Menu

Filter op
content
PONT | Governance

0

ECLI:NL:GHSHE:2026:1397

vrijspraak feit 1 (oplichting) veroordeling feit 2: Diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, tot een voorwaardelijke gevangenisstraf 3 maanden, proeftijd 3 jaar, en een taakstraf 200 uur. beslissing op vordering benadeelde partij

Gerechtshof 's-Hertogenbosch 1 juni 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:GHSHE:2026:1397 text/xml public 2026-06-01T17:39:09 2026-06-01 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2026-05-29 20-002352-25 Uitspraak Hoger beroep Op tegenspraak NL Maastricht Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:1397 text/html public 2026-06-01T17:36:56 2026-06-01 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHSHE:2026:1397 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 29-05-2026 / 20-002352-25
vrijspraak feit 1 (oplichting)

veroordeling feit 2: Diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels,

tot een voorwaardelijke gevangenisstraf 3 maanden, proeftijd 3 jaar, en een taakstraf 200 uur.

beslissing op vordering benadeelde partij

Parketnummer : 20-002352-25

Uitspraak : 29 mei 2026

TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof 's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 11 september 2025, in de strafzaak met parketnummer 03-188200-25 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1998,

postadres: [adres] .

Hoger beroep

Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het tenlastegelegde bewezen zal verklaren en de verdachte ter zake daarvan zal veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 200 uren subsidiair 100 dagen hechtenis en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden, met een proeftijd van 2 jaren. De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] , strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 2.313,40, bestaande uit € 1.563,40 aan materiële schade en € 750,00 aan immateriële schade, geheel kan worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht ter hoogte van voornoemd bedrag.

De raadsvrouw van de verdachte heeft bepleit dat het hof de verdachte zal vrijspreken van het onder 1 tenlastegelegde. Ten aanzien van de bewezenverklaring van het onder 2 tenlastegelegde refereert de verdediging zich aan het oordeel van het hof. De verdediging heeft het hof verzocht aansluiting te zoeken bij de straf zoals gevorderd door de advocaat-generaal.

Met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij stelt de verdediging zich op het standpunt dat het hof de vordering voor wat betreft de immateriële schade niet-ontvankelijk dient te verklaren.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat de politierechter heeft volstaan met aantekening van de uitspraak op een aan het dubbel van de dagvaarding gehecht stuk, maar het hof gebonden is aan het motiveringsvoorschrift van artikel 359 van het Wetboek van Strafvordering.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

1.hij op of omstreeks 3 februari 2025 te Born, gemeente Sittard-Geleen, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [benadeelde] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten het afgeven van een of meerdere pinpassen en/of een telefoon, door - voornoemde [benadeelde] te bellen en zich voor te doen als SNS -medewerker en/of - voornoemde [benadeelde] te vertellen dat er een virus gaande was waardoor een hoog geldbedrag van haar rekening was afgeschreven en/of - voornoemde [benadeelde] te vertellen dat er iemand langs zou komen aan haar deur die dit kon oplossen en/of - bij voornoemde [benadeelde] langs te gaan en zich voor te doen als ICT-er en/of medewerker van de SNS -bank en/of - voornoemde [benadeelde] te vertellen dat hij, verdachte, het virus kwam oplossen en/of dat hij daarvoor haar telefoon en bankpassen nodig heeft en/of - de telefoon en/of bankpassen van voornoemde [benadeelde] mee en/of weg te nemen;

2.hij op of omstreeks 3 februari 2025 te Born, gemeente Sittard-Geleen, en/of Echt, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een of meerdere geldbedragen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van een valse sleutel, door met een valselijk en/of wederrechtelijk verkregen bankpas en/of pincode een of meer pintransactie(s) te verrichten bij een betaalautomaat en/of bij (een) winkel(s);

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak van feit 1

Het hof is met de advocaat-generaal en de raadsman van oordeel dat het onder 1 tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen kan worden, zodat de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken. Het hof stelt voorop dat voor een veroordeling ter zake van oplichting is vereist dat de verdachte (en zijn mededader) bij een ander door een specifieke, voldoende ernstige vorm van bedrieglijk handelen een onjuiste voorstelling van zaken in het leven heeft willen roepen teneinde daarvan misbruik te maken. Daartoe moet de verdachte één of meer van de in artikel 326, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde oplichtingsmiddelen hebben gebruikt, door welk gebruik die ander is bewogen tot afgifte van een goed, het verlenen van een dienst, het beschikbaar stellen van gegevens, het aangaan van een schuld of het tenietdoen van een inschuld.

