Het hof veroordeelt de verdachte ter zake van ‘mishandeling, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft’ tot een taakstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest.
Gerechtshof 's-Hertogenbosch 24 september 2026
Jurisprudentie – Uitspraken
ECLI
ECLI:NL:GHSHE:2026:2502
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
16-09-2026
Datum publicatie
24-09-2026
Zaaknummer
20-001899-21
Rechtsgebied
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
ECLI:NL:GHSHE:2026:2502text/xmlpublic2026-09-24T12:43:112026-09-16Raad voor de RechtspraaknlGerechtshof 's-Hertogenbosch2026-09-0420-001899-21UitspraakHoger beroepOp tegenspraakNLMaastrichtStrafrechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:2502text/htmlpublic2026-09-24T12:40:482026-09-24Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:GHSHE:2026:2502 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 04-09-2026 / 20-001899-21 Het hof veroordeelt de verdachte ter zake van ‘mishandeling, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft’ tot een taakstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest.
Parketnummer : 20-001899-21
Uitspraak : 4 september 2026 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof's-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 20 juli 2021, in de strafzaak met parketnummer 03-275557-19 tegen:
[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2000,
wonende te [adres] . Hoger beroep Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van ‘mishandeling, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft’ veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft de politierechter de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] gedeeltelijk toegewezen, te weten tot een bedrag van € 4.375,37, bestaande uit € 2.625,37 als vergoeding van materiële schade en
€ 1.750,00 als vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 augustus 2019 tot aan de dag der algehele voldoening en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partij is voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in de vordering. Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen met uitzondering van de opgelegde straf en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij, en, in zoverre opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest, en de vordering van de benadeelde partij geheel zal toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De verdediging heeft primair vrijspraak bepleit. Subsidiair is een straftoemetingsverweer gevoerd. Voorts heeft de verdediging een standpunt ingenomen ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij. Vonnis waarvan beroep Het hof kan zich op onderdelen niet met het beroepen vonnis verenigen. Om redenen van efficiëntie zal het hof evenwel het gehele vonnis vernietigen. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: hij op of omstreeks 13 augustus 2019 te Valkenburg, gemeente Valkenburg aan de Geul, [slachtoffer 1] heeft mishandeld door hem te slaan, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een of meerdere kaakfractu(u)r(en) ten gevolge heeft gehad. De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: hij op 13 augustus 2019 te Valkenburg, gemeente Valkenburg aan de Geul, [slachtoffer 1] heeft mishandeld door hem te slaan, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten meerdere kaakfracturen ten gevolge heeft gehad. Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken. Bewijsmiddelen Hierna wordt – tenzij anders vermeld – steeds verwezen naar het eindproces-verbaal opgemaakt door verbalisant [verbalisant] , brigadier van politie Eenheid Limburg, registratienummer PL2300-2019169934, gesloten d.d. 2 november 2019, bevattende een verzameling op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal van politie alsmede overige geschriften, met, behoudens één pagina, doorgenummerde dossierpagina’s 1 tot en met 130 (in totaal 131 digitale pagina’s). Alle verklaringen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven. 1. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 14 augustus 2019 (pg. 53 t/m 55), voor zover inhoudende als verklaring van aangever [slachtoffer 1] : Op 12 augustus 2019 zijn we naar Valkenburg gekomen. Omstreeks 23:00 uur zijn we naar [café] gegaan. We troffen hier twee meiden. Een van de meiden was samen met een jongen. In het begin van de avond vond ze dat gezellig, maar vervolgens niet meer. Ik zag dat het meisje achtervolgd werd door de jongen. Buiten vertelde het meisje aan mijn vriend, [getuige 1] , dat ze betast was door die jongen. Vervolgens kwam er een jongen aan die samen was met een andere jongen en een moeder. Ik zag dat een vriend van mij van achteren geslagen zou worden. Ik heb toen mijn vriend of een jongen weggeduwd. Ik kreeg toen zelf een klap aan de rechterzijde van mijn gezicht. Na de klap voelde ik direct pijn aan mijn gezicht.
