Menu

Filter op
content
PONT | Governance

0

ECLI:NL:GHSHE:2026:1396

vrijspraak van mishandeling levensgezel. veroordeling wegens - Opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen en - Wederrechtelijk in de woning vertoevende, zich niet op de vordering van of vanwege de rechthebbende aanstonds verwijderen tot 1 dag gevangenisstraf (22b sr van toepassing) en taakstraf 80 uur. Beslissing vordering benadeelde ...

Gerechtshof 's-Hertogenbosch 1 juni 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:GHSHE:2026:1396 text/xml public 2026-06-01T17:25:08 2026-06-01 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2026-05-29 20-003441-24 Uitspraak Hoger beroep Op tegenspraak NL 's-Hertogenbosch Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:1396 text/html public 2026-06-01T17:20:34 2026-06-01 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHSHE:2026:1396 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 29-05-2026 / 20-003441-24
vrijspraak van mishandeling levensgezel.

veroordeling wegens

- Opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen en

- Wederrechtelijk in de woning vertoevende, zich niet op de vordering van of vanwege de rechthebbende aanstonds verwijderen

tot 1 dag gevangenisstraf (22b sr van toepassing) en taakstraf 80 uur.

Beslissing vordering benadeelde partij

Parketnummer : 20-003441-24

Uitspraak : 29 mei 2026

TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof 's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 16 december 2024, in de strafzaak met parketnummer 01-072018-23 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1983,

wonende te [adres] .

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van:

mishandeling, terwijl de schuldige het misdrijf begaat tegen zijn levensgezel;

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen;

wederrechtelijk in de woning vertoevende, zich niet op de vordering van of vanwege de rechthebbende aanstonds verwijderen,

veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 1 maand met een proeftijd van 2 jaren. Voorts heeft de politierechter de verdachte veroordeeld tot een geldboete van

€ 1.000,00, subsidiair 20 dagen hechtenis, welke dient te worden voldaan in 5 termijnen van € 200,00 euro per maand. Tot slot heeft de politierechter de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toegewezen tot een bedrag van € 150,00 vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De politierechter heeft de benadeelde partij in de vordering voor het overige deel niet-ontvankelijk verklaard.

Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de aan de verdachte onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde feiten zal bewezen verklaren en aan de verdachte zal opleggen een gevangenisstraf van 3 weken. De advocaat-generaal heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] deels dient te worden toegewezen, te weten tot een bedrag van € 150,00, te vermeerderen met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partij dient voor het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard.

De raadsman heeft vrijspraak van het onder feit 1 tenlastegelegde bepleit en zich geschaard zich achter de door de advocaat-generaal gevorderde straffen voor het onder 2 en 3 tenlastegelegde.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat de politierechter heeft volstaan met aantekening van de uitspraak op een aan het dubbel van de dagvaarding gehecht stuk, maar het hof gebonden is aan het motiveringsvoorschrift van artikel 359 van het Wetboek van Strafvordering.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

1.hij op of omstreeks 1 oktober 2022 te 's-Hertogenbosch zijn levensgezel, [slachtoffer] , heeft mishandeld door een (volle) wasmand tegen haar aan, althans in haar richting, te schoppen en/of te gooien;

2.hij op of omstreeks 1 oktober 2022 te 's-Hertogenbosch opzettelijk en wederrechtelijk een televisie, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander, toebehoorde, heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;

3.hij op of omstreeks 1 oktober 2022 te 's-Hertogenbosch in de woning, het besloten lokaal en/of het besloten erf, aan de [locatie] , bij [slachtoffer] , althans bij een ander of anderen dan bij verdachte, in gebruik, wederrechtelijk aldaar vertoevende zich niet op de vordering van of vanwege de rechthebbende(n) aanstonds heeft verwijderd;

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

De verdachte wordt onder feit 1 verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan mishandeling van zijn levensgezel, [slachtoffer] , door een volle wasmand tegen haar aan te schoppen en/of te gooien.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het hof deze mishandeling wettig en overtuigend bewezen dient te verklaren. Daartoe heeft de advocaat-generaal aangevoerd dat op grond van de bewijsmiddelen in het dossier kan worden vastgesteld dat de verdachte een volle wasmand tegen [slachtoffer] aan heeft geschopt dan wel gegooid. Dat niet is vast komen te staan of de verdachte tegen de wasmand heeft geschopt of dat hij daarmee heeft gegooid, doet niet af aan de omstandigheid dat die wasmand in elk geval door het handelen van de verdachte tegen de aangeefster is aangekomen en dat daardoor sprake is van mishandeling, aldus de advocaat-generaal. De advocaat-generaal heeft wel vrijspraak van het strafverzwarende bestanddeel ‘levensgezel’ gevorderd, nu niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte en de aangeefster op 1 oktober 2022 nog een relatie hadden. Volgens de aangeefster zelf was hun relatie reeds beëindigd.