Uit het onderzoek ter terechtzitting en het procesdossier volgt dat aangeefster [benadeelde] op 3 februari 2025 aangifte heeft gedaan van oplichting. Aangeefster werd op dezelfde dag gebeld door een man die zich voordeed als medewerker van de SNS -bank . Deze man vertelde aangeefster dat er een hoog geldbedrag van haar bankrekening was afgeschreven, veroorzaakt door een computervirus. De man vertelde dat er iemand naar de woning van aangeefster zou komen om het probleem op te lossen. Vervolgens kwam er een man aan de deur die zich voordeed als ICT-medewerker van de SNS -bank . Aangeefster heeft haar telefoon en haar bankpassen van Rabobank en SNS -bank aan deze man meegegeven, die haar vertelde dat hij in een busje verderop apparatuur had om haar telefoon uit te lezen. Vervolgens is er in totaal een bedrag van € 1.322,90 van de bankrekeningen van aangeefster afgeschreven. De pintransacties hebben op dezelfde dag plaatsgevonden en zijn vastgelegd op camerabeelden bij de Geldmaat in Born en de Esso in Echt. De verdachte is op de stills van de camerabeelden bij de Geldmaat herkend door drie verbalisanten.

Uit het proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 maart 2025 volgt dat verbalisant [verbalisant 1] op 26 februari 2025 een foto van de mogelijke verdachte heeft getoond aan aangeefster en haar heeft gevraagd of dit de persoon betrof die bij haar aan de deur was geweest, waarop aangeefster zei: “Ja, dat is zo”. Echter blijkt niet uit het proces-verbaal welke foto aan aangeefster is getoond en of dit een foto van de verdachte betrof.

Ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 15 mei 2026 heeft de verdachte verklaard dat hij niet bij de woning van aangeefster is geweest. Hij heeft verklaard dat hij door een persoon is benaderd via Snapchat met de opdracht om meerdere geldbedragen te pinnen. De verdachte heeft de twee pinpassen en de pincodes van deze persoon gekregen en heeft de geldbedragen gepind bij de Geldmaat in ruil voor 200 euro. Hij wist niet van wie de pinpassen afkomstig waren en heeft verklaard niet betrokken te zijn geweest bij de oplichting.

Voorts heeft het hof in het procesdossier geen andere bewijsmiddelen aangetroffen waaruit volgt dat de verdachte betrokkenheid heeft gehad bij de aan hem onder 1 tenlastegelegde handelingen.

Naar het oordeel van het hof kan op grond van het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting dan ook niet wettig en overtuigend worden bewezen dat de verdachte aangeefster door één of meer van de in artikel 326, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde oplichtingsmiddelen heeft bewogen tot afgifte van haar bankpassen en telefoon. Het hof zal de verdachte daarom vrijspreken van het aan hem onder 1 tenlastegelegde feit.

Bewezenverklaring van feit 2

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

2.hij op 3 februari 2025 te Born, gemeente Sittard-Geleen, en Echt, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, geldbedragen die aan [benadeelde] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededader(s) die weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van een valse sleutel, door met een valselijk en wederrechtelijk verkregen bankpas en pincode pintransacties te verrichten bij een betaalautomaat en bij een winkel;

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

Het hof zal, nu de verdachte het bewezenverklaarde feit heeft bekend, overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Het hof acht het feit wettig en overtuigend bewezen gelet op:

1. De bekennende verklaring van de verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 15 mei 2026;

2. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 21 februari 2025 (dossierpagina’s 6-9), voor zover inhoudende als verklaring van aangever [benadeelde] ;

3. Het proces-verbaal multimedia d.d. 26 februari 2025 (dossierpagina’s 47-49), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 2] ;

4. Het proces-verbaal multimedia d.d. 26 februari 2025 (dossierpagina’s 50-53), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 2] ;

5. Het aanvullend proces-verbaal van bevindingen d.d. 15 mei 2026 (los opgenomen), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 3] .

Bewijsoverwegingen

De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 2 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.

Op te leggen sanctie

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Het hof overweegt in het bijzonder het volgende.

Ten aanzien van de ernst van het bewezenverklaarde heeft het hof in aanmerking genomen dat de verdachte zich in vereniging schuldig heeft gemaakt aan diefstal van geldbedragen door middel van een valse sleutel. Door te handelen zoals bewezen is verklaard, heeft de verdachte blijk gegeven geen enkel respect te hebben voor de eigendommen van een ander. De verdachte heeft zijn eigen gewin vooropgesteld, zonder zich te bekommeren om de uitwerking van zijn daden op het slachtoffer. Het hof rekent het de verdachte aan dat hij heeft gehandeld zoals is bewezenverklaard.

Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 13 mei 2026, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat de verdachte voorafgaande aan het bewezenverklaarde niet eerder is veroordeeld voor een soortgelijk feit. Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken.

Ofschoon het hof komt tot een bewezenverklaring van minder dan waarvan in de vordering van de advocaat-generaal is uitgegaan, acht het hof toch een straf, gelijk aan die welke door de advocaat-generaal is gevorderd, geboden. Het hof heeft in dit verband in het bijzonder rekening gehouden met de aard en ernst van het bewezenverklaarde handelen.

Al het vorenstaande afwegende acht het hof – met de advocaat-generaal en de verdediging – een taakstraf voor de duur van 200 uren subsidiair 100 dagen hechtenis en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden passend en geboden. Het hof ziet in de persoonlijke omstandigheden en het justitiële verleden van de verdachte reden om daaraan een proeftijd van 3 jaren te verbinden.