Nadat ik de klap kreeg ben ik terug de kroeg ingelopen en naar het toilet gelopen om te kijken wat er aan de hand was.
Ik heb toen mijn moeder gebeld om te vragen wat ik moest doen. Mijn moeder is tandartsassistente van beroep. Ik ben toen eerst rond gaan dwalen omdat ik niet wist wat ik moest doen. Vervolgens ben ik bij de put gaan zitten op mijn knieën.Het is gebeurd naast de ingang van de kroeg. Ik heb mijn kaak op twee plaatsen gebroken, aan de onderkant en aan de rechterzijde van mijn gezicht. Ik ben gisteren geopereerd aan de onderkant van mijn kaak. Ik kan op dit moment niet eten en niet fatsoenlijk drinken. Dit zal de komende 6 tot 10 weken ook zo blijven. De arts heeft gezegd dat ik altijd een beperking zal blijven houden aan mijn kaak, dat ik altijd last blijf houden van mijn kaakgewricht. Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit. 2. Het geschrift, te weten een "Brief bestemd voor uw huis/tandarts" d.d. 13 augustus 2019 van het Maastricht UMC+ aan en betreffende de heer [slachtoffer 1] (pg. 59 t/m 60), voor zover inhoudende:
Onderzoek: Mondopening beperkt, hematoom mondbodem, mondbodem soepel. Occlusiestoornis: links prematuur contact. Step occlusievlak t.p.v. 31/41 5mm, laceratie gingiva t.p.v. 31/41. Aanvullend onderzoek:CT-aangezicht toont: fractuur symfyse mediaan tot corpus mandibula regio 35, fractuur collum mandibula rechts met weinig verplaatsing (caput in fossa). Verslag: Op 13.08.2019 werd onder algehele narcose uitgevoerd:Open repositie en interne fixatie (het hof begrijpt: een operatie waarbij het gebroken bot wordt rechtgezet en vastgemaakt) paramediane mandibulafractuur links + plaatsen winterse spalken + etsspalk onderfront (Extrusieluxaties 31, 32, 33 konden niet volledig gereponeerd worden). Conclusie:1)Hoofddiagnose paramediane mandibulafractuur (het hof begrijpt: breuk onderkaak) links waarvoor open repositie en interne fixatie.
2)Collum mandibulafractuur (het hof begrijpt: breuk in het collum van het kaapkopje van de onderkaak) rechts waarvoor conservatief beleid.
3)Extrusieluxatie 31, 32, 33. 3. Het proces-verbaal van verhoor d.d. 13 augustus 2019 (pg. 61 t/m 62), voor zover inhoudende als weergave van het verhoor van getuige [getuige 1] : Vannacht, 13 augustus 2019, was ik in [café] met vrienden. Op een gegeven moment kwam een meisje naar ons toe die zei dat ze lastig werd gevallen door een jongen. Ik was met [getuige 2] , [getuige 3] en [getuige 4] . Om 03:00 uur-03:15 uur, buiten voor de kroeg, zag ik dat de jongen die het meisje steeds lastig viel uithaalde naar [getuige 2] . Ik zag dat [getuige 3] dit ook zag en dat [getuige 3] [getuige 2] wegduwde, waardoor de jongen [getuige 3] op de kaak sloeg. Ik zag dat die jongen zijn arm naar achteren bracht en een slaande beweging naar [getuige 3] maakte. Ik zag dat [getuige 3] zijn mond open ging en bloed uit zijn mond kwam. In het ziekenhuis zag ik dat ik een portemonnee van een vreemde mee had genomen. Toen ik een foto zag in de beurs, zag ik dat het de beurs van de jongen betrof die [getuige 3] had geslagen.