Het hof overweegt als volgt.

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep volgt dat aangeefster [slachtoffer] op 1 oktober 2022 letsel aan haar voet heeft opgelopen. Zij heeft over de toedracht echter uiteenlopende verklaringen afgelegd. Zo verklaart de aangeefster op 1 oktober 2022 dat de verdachte een volle wasmand in haar richting heeft gegooid en dat die op haar voet is beland. Op 4 oktober 2022, drie dagen later, verklaart zij echter dat de verdachte tegen de volle wasmand heeft geschopt, waardoor deze op haar voet terecht is gekomen. Ongeveer twee jaar later, op 12 november 2024, verklaart de aangeefster dat de wasmand door de verdachte in haar richting is gegooid. In de verklaringen die door de getuige [getuige] zijn afgelegd, volgt evenmin een eenduidige zienswijze op de gebeurtenis. Zo verklaart hij op 21 februari 2023 dat de verdachte ‘tegen de wasmand schopte die in de hal stond’ en ‘dat de wasmand met kracht tegen haar voet kwam’, terwijl hij op 10 februari 2026 bij de raadsheer-commissaris verklaart dat de verdachte ‘die wasmand op haar voet [heeft] gegooid of geschopt’. Verderop in het verhoor merkt hij echter op dat de verdachte ‘uit frustratie schopte (…) tegen de zware wasmand’ en dat die ‘tegen haar voet aan’ kwam.

De verdachte heeft zowel bij de politie als ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep ontkend een wasmand te hebben gegooid of geschopt richting de aangeefster. Voorts heeft hij, ter terechtzitting in hoger beroep, verklaard dat de aangeefster, toen zij naar buiten rende, haar voet tegen een hek heeft gestoten en dat zij daardoor het letsel op haar voet heeft opgelopen.

Schoppen en gooien van een wasmand verschillen voor wat betreft de mogelijkheid letsel te veroorzaken niet wezenlijk van elkaar, maar wel voor wat betreft de uiterlijke verschijningsvorm. Dit roept de vraag op hoe het kan dat op dit punt verschillend én wisselend is verklaard. Hoewel het hof niet kan uitsluiten dat beide geweldshandelingen hebben plaatsgevonden volgt dit evenwel niet (zonder meer) uit de afgelegde verklaringen. Het is hierdoor niet zonder twijfel duidelijk of en zo ja welke van de door aangever en/of getuige genoemde toedracht de ware is geweest.

Nu het hof uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging heeft bekomen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan, zal de verdachte daarvan worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

2.hij op 1 oktober 2022 te 's-Hertogenbosch opzettelijk en wederrechtelijk een televisie, die geheel aan [slachtoffer] toebehoorde, heeft vernield;

3.hij op 1 oktober 2022 te ’s-Hertogenbosch, in de woning aan de [locatie] , bij [slachtoffer] in gebruik, wederrechtelijk aldaar vertoevende zich niet op de vordering van of vanwege de rechthebbende aanstonds heeft verwijderd.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.

Bewijsoverwegingen

De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.

Het onder 3 bewezenverklaarde levert op:

wederrechtelijk in de woning vertoevende, zich niet op de vordering van of vanwege de rechthebbende aanstonds verwijderen.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.

Op te leggen sanctie

Door de raadsman van de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep verzocht om bij de strafoplegging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan. Door de raadsman is verzocht om rekening te houden met de financiële draagkracht van de verdachte in het geval van oplegging van een geldboete. Daarnaast is verzocht rekening te houden met de omstandigheid dat het feiten van vier jaar geleden betreft.

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich op 1 oktober 2022 schuldig heeft gemaakt aan vernieling en het niet verlaten van een woning die hij wederrechtelijk heeft betreden. De verdachte heeft met zijn gedragingen laten zien dat hij geen enkel respect heeft voor het eigendomsrecht van een ander. Naast de materiële schade heeft het handelen van de verdachte ook geleid tot gevoelens van angst en overlast bij de aangeefster, die een tijd niet in haar woning durfde te verblijven uit angst voor herhaling.

Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof acht geslagen op het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 12 maart 2026, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk voor een soortgelijk feit is veroordeeld. Voorts volgt uit voornoemd uittreksel dat artikel 22b van het Wetboek van Strafrecht, het zogenoemde taakstrafverbod, van toepassing is.

