewaardeerd op ongeveer: Vorderingen op [H]/[zoon erfgenaam 5] c.s. NAf 3.310.000
Vorderingen op certificaathouders 3.627.000
Liquide middelen 2.225.000
Kortlopende schulden 7.000
---------------------- +
Totaal NAf 9.169.000 2.13 In het licht van de verantwoording van de deskundige van deze uitkomst
(p. 19-30 van het deskundigenbericht) hebben partijen onvoldoende hiertegen ingebracht. Het Hof zal hiervan uitgaan. 2.14 De deskundige heeft vraag 2 in zoverre niet beantwoord dat hij het ouderlijk huis niet heeft gewaardeerd. Ook vraag 8 over het ouderlijk huis heeft hij niet beantwoord. Bij vraag 9 heeft hij opgemerkt dat hij aan het Hof overlaat om te beoordelen of er een correctie moet plaatsvinden wegens niet-zakelijke uitgaven van FIBV ten behoeve van het ouderlijk huis. Hij heeft te kennen gegeven dat partijen het eens zijn over het vestigen van een vruchtgebruik op het ouderlijk huis ten behoeve van [erfgenaam 4] en [erfgenaam 1] (p. 35 van het deskundigenbericht). Naar zijn schatting heeft FIBV in totaal ongeveer NAf 700.000 à 800.000 geboekt aan niet-zakelijke kosten aan het ouderlijk huis. Naar zijn indruk lijkt er bij partijen weinig belangstelling te bestaan om hiervoor te corrigeren door de uitgaven te boeken in de rekeningen-courant van de verschillende certificaathouders (p. 21-22 van het deskundigenbericht). 2.15 Het Hof zal bevelen dat partijen een vruchtgebruik op het ouderlijk huis vestigen ten behoeve van [erfgenaam 4] en [erfgenaam 1]. Partijen hebben in hun conclusies na deskundigenbericht geen bezwaar ertegen gemaakt dat de deskundige vraag 8 niet heeft beantwoord. Gelet daarop zal het Hof bepalen dat [erfgenaam 4] en [erfgenaam 1] niet hoeven te betalen voor het vruchtgebruik. Er zal ook geen correctie worden toegepast wegens door FIBV gedragen zakelijke kosten ten behoeve van het ouderlijk huis. Het ouderlijk huis zal in dit vonnis niet worden verdeeld. 2.16 Vraag 5 heeft de deskundige aldus beantwoord dat hij een steekproef heeft gedaan op zoek naar onttrekkingen zonder rechtsgrond. Op aandringen van [erfgenaam 5] c.s. heeft hij aanvullend onderzoek gedaan naar de financiële administratie van FIBV. Hij heeft geen onttrekkingen aangetroffen die aanleiding geven voor aanvullend forensisch onderzoek. Hij merkt op dat het Hof hierover dient te beslissen
(p. 31-35 van het deskundigenbericht). 2.17 Met verwijzing naar rov. 2.1 hiervoor ziet het Hof ervan af aanvullend forensisch onderzoek op te dragen aan een deskundige. Hetgeen [erfgenaam 5] c.s. onder 5 van hun conclusie na deskundigenbericht hebben aangevoerd als te onderzoeken mogelijke onttrekkingen, geeft geen aanleiding voor een ander oordeel. Met de steekproef en het aanvullende onderzoek heeft de deskundige deze mogelijke onttrekkingen voldoende onderzocht om het Hof in staat te stellen op verantwoorde wijze dit eindvonnis te wijzen. 2.18 Vraag 6 heeft de deskundige aldus beantwoord dat er uitgaven ten laste van FIBV zijn geboekt die eigenlijk ten laste van een of meer certificaathouders hadden moeten komen. Voor deze niet-zakelijke kosten heeft de deskundige een op schattingen en aannames gebaseerde correctie toegepast bij zijn berekening van de waarde van NAf 9.169.000 (p. 21-29 en p. 32-33 van het deskundigenbericht). 2.19 Vraag 4 heeft de deskundige aldus beantwoord (p. 31) dat om de certificaten te gelde te kunnen maken, het volgende moet gebeuren, verkort weergegeven:
a. bevestigen en innen vordering op [H]/[zoon erfgenaam 5] c.s.;
b. berekenen bruto-uitkeringen;
c. verrekenen van rekening-courantschulden van certificaathouders met hun bruto-uitkeringen; nagaan welke verrekeningen moeten plaatsvinden ten aanzien van de schuldregeling 2008 als onderdeel van de Paraplu-overeenkomsten;