4. Het proces-verbaal van verhoor d.d. 13 augustus 2019 (pg. 63 t/m 64), voor zover inhoudende als weergave van het verhoor van getuige [getuige 4] : We zijn gisteravond wezen stappen in [café] in Valkenburg. Er waren ook twee meisjes in het café. Ik zag dat een van die meisjes met een jongen aan het zoenen was. Op zeker moment kwam dat meisje bij ons staan. Die jongen kwam er ook bij staan. Ik merkte aan het meisje dat zij zijn aanwezigheid niet meer op prijs stelde. Op zeker moment zijn we naar buiten gegaan. Ik ging iets later dan de anderen naar buiten. Ik zag dat [getuige 3] op straat stond. Ik hoorde dat hij kreunde. Ik zag dat zijn gezicht bebloed was. Zijn kaak stond scheef. Hij zei dat hij geslagen was door die jongen die met dat meisje had staan zoenen. [getuige 2] , [getuige 1] en ik zijn toen op zoek gegaan naar die jongen. Een eind verderop, op een pleintje, zag ik die jongen lopen. Hij liep daar met een oudere vrouw en een andere jongen. Die vrouw bleek later zijn moeder te zijn. Ik weet dat [getuige 1] allerlei persoonlijke bezittingen van straat heeft opgeraapt. Er was echter een beurs bij van iemand anders. Ik zag dat er een foto was van de jongen waarover ik gesproken heb. Hij heet [verdachte] of zo. 5. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 13 augustus 2019 (pg. 75 t/m 77), voor zover inhoudende als verklaring van aangever [getuige 2] : Op 12 augustus 2019 gingen wij naar het centrum van Valkenburg. Omstreeks 23.00 uur gingen wij naar [café] . Ik zag dat een meisje gezoend werd door een jongen. Die jongen had blonde haren. Deze haren waren, aan de zijkant, opgeknipt en op het bovenhoofd lang en naar een zijde gekamd. Die jongen was ongeveer 2.00 meter lang en had een mager postuur. Op een gegeven moment kwam dat meisje naar ons toegelopen en zij zei dat zij niet meer wilde dat die jongen haar zoende. Ik liep op die jongen toe en sprak hem aan. Ik vertelde hem dat [slachtoffer 2] niet meer met hem wilde zoenen. Op een gegeven moment ben ik vervolgens naar buiten gegaan om een sigaretje te gaan roken. Mijn vrienden: [getuige 3] , [getuige 1] en [getuige 4] gingen met mij mee. Ik stond toen met de rug naar de ingang van [café] . Ineens zag ik dat [getuige 3] door die lange jongen geslagen werd. 6. De eigen waarneming van het hof van de tot het procesdossier behorende camerabeelden, afkomstig van de gemeente Valkenburg, gedaan in raadkamer bij het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep, voor zover inhoudende: Het hof neemt op de camerabeelden (hof: fragment: Valkenburg1_3.Geulpoort_main _20190813030002_033000.avi, tijdcode 03:00:00-03:30:00) het volgende waar: Om 03:08:54 loopt een persoon in een wit shirt richting de ingang van het café. Voor de ingang van het café staan meerdere personen. Om 03:09:00-03:09:40 Het hof neemt geen geweldshandelingen waar van de personen voor de ingang van het café. Om 03:09:40 lopen enkele personen weg van de ingang van het café in de richting van een luifel en de camera. Om 03:09:46 duwt een persoon in een wit shirt een van de andere personen. Om 03:09:47 duwt een persoon, zijnde een ander dan degene die werd geduwd, hierna te noemen persoon A, een persoon in een wit shirt en op dat moment verplaatst een persoon die het meest links in beeld zichtbaar is zich richting de plaats waar wordt geduwd. Deze persoon, hierna te noemen persoon B, houdt zijn linker arm gestrekt voor zich, schuin naar beneden. Om 03:09:48 beweegt het bovenlichaam van persoon B naar voren richting persoon A. Vervolgens beweegt de rechterarm van persoon B met snelheid op hoofdhoogte vooruit. Persoon A beweegt hierna naar achteren en komt onder een overkapping en daarmee op enig moment buiten beeld van de camera. Persoon B loopt, na wat verdere schermutselingen, richting de camera met naast zich een vrouw met blond haar en een witte tas. Om 03:10:08 lopen (in ieder geval twee) personen van onder de overkapping terug richting de ingang van het café. Om 03:10:20 gaan zij het café binnen. Om 03:11:53 komen drie personen (van)uit (de richting van) het café