Vernietiging ondertoezichtstelling; de hulpverlening voor het wegnemen van de ernstige ontwikkelingsbedreiging werd voldoende geaccepteerd.
Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2 april 2026
Jurisprudentie – Uitspraken
ECLI
ECLI:NL:GHSHE:2025:3644
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
18-12-2025
Datum publicatie
02-04-2026
Zaaknummer
200.359.467_01
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
ECLI:NL:GHSHE:2025:3644text/xmlpublic2026-04-02T09:49:362025-12-18Raad voor de RechtspraaknlGerechtshof 's-Hertogenbosch2025-12-18200.359.467_01UitspraakHoger beroepNL's-HertogenboschCiviel recht; Personen- en familierechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2025:3644text/htmlpublic2026-04-02T09:48:362026-04-02Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:GHSHE:2025:3644 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 18-12-2025 / 200.359.467_01 Vernietiging ondertoezichtstelling; de hulpverlening voor het wegnemen van de ernstige ontwikkelingsbedreiging werd voldoende geaccepteerd.
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH Team familie- en jeugdrecht Uitspraak : 18 december 2025
Zaaknummer : 200.359.467/01
Zaaknummer eerste aanleg : C/01/415005 / JE RK 25-572 in de zaak in hoger beroep van:
[de moeder]
,
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. Z. Vis, tegen Raad voor de Kinderbescherming,
regio Oost-Brabant, locatie [locatie] ,
verweerder in hoger beroep,
hierna te noemen: de raad. Deze zaak gaat over:
[minderjarige]
, geboren op [geboortedatum] 2008 te [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] . Als belanghebbenden merkt het hof aan:
[de vader]
,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: de vader, Stichting Jeugdbescherming Brabant,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
hierna te noemen: de GI (gecertificeerde instelling). 1Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 20 juni 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. 2Het geding in hoger beroep2.1. Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking is, voor zover in hoger beroep van belang, [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 20 juni 2025 tot 20 december 2025. De beslissing op het verzoek is voor het overige aangehouden. 2.2. De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en is hiervan in hoger beroep gekomen. Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 19 september 2025, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende het verzoek van de raad om [minderjarige] onder toezicht te stellen af te wijzen. 2.3. Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 14 november 2025, heeft de raad verzocht het verzoek van de moeder af te wijzen als zijnde ongegrond en onbewezen en de bestreden beschikking te bekrachtigen. 2.4. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 27 november 2025. Bij die gelegenheid zijn gehoord: de moeder, bijgestaan door mr. Vis; de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] ; de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] (via digitale verbinding). 2.4.1. De raad is, met bericht van afmelding, niet tijdens de mondelinge behandeling verschenen. De vader is, hoewel behoorlijk opgeroepen, eveneens niet tijdens de mondelinge behandeling verschenen. 2.5. Het hof heeft [minderjarige] in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken. Hij heeft hiervan gebruik gemaakt door het hof een brief te sturen, die ter griffie is ingekomen op 12 november 2025. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de voorzitter de inhoud van die brief zakelijk weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren. 2.6. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van: het V6-formulier met bijlagen d.d. 24 november 2025 namens de moeder; het V8-formulier met bijlagen d.d. 26 november 2025 namens de moeder; de tijdens de mondelinge behandeling overgelegde spreekaantekeningen namens de moeder. 3De feiten3.1. De moeder en de vader hebben een relatie gehad. Tijdens deze relatie is [minderjarige] geboren. 3.2. De vader heeft [minderjarige] erkend en de ouders hebben in het gezagsregister laten aantekenen dat zij gezamenlijk zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] . 