Ten slotte heeft het hof acht geslagen op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals die tijdens het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep en uit het reclasseringsrapport d.d. 22 november 2024 zijn gebleken. Daaruit volgt dat het de verdachte ontbreekt aan vaardigheden ten aanzien van agressie- en emotieregulatie. Daarnaast wordt de houding van de verdachte door de reclassering gezien als een risicofactor, nu de verdachte aangeeft moeite te hebben met gezag en duidelijk kenbaar heeft gemaakt niet zijn medewerking te gaan verlenen aan reclasseringsbemoeienis. De verdachte heeft op dit moment een gezonde relatie en hij heeft contact met zijn dochter uit een eerdere relatie.

Alle omstandigheden afwegende acht het hof passend en geboden aan de verdachte een gevangenisstraf van 1 dag, alsmede een taakstraf voor de duur van 80 uren subsidiair 40 dagen hechtenis op te leggen. Het hof ziet af van het opleggen van bijzondere voorwaarden, nu uit het reclasseringsrapport volgt dat zij geen mogelijkheden zien om met interventies of toezicht de risico's te beperken of het gedrag te veranderen.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een totaalbedrag van € 5.050,00 aan materiële en immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. Deze vordering is opgebouwd uit de navolgende schadeposten:

een bedrag van € 150,00 aan materiële schade, ter zake van een vernielde televisie;

een bedrag van € 50,00 aan materiële schade, ter zake van een onbruikbaar gemaakte mobiele telefoon;

een bedrag van € 150,00 aan immateriële schade, ter zake van een vernielde bananenboom die geërfd is van de oma van [slachtoffer] ;

een bedrag van € 200,00 aan immateriële schade, ter zake van het niet kunnen beschikken over belangrijke documenten op een mobiele telefoon, waarvan de toegang niet langer mogelijk was;

een bedrag van € 2.000,00 aan immateriële schade, ter zake van opgelopen voetletsel, waardoor [slachtoffer] voor de duur van een maand geen auto heeft kunnen rijden of heeft kunnen werken;

een bedrag van € 2.500,00 aan immateriële schade, ter zake van emotionele klachten, zoals angstaanvallen en slecht slapen.

Bij vonnis waarvan beroep is de vordering tot een totaalbedrag van € 150,00 aan materiële schade (de post ‘televisie’) toegewezen. De politierechter heeft de benadeelde partij voor het overige – te weten de materiële schade van € 50,00 ten aanzien van de mobiele telefoon en het gehele bedrag aan immateriële schade van € 4.850,00 – in de vordering niet-ontvankelijk verklaard.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [slachtoffer] als gevolg van verdachtes onder 2 bewezenverklaarde handelen rechtstreeks schade is toegebracht. Het hof overweegt daartoe als volgt. De gevorderde schade aan de televisie is naar het oordeel van het hof op basis van de aangeleverde stukken voldoende aannemelijk geworden. Bovendien is de vordering op dit onderdeel door de verdediging niet betwist. Deze gevorderde materiële schade zal derhalve ten laste van de verdachte tot een totaalbedrag van € 150,00 worden toegewezen, met vermeerdering met de wettelijke rente met ingang van de dag van het ontstaan van de schade. Het hof zal daarbij uitgaan van de pleegdatum, te weten 1 oktober 2022.

De benadeelde partij zal voor het overige deel niet-ontvankelijk in de vordering worden verklaard. Met betrekking tot de schade aan de telefoon is het hof van oordeel dat niet is gebleken van een rechtstreeks verband met het bewezenverklaarde handelen van de verdachte. Met betrekking tot de gevorderde immateriële schade is het hof van oordeel dat niet eenvoudig is vast te stellen of en in hoeverre de geleden schade in directe relatie staat tot het bewezenverklaarde. Nader onderzoek naar dit deel van de vordering zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij kan daarom thans in dit deel van haar vordering niet worden ontvangen en kan haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Het hof zal de verdachte, die als de in het ongelijk gestelde partij kan worden aangemerkt, tevens veroordelen in de proceskosten aan de zijde van de benadeelde partij, ten tijde van het wijzen van dit arrest begroot op nihil. Voorts zal de verdachte worden veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging van dit arrest door de benadeelde partij nog te maken kosten.

Schadevergoedingsmaatregel

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het onder 2 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [slachtoffer] is toegebracht tot een bedrag van € 150,00. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.

Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 oktober 2022 tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d, 36f, 57, 138 en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.
BESLISSING
Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 2 en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) dag.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 80 (tachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 40 (veertig) dagen hechtenis.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 150,00 (honderdvijftig euro) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 150,00 (honderdvijftig euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 1 oktober 2022.

Aldus gewezen door:

mr. J.C. Gillesse, voorzitter,

mr. H.A.T.G. Koning en mr. O.A.J.M. Lavrijssen, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. M.C.E. Joosen en mr. N.S. Willems Ettori-Oort, griffiers,

en op 29 mei 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. J.C. Gillesse is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

Artikel delen