gerend. Een andere persoon loopt achter deze drie personen aan. Deze persoon draagt een grijs vest met capuchon en een spijkerbroek. Om 03:13:22 komt degene met een grijs vest met capuchon en een spijkerbroek teruggelopen richting het café. Hij pakt zijn telefoon en is aan het bellen. Hij loopt een heel stuk door de straat en stopt daarna weer bij het café. Om 03:17:36 komt de persoon met het grijze vest bij de buitentafels van het café aan. Daar bevinden zich twee andere personen. Om 03:17:55 zetten deze personen degene in het grijze vest op een stoel. Om 03:20:26 staat de persoon met het grijze vest op en loopt hij naar de straat. Om 03:20:31 gaat hij op zijn armen en knieën boven de straat hangen. 7. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van dit hof op 21 augustus 2026, voor zover inhoudende: U, voorzitter, laat het beeld van het camerabeeld Valkenburg1_3.Geulpoort_main pauzeren op 03:09:44 en vraagt mij of ik mezelf kan identificeren. Ik ben de persoon die u het meest links in beeld ziet. Ik loop naast mijn moeder. Bewijsoverwegingen De verdediging heeft vrijspraak bepleit. Hiertoe is – op gronden zoals nader in de pleitnota verwoord – aangevoerd dat aangever de verdachte aanvankelijk juist uitsluit als degene die hem heeft geslagen, de verklaringen van aangever in de loop van het onderzoek op essentiële onderdelen zijn gewijzigd, dat de verklaringen van de getuigen onderling niet consistent zijn, dat de camerabeelden geen ondubbelzinnig bewijs opleveren dat de verdachte aangever heeft geraakt, dat het proces-verbaal van bevindingen beschrijven camerabeelden onjuist en onvolledig is en dat zich meerdere geweldsmomenten kort na elkaar hebben voorgedaan, waaronder pal voor de deur van het café. Het hof overweegt hieromtrent als volgt. Het hof stelt op basis van het procesdossier, het verhandelde ter terechtzitting en hetgeen het hof heeft waargenomen op de camerabeelden, de volgende feiten en omstandigheden vast. Op 13 augustus 2019 was de verdachte in [café] in Valkenburg. Aangever [slachtoffer 1] (hierna ook: het slachtoffer) was daar met zijn vrienden [getuige 1] , [getuige 2] en [getuige 4] . De verdachte heeft daar met een meisje gezoend. Dat meisje heeft uiteindelijk aan aangever en zijn vrienden kenbaar gemaakt dat zij niet meer gediend was van het contact met de verdachte. De verdachte is hierover aangesproken door de groep van aangever. Buiten het café ontstaat er een handgemeen waarbij aangever is geslagen en hij daarbij twee kaakfacturen heeft opgelopen. Er zijn camerabeelden van hetgeen zich buiten het café heeft afgespeeld. Het hof heeft hierop waarnemingen gedaan en constateert het volgende. Om 03:09:06 – de tijd zoals getoond op camerabeelden met bestandsnaam Valkenburg1_3.Geulpoort_main_20190813030002_033000.avi (hierna: de camera c.q. de camerabeelden) – stond een groep personen pal voor een ingang. Uit het dossier maakt het hof op dat dit de ingang is van [café] . Het hof neemt daar geen geweldshandelingen of geagiteerd gedrag waar. De groep bestaande uit tot dan toe niet helder te onderscheiden personen loopt vervolgens iets verder naar voren in de richting van de camera. Op de camerabeelden met de daarop getoonde tijdsvermelding van 03:09:44 heeft de verdachte zich ter terechtzitting in hoger beroep herkend als de persoon die, vanuit het perspectief van de camera en ten opzichte van de groep personen, zich het meest aan de linker zijde bevindt. Het hof heeft deze persoon in het als eigen waarneming opgenomen bewijsmiddel omschreven als persoon B. Vanaf hier zal het hof deze persoon niet langer aanduiden met persoon B, maar met verdachte. Om 03:09:47 ziet het hof dat verdachte naar voren stapt en met zijn rechterarm met een snelle voorwaartse beweging persoon A raakte (03:09:48), waardoor diegene naar achteren deinsde. Deze persoon A die werd geraakt, duwde vlak daarvoor een andere persoon weg. Na deze handeling ontstonden er wat schermutselingen tussen meerdere personen. Het hof heeft waargenomen dat om 03:10:08 (in ieder geval twee) personen van onder de overkapping terug