4De beoordeling4.1. De moeder voert – samengevat – het volgende aan. Ten onrechte heeft de rechtbank overwogen dat [minderjarige] ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Zorgen over de cognitieve en sociaal-emotionele ontwikkeling vormen op zichzelf nog geen ernstige ontwikkelingsbedreiging. Er zijn bovendien geen zorgen over de cognitieve ontwikkeling van [minderjarige] . Hij heeft certificaten gehaald op mbo-niveau 2, 3 en 4, heeft zelfstandig cursussen gevolgd en vloeiend Engels leren spreken. [minderjarige] is toegelaten op de mbo-2-opleiding Medewerker productietechniek constructie bij [school] en werkt sinds 25 augustus 2025 vier dagen per week bij [bedrijf] in [plaats] en gaat één dag per week naar school. Hij gaat met plezier en krijgt goede begeleiding van zowel de school als het leerwerkbedrijf, evenals van zijn persoonlijk begeleider. Hij fietst iedere dag 12 kilometer heen en terug naar het werk. Uit de AMN-test die onderdeel was van de aanmeldingsprocedure blijkt een opvallend goede cognitieve ontwikkeling. Ook zijn er geen noemenswaardige zorgen over [minderjarige] sociaal-emotionele ontwikkeling. Hij functioneert goed in sociale situaties en toont verantwoordelijkheid. In een multidisciplinair overleg met de jeugdbeschermer, de persoonlijk begeleider, de trajectbegeleider en docent is naar voren gekomen dat [minderjarige] het goed doet en dat er geen zorgen zijn. De leerplichtambtenaar heeft niet deelgenomen aan dat overleg, omdat [minderjarige] voldoet aan de leerplicht. Naar aanleiding van het overleg heeft de trajectbegeleider van [instantie 1] zich teruggetrokken, omdat is vastgesteld dat [minderjarige] zijn opleiding volgt en daarbij passende begeleiding krijgt. Tijdens dit overleg is eveneens besproken dat (nog) geen diagnostisch onderzoek zal gaan plaatsvinden, aangezien het goed gaat met [minderjarige] , de AMN-test reeds een beeld geeft en geen van de professionals en de ouders meerwaarde zien in nog meer onderzoek.
De moeder heeft zich in de afgelopen jaren actief ingezet voor passende hulpverlening. Hierdoor is hulpverlening gekomen vanuit [instantie 2] en is de heer [begeleider] nauw betrokken geraakt als begeleider van [minderjarige] . Ook heeft de moeder [instantie 1] ingeschakeld en contact onderhouden met de leerplichtambtenaar. In nauwe samenwerking met deze instanties heeft de moeder ervoor gezorgd dat [minderjarige] de ondersteuning kreeg die hij nodig had en stappen kon zetten richting onderwijs en zelfstandigheid. [minderjarige] heeft deze hulp vrijwillig aanvaard en daaruit zijn concrete resultaten voortgekomen. De rechtbank heeft miskend dat de reeds ingezette stappen in het vrijwillig kader voldoende waren om de zorgen over [minderjarige] omtrent zijn schoolgang weg te nemen. Gelet hierop is een ondertoezichtstelling een ongerechtvaardigde inmenging in het gezinsleven. [minderjarige] is ruim voor de mondelinge behandeling in eerste aanleg aangemeld voor een onderwijs-oriëntatietraject en een Entree-opleiding. Dat de opleiding nog niet was aangevangen ten tijde van de mondelinge behandeling in eerste aanleg, maakt nog niet dat dit doel niet was behaald. De recente ontwikkelingen zijn het vervolg van de stappen die reeds in 2023 in gang zijn gezet en waar dus al twee jaar hard aan gewerkt is in samenspraak met de hulpverleners, waarbij de intrinsieke motivatie van [minderjarige] leidend is geweest. Het gedwongen kader heeft hieraan niet bijgedragen, dit heeft enkel voor stress gezorgd. Het is bovendien onjuist dat het de ouders niet lukt om samen beslissingen te nemen over [minderjarige] . Er is al sinds 2022 sprake van parallel ouderschap, zoals tussen partijen is afgesproken en bevestigd door de betrokken professionals. Binnen dit kader vindt afstemming plaats en worden gezamenlijke beslissingen genomen over belangrijke zaken. Er is positief en constructief contact via Whatsapp, e-mail en telefoon. De ondertoezichtstelling is een ingrijpende maatregel die slechts mag worden toegepast indien deze noodzakelijk is. In dit geval is niet aangetoond dat de maatregel noodzakelijk is om de ontwikkeling van [minderjarige] te beschermen. Bovendien bestaat het risico dat deze contraproductief zal werken. De raad heeft inmiddels laten weten het aangehouden deel van het verzoek tot ondertoezichtstelling niet te handhaven. 