Met oplegging van een voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij [benadeelde] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 2.313,40, bestaande uit € 1.563,40 aan materiële schade en € 750,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van ontstaan van de schade. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep geheel toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente. De benadeelde partij heeft te kennen gegeven de gehele vordering in hoger beroep te handhaven.

De vordering tot vergoeding van materiële schade valt uiteen in de volgende onderdelen:

Vergoeding van de afgeschreven geldbedragen van de betaalrekening bij SNS -bank ter hoogte van € 842,90;

Vergoeding van de afgeschreven geldbedragen van de betaalrekening bij Rabobank ter hoogte van € 480,00;

Vergoeding van de Samsung Galaxy telefoon ter hoogte van € 240,50.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde] als gevolg van verdachtes bewezenverklaarde handelen met zijn medeverdachte(n) rechtstreeks materiële schade tot een bedrag van € 1.563,40 heeft geleden. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is, met een beslissing omtrent de kosten als hierna zal worden vermeld.

Met betrekking tot de immateriële schade overweegt het hof als volgt.

De benadeelde partij stelt zich in haar vordering tot schadevergoeding primair op het standpunt dat zij aanspraak maakt op vergoeding van de geleden immateriële schade, omdat de verdachte met de oplichting ‘het oogmerk had zodanig nadeel toe te brengen’, zoals bedoeld in artikel 6:106 aanhef en onder a, van het Burgerlijk Wetboek. Subsidiair stelt de benadeelde partij zich op het standpunt dat zij door verdachtes handelen ‘op andere wijze in de persoon is aangetast’, zoals bedoeld in artikel 6:106 aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek. Dit is volgens de benadeelde partij veroorzaakt door de aan de verdachte tenlastegelegde oplichtingshandelingen. Nu de verdachte wordt vrijgesproken van het aan hem onder 1 tenlastegelegde feit, is de vraag aan de orde of de vordering ter zake de gestelde immateriële schade toewijsbaar is voor zover deze ziet op het bewezenverklaarde feit 2. Het hof is van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat de gestelde immateriële schade tot een bedrag van € 750,00 het rechtstreekse gevolg is van het bewezenverklaarde strafbare feit van diefstal met een valse sleutel. Een nader onderzoek naar de causaliteit zou naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. Mitsdien zal het hof de benadeelde partij in de gevorderde schadepost niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de benadeelde partij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Concluderend zal het hof de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] gedeeltelijk toewijzen tot een totaalbedrag van € 1.563,40 aan vergoeding van materiële schade. Het hof zal de vordering voor het overige niet-ontvankelijk verklaren.

Wettelijke rente

De vergoedingen van de schade zullen worden vermeerderd met de wettelijke rente, met

ingang van 3 februari 2025, zijnde de datum waarop het bewezenverklaarde feit heeft

plaatsgevonden.

Hoofdelijk aansprakelijk

Verdachte is voor de schade naar burgerlijk recht met zijn mededader(s) op grond van artikel 6:166 van het Burgerlijk Wetboek hoofdelijk aansprakelijk. Dit betekent dat de verdachte tegenover de benadeelde partij voor dat hele bedrag aansprakelijk is. Het hof zal de verdachte hoofdelijk veroordelen tot betaling van de geleden schade zoals hierboven is overwogen en vastgesteld. Daarbij geldt dat de verdachte, voor zover (een van) de mededader(s) een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, dat deel van de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen.

Proceskosten

Het hof zal de verdachte, die als de in het ongelijk gestelde partij kan worden aangemerkt, tevens hoofdelijk veroordelen in de kosten en de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil.

Schadevergoedingsmaatregel

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [benadeelde] is toegebracht tot een bedrag van € 1.563,40. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.

Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 februari 2025 tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 63 en 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.
BESLISSING
Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 200 (tweehonderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 100 (honderd) dagen hechtenis.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 1.563,40 (duizend vijfhonderddrieënzestig euro en veertig cent) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde] , ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 1.563,40 (duizend vijfhonderddrieënzestig euro en veertig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 15 (vijftien) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 3 februari 2025.

Aldus gewezen door:

mr. H.A.T.G. Koning, voorzitter,

mr. O.A.J.M. Lavrijssen en mr. J.C. Gillesse, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. K. Holleman en mr. N.S. Willems Ettori-Oort, griffiers,

en op 29 mei 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. J.C. Gillesse is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

Tenzij anders vermeld wordt hierna verwezen naar pagina’s van het dossier van de politie-eenheid Limburg, registratienummer 2441-2025028668, gesloten d.d. 23 juli 2025, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 3] , agent van de Eenheid Limburg (doorgenummerde pagina’s 1 tot en met 74). Alle tot het bewijs gebezigde processen-verbaal zijn, voor zover niet anders vermeld, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten en alle verklaringen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven.

Artikel delen