richting de ingang van het café gingen en om 03:10:18 daar naar binnen liepen. Om 03:11:53 kwamen drie personen (van)uit (de richting van) het café naar buiten gerend. Eén persoon liep hier achteraan. Hij droeg een grijs vest met capuchon en een spijkerbroek en kwam om 03:13:22 alleen teruggelopen richting het café. Hij pakte zijn telefoon en was aan het bellen. Hij liep door de straat en stopte om 03:17:36 bij de buitentafels van het café, waar twee andere personen zich om hem bekommerden. Om 03:17:54 zetten de andere twee personen hem in een stoel. Om 03:20:32 stond hij op, liep hij naar de straat en daar ging hij vervolgens op zijn knieën.
Thans dient beoordeeld te worden of kan worden vastgesteld wie persoon A is nu de beelden alleen hierover geen uitsluitsel geven. Het slachtoffer heeft verklaard dat hij die avond is geslagen. Hij heeft ook verklaard dat hij vlak daarvoor iemand (anders) wegduwde. Het hof heeft op de camerabeelden waargenomen dat degene die door de verdachte werd geraakt, kort daarvoor een ander persoon (dan de verdachte) wegduwde. Ook verklaarde aangever dat hij na de klap het café binnen is gegaan om zijn gezicht te bekijken. Het hof heeft op de camerabeelden waargenomen dat (in ieder geval) twee personen vlak na de waargenomen handeling om 03:09:47 naar het café lopen en daar naar binnen gaan. Uit het vorenstaande leidt het hof af dat de persoon die als persoon A wordt omschreven aangever is geweest. Deze conclusie wordt verder gesteund door de in samenhang met elkaar te lezen verklaringen van de getuigen [getuige 1] , [getuige 2] en [getuige 4] die verdachte omschrijven als degene die de aangever heeft geslagen. Thans rest de vraag of de verdachte de aangever daadwerkelijk heeft geslagen c.q. gestompt of slechts heeft geduwd zoals hij zelf ter zitting (zowel in eerste aanleg als in hoger beroep) heeft verklaard. Het gaat in onderhavige zaak om de beweging van verdachte die op de beelden van 03:09:47 en 03:09:48 te zien is. Dat de verdachte een beweging heeft gemaakt (richting het slachtoffer) volgt uit hetgeen reeds in deze bewijsoverweging hierover is opgemerkt. Dat vanuit de verdachte sprake was van een beweging wordt door de verdediging ook niet betwist. Het gaat evenwel om de vraag hoe deze beweging te kwalificeren. Anders dan de verdediging is het hof van oordeel dat deze waargenomen en beschreven beweging niet valt aan te merken als slechts een duw, maar duidelijk als een slag. De rechterarm wordt immers met een aanzienlijke snelheid op hoofdhoogte naar voren bewogen, waarna het slachtoffer als gevolg daarvan duidelijk naar achteren wordt bewogen. Naar het oordeel van het hof kan het niet anders zijn dan dat de verdachte op dat moment het slachtoffer met de nodige kracht heeft geraakt. Dat dit het geval is geweest volgt niet slechts uit de beelden, maar zeker ook uit het letsel dat fotografisch en medisch is vastgelegd. Voor dit letsel laat zich geen andere redelijke oorzaak aanwijzen dan de hiervoor beschreven slag. De verdediging schetst als alternatief scenario dat het slachtoffer de litigieuze slag mogelijk eerder heeft opgelopen. In het bijzonder wordt daarbij gewezen op het moment dat een groep personen zich pal voor de deur van het café bevindt alvorens deze zich om 03:09:40 richting een luifel en de camera beweegt. Het hof heeft de beelden, mede gelet op dit gevoerde verweer, nog eens nauwgezet bekeken maar ziet daarin geen bevestiging voor deze geopperde mogelijkheid. Het hof is ook niet bekend met een eventueel ander geweldsmoment dat het letsel bij het slachtoffer zou hebben kunnen verklaren. Aangever heeft bij de raadsheer-commissaris bovendien verklaard maar één keer te zijn geslagen. Het hof schuift het alternatieve scenario van de verdachte daarom terzijde. Gelet op het vorenstaande trekt het hof de conclusie dat de verdachte aangever heeft geslagen en het bewezenverklaarde letsel heeft toegebracht. Dat aangever in eerste instantie heeft verklaard dat hij niet door de verdachte is geslagen doet daar niet aan af. Die verklaring dient immers bezien te worden in het licht van hetgeen aangever, overigens toen net uit narcose, nog meer heeft verklaard, namelijk dat hij de klap niet zag aankomen en niet weet hoe de klap is gegeven. Dit laat voldoende ruimte voor de mogelijkheid dat aangever niet heeft gezien wie hem heeft geslagen, hetgeen hij ook bij de raadsheer-commissaris specifiek heeft verklaard. Betrouwbaarheid getuigenverklaringen