d. netto-uitkeringen uitbetalen. 2.20 De deskundige heeft de schuldregeling 2008 als onderdeel van de Paraplu-overeenkomsten beschreven als een regeling voor schulden van [zoon erfgenaam 5 c.s.] met een totaalbedrag van NAf 1.616.225 (p. 12-13 van het deskundigenbericht). Hij laat aan het Hof over om te beoordelen of deze regeling na de koopovereenkomst van 2011 nog van kracht is (p. 34 van het deskundigenbericht). 2.21 In hun conclusie na deskundigenbericht hebben [erfgenaam 5] c.s. aangevoerd dat in art. 11 van de overeenkomst uit februari 2011 is overeengekomen dat eerdere afspraken vervallen zodra de koopprijs is voldaan en dat dit ook geldt voor de schuldregeling 2008. [erfgenaam 2] c.s. hebben in hun conclusie na deskundigenbericht gesteld dat de schuldregeling 2008 nooit is gerealiseerd, maar zij hebben zich niet uitgelaten over de betekenis van art. 11 van de overeenkomst uit februari 2011. Daarom oordeelt het Hof dat deze aanspraak is vervallen. Dit brengt mee dat bij de verdeling geen verrekeningen dienen plaats te vinden ten aanzien van de schuldregeling 2008. 2.22 Ter beantwoording van vraag 9 heeft de deskundige opgemerkt dat het Hof de formele overdracht van de FMC-aandelen aan [H] moet opdragen. [erfgenaam 5] c.s. hebben bij conclusie na deskundigenbericht gesteld dat deze overdracht al heeft plaatsgehad. Om iedere twijfel hierover weg te nemen zal het Hof partijen bevelen eraan mee te werken dat FIBV de aandelen in FMC overdraagt aan [H], desgewenst met de bepaling dat deze levering slechts gebeurt voor het geval zij niet al eerder heeft plaatsgehad. Overeenkomstig de bedoeling van de deskundige behoeft [H] hiervoor niet te betalen. Het vermogen van FMC dient ook niet te worden verdeeld, maar dient bij FMC te blijven. 2.23 Verder heeft de deskundige bij vraag 9 opgemerkt dat de bankrekeningen van de moeder van partijen bij MCB en Banco di Caribe niet in kaart zijn gebracht. Naar het oordeel van het Hof behoeft dat in deze procedure niet te gebeuren. Desgewenst kunnen [erfgenaam 2] c.s. een nieuwe procedure beginnen om verdeling hiervan te vorderen als overgeslagen goederen van de gemeenschap. 2.24 Al met al verdeelt het Hof de nalatenschappen van de ouders van partijen (gedeeltelijk) aldus dat alle partijen wordt bevolen eraan mee te werken en zo nodig actief te bevorderen dat het volgende gebeurt:
a. de gezamenlijke partijen vestigen een levenslang vruchtgebruik op het ouderlijk huis ten behoeve van [erfgenaam 4] en [erfgenaam 1], zonder dat [erfgenaam 4] en [erfgenaam 1] daarvoor behoeven te betalen;
b. [H]/[zoon erfgenaam 5] c.s. betalen hun schuld van Cg 3.310.000 per 31 december 2023 aan FIBV;
c. na ontvangst van die betaling levert FIBV de aandelen in FMC aan [H], zonder dat [H] daarvoor (verder) behoeft te betalen en zonder dat het vermogen van FMC wordt verdeeld;
d. partijen berekenen de bruto-uitkeringen die FIBV aan partijen dient te doen overeenkomstig de bevindingen in het deskundigenbericht en de overwegingen van het Hof;
e. partijen berekenen de netto-uitkeringen die FIBV aan partijen dient te doen door de rekening-courantschulden van partijen in mindering te brengen op de bruto-uitkeringen, een en ander overeenkomstig de bevindingen in het deskundigenbericht en de overwegingen van het Hof (en dus zonder dat er verrekeningen plaatsvinden ten aanzien van de schuldregeling 2008 als onderdeel van de Paraplu-overeenkomsten);
f. FIBV betaalt de netto-uitkeringen uit aan partijen. 2.25 Het Hof geeft partijen in overweging een accountant in te schakelen om het voorgaande te begeleiden. Wellicht is de door het Hof in deze zaak benoemde deskundige bereid die opdracht te aanvaarden. 2.26 Het vonnis waarvan beroep dient te worden vernietigd. Gelet op de familieverhoudingen zullen de proceskosten worden gecompenseerd. De schadeloosstelling en het loon voor de deskundige worden begroot op het totaal van de begrote voorschotten. Deze zijn betaald door FIBV en daarmee indirect gelijkelijk door partijen. Dat strookt met een proceskostencompensatie. B E S L I S S I N G Het Hof: vernietigt het vonnis waarvan beroep; en opnieuw rechtdoende: verdeelt de nalatenschappen van de ouders van partijen (gedeeltelijk) aldus dat het Hof alle partijen beveelt om te doen wat hiervoor onder 2.24 is vermeld; compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt; wijst af het meer of anders gevorderde. Dit vonnis is gewezen door mrs. G.C.C. Lewin, C.G. ter Veer en J. de Boer, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken 18 augustus 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.