De verdediging heeft aangevoerd dat de verklaringen van de getuigen niet consistent zijn en dat zij met terughoudendheid moeten worden beoordeeld, nu de getuigen onder invloed van alcohol waren. Het hof stelt vast dat de getuigen een verklaring hebben afgelegd nadat zij een avondje uit waren geweest en alcohol hadden gedronken. Het hof overweegt daarom dat – zoals bij alle menselijke waarnemingen, maar in het bijzonder na alcoholgebruik – de nodige mate van terughoudendheid dient te worden betracht bij het beoordelen van de getuigenverklaringen. Het hof overweegt voorts dat het enkele feit dat een getuige onder invloed is van alcohol echter niet zonder meer met zich meebrengt dat de door die getuige afgelegde verklaring niet van waarde kan zijn. Voor dat eindoordeel kunnen immers ook nog andere feiten en omstandigheden relevant zijn. In onderhavige zaak heeft het hof aan de hand van camerabeelden en gelet op de herkenning van de verdachte op die beelden door hemzelf, zelf waargenomen dat de verdachte aangever heeft geslagen. De getuigenverklaringen van [getuige 1] , [getuige 2] en [getuige 4] bij de politie steunen deze waarneming van het hof. In de kern verklaren zij eensluidend dat de verdachte aangever heeft geslagen en dat de aanleiding het voorval was met het meisje met wie de verdachte heeft gezoend en het feit dat hij daarop werd aangesproken. Nu deze verklaringen overeenstemmen met de eigen waarnemingen van het hof en voor een groot deel ook met de verklaring van verdachte ziet het hof geen reden te twijfelen aan de betrouwbaarheid van deze verklaringen. Dat de getuigen niet over elk aspect van de avond in detail gelijkluidend hebben verklaard, doet aan het voorgaande niet af. Het hof acht de verklaringen dan ook betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs. Conclusie
Resumerend acht het hof, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen – in onderling verband en samenhang bezien – wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, op de wijze zoals in de bewezenverklaring is vermeld. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde wordt gekwalificeerd als: mishandeling, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar. Strafbaarheid van de verdachte Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde. Op te leggen sanctie De verdediging heeft het hof primair verzocht om aan de verdachte een taakstraf gelijk aan de duur van of lager dan de in eerste aanleg opgelegde taakstraf op te leggen. Subsidiair is verzocht om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht. Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan mishandeling, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft gehad. De verdachte heeft het slachtoffer [slachtoffer 1] geslagen waardoor [slachtoffer 1] zijn kaak op twee plekken heeft gebroken. Uit de verklaring van het slachtoffer ter terechtzitting in hoger beroep blijkt dat hij ten gevolge van de mishandeling nog steeds serieuze klachten ervaart. Door aldus te handelen heeft de verdachte de lichamelijke integriteit van het slachtoffer op ernstige en langdurige wijze geschonden. Dat is temeer zo omdat van verdachte als beoefenaar van een vechtsport (Muay Thai boksen) een grotere mate van verantwoordelijkheid mag worden verwacht dan van anderen die bij een ruzie betrokken raken. Het hof rekent het de verdachte dan ook aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard. Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof acht geslagen op de inhoud van het hem betreffende uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 16 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk ter zake van soortgelijke feiten is veroordeeld. Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan is gebleken. Alle omstandigheden afwegende acht het hof, met de politierechter, oplegging van een taakstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis, passend en geboden. Redelijke termijn
Het hof is in de onderhavige zaak gebleken dat bij de strafvervolging van de verdachte de redelijke termijn in hoger beroep is overschreden. De verdachte heeft immers op 3 augustus 2021 hoger beroep ingesteld, terwijl het hof op 4 september 2026 – en derhalve niet binnen twee jaren na het instellen van het hoger beroep – arrest wijst. Er is dan ook sprake van een schending van de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM. Gelet op de hoogte van de op te leggen taakstraf, minder dan 100 uren, volstaat het hof met de enkele vaststelling dat de redelijke termijn is geschonden (vgl. HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, rov. 3.6.2, onder c. en 3.23). Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 5.185,17, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering valt uiteen in de volgende onderdelen:
o Telefoonkosten € 25,00; Immateriële schadevergoeding € 2.500,00; Proceskosten € 59,80. Bij het vonnis waarvan beroep is de vordering gedeeltelijk toegewezen tot een totaalbedrag van € 4.375,37, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 augustus 2019 tot aan de dag der algehele voldoening. De benadeelde partij heeft ter terechtzitting in hoger beroep te kennen gegeven de post “proceskosten” niet langer te handhaven. De rest van de vordering wordt in hoger beroep wel gehandhaafd. De verdediging heeft de vordering ter terechtzitting in hoger beroep betwist. Primair heeft de verdediging het hof verzocht om de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk te verklaren gelet op de bepleite vrijspraak. Subsidiair is verweer gevoerd ten aanzien van bepaalde kostenposten. De verdediging heeft bepleit dat de posten reiskosten, parkeerkosten en telefoonkosten niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard dan wel dienen te worden gematigd omdat zij onvoldoende zijn onderbouwd. Daarnaast is bepleit dat de post inkomstenderving niet-ontvankelijk dient te worden verklaard omdat de stijging in salaris afhankelijk is van meerdere factoren, waaronder het functioneren van de benadeelde partij. Het nu nog nader onderbouwen daarvan zou een onevenredige belasting van het strafgeding met zich meebrengen. Voorts is aangevoerd dat ten aanzien van de staafmixer geen bewijs is aangeleverd dat de benadeelde partij deze heeft betaald. Ten slotte is bepleit dat het letsel van de verdachte onvoldoende is om psychisch leed aan te tonen, waardoor het immateriële gedeelte van de vordering niet toewijsbaar is. In het geval het hof wel oordeelt dat de post voor toewijzing vatbaar is, heeft de verdediging het hof verzocht om het toe te wijzen bedrag te matigen naar een bedrag van € 1.500,00. Materiële schade
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [slachtoffer 1] als gevolg van verdachtes bewezenverklaarde handelen rechtstreeks materiële schade heeft geleden in de vorm zoals is gevorderd. De schade is ontstaan omdat de verdachte de benadeelde partij zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht op 13 augustus 2019. Door het letsel moest de benadeelde partij naar het ziekenhuis reizen, daar parkeren, een dag blijven en medicatie aanschaffen. Ook moest de benadeelde partij een staafmixer aanschaffen om te kunnen eten nadat zijn kaak door de verdachte was gebroken. Het hof acht het daarnaast voldoende aannemelijk dat hij telefoonkosten heeft gemaakt in verband met deze zaak. Door de gedraging van de verdachte is de vakantie van het slachtoffer abrupt beëindigd en kon hij niet langer gebruik maken van de door hem geboekte camping. Het hof zal deze posten van het materiële gedeelte van de vordering, tezamen groot € 545,07, dan ook toewijzen. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot die hierna te noemen bedragen toewijsbaar is. Het hof is van oordeel dat de behandeling van vordering voor zover die ziet op de schadepost inkomstenderving een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren. Naar het oordeel van het hof is onvoldoende komen vast te staan of en in welke mate sprake is van rechtstreekse schade. Het hof zal de vordering tot schadevergoeding voor dit deel niet-ontvankelijk verklaren. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering nog bij de burgerlijke rechter aanbrengen. Wettelijke rente
Het toe te wijzen bedrag zal, zoals gevorderd, worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 januari 2020, zijnde het moment waarop de vordering is ingediend, tot aan de dag der algehele voldoening. Immateriële schade
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade is toegebracht als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek. Uit het procesdossier volgt immers dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte letsel heeft opgelopen, te weten kaakfacturen op twee plekken. Gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde feit en de gevolgen daarvan voor het slachtoffer, alsmede gelet op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend, begroot het hof de immateriële schade die benadeelde rechtstreeks door het bewezenverklaarde feit heeft geleden naar billijkheid op een bedrag van € 2.500,00. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is. Wettelijke rente
Het toe te wijzen bedrag zal, zoals gevorderd, worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 augustus 2019, zijnde het moment waarop de schade is ontstaan, tot aan de dag der algehele voldoening. Proceskosten
Het hof zal de verdachte, die als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij kan worden aangemerkt, tevens veroordelen in de kosten en de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil. Schadevergoedingsmaatregel Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer
[slachtoffer 1] is toegebracht tot een bedrag van € 3.045,07. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk. Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen tot een bedrag van € 3.045,07, te vermeerderen met de wettelijke rente op de wijze zoals hiervoor is vermeld, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 30 (dertig) dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft. Toepasselijke wettelijke voorschriften De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d, 36f, 63 en 300 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 80 (tachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 40 (veertig) dagen hechtenis. Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht. Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 3.045,07 (drieduizend vijfenveertig euro en zeven cent) bestaande uit € 545,07 (vijfhonderdvijfenveertig euro en zeven cent) als vergoeding van materiële schade en € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) als vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der algehele voldoening. Verklaart de vordering van de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Veroordeelt de verdachte in de kosten en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil. Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 3.045,07 (drieduizend vijfenveertig euro en zeven cent) bestaande uit € 545,07 (vijfhonderdvijfenveertig euro en zeven cent) als vergoeding van materiële schade en € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) als vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der algehele voldoening en bepaalt dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 30 (dertig) dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid van de schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft. Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt. Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 22 januari 2020 en van de immateriële schade op 13 augustus 2019. Aldus gewezen door:
mr. A.C. Bosch, voorzitter,
mr. H.A.T.G. Koning en mr. J.C. Gillesse, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. I.A.M.H. Hermans, griffier,
en op 4 september 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.