4.2. De raad voert – samengevat – het volgende aan. De jeugdbeschermer geeft aan dat [minderjarige] met ondersteuning van zijn persoonlijk begeleider stappen heeft gezet en is gestart met een BBL-traject MBO niveau 2 bij [school] . [minderjarige] heeft de aanmelding en het daarbij behorende traject van het vinden van een leerwerkplek zelf gerealiseerd en zet zich er volledig voor in. Op 4 september 2025 heeft er een overleg plaatsgevonden met de jeugdbeschermer, school, de vader, de stagebegeleider en de persoonlijk begeleider van [minderjarige] . Hier zijn afspraken gemaakt over korte communicatielijnen, en dat [instantie 1] en de leerplicht niet meer bij de casus betrokken zijn. Er is overeengekomen dat er voorlopig geen diagnostisch onderzoek in gang wordt gezet vanwege de AMN-test die reeds een beeld geeft. Op 26 oktober 2025 heeft de jeugdbeschermer teruggekoppeld gekregen van de persoonlijk begeleider van [minderjarige] dat de werkbegeleider en de werknemers van het bedrijf waar [minderjarige] stage loopt positief zijn over zijn motivatie en vaardigheden. De docent van school heeft ook een positief beeld over het functioneren van [minderjarige] . De jeugdbeschermer geeft desgevraagd aan dat er een plan B is, in de zin dat is overeengekomen dat indien [minderjarige] tegen zaken aanloopt met betrekking tot onderwijs en motivatie de school bereid is om extra ondersteuning in te zetten. De jeugdbeschermer geeft aan dat de intrinsieke motivatie van [minderjarige] meer leidend lijkt te zijn geweest dan de ondertoezichtstelling. Volgens de raad is de situatie echter nog pril en bovendien is het eerder voorgekomen dat [minderjarige] motivatie voor een onderwijstraject na enkele maanden afnam. De ontwikkeling van [minderjarige] was zorgelijk gezien het feit dat hij ten tijde van de mondelinge behandeling in eerste aanleg al vierenhalf jaar niet naar school ging. De BBL-opleiding is bij het schrijven van het verweerschrift pas enkele weken in gang en bevindt zich nog in de fase van verkenning. Het is nog niet zeker dat [minderjarige] hierin kan volharden. Het klopt dat de moeder de afgelopen jaren een inzet heeft getoond in het realiseren van hulpverlening voor [minderjarige] , maar met deze hulpverlening is het niet gelukt om de reguliere schoolgang van [minderjarige] te hervatten. Evenmin om de ontwikkeling van [minderjarige] en zijn zelfstandigheid te vergroten. Daarbij komt dat de moeder de achterstand van [minderjarige] niet lijkt te erkennen. De raad heeft op basis van twee raadsonderzoeken, waarin contact is geweest met [instantie 3] , [instantie 2] , gemeente [gemeente] afdeling leerplicht, [school] en [instantie 1] , het beeld gekregen dat de moeder niet altijd transparant is in het delen van informatie, hetgeen de samenwerking en effect van de hulpverlening bemoeilijkt. Op basis van de raadsonderzoeken ziet de raad ook dat het de ouders niet lukt om samen beslissingen te nemen over [minderjarige] . De moeder is geneigd om haar eigen koers te bepalen en de vader slechts waar nodig op de hoogte te brengen. Om [minderjarige] verder te helpen in zijn ontwikkeling op verschillende levensgebieden is constructieve samenwerking tussen de ouders van groot belang. Hulpverlening om tot een effectievere samenwerking op ouderniveau te komen en gezamenlijk beslissingen te kunnen nemen, wordt tot op heden afgehouden.
De raad heeft de rechtbank geïnformeerd het aangehouden deel van het verzoek tot ondertoezichtstelling niet te handhaven. 4.3. De GI voert – samengevat – het volgende aan. De jeugdbeschermer heeft tijdens de mondelinge behandeling in eerste aanleg reeds aangegeven wel ontwikkelingsbedreigingen bij [minderjarige] te zien, maar zich hardop afgevraagd of een ondertoezichtstelling wel de juiste maatregel is gezien de leeftijd van [minderjarige] en het patroon waar de ouders in zaten. De jeugdbeschermer is desondanks positief over wat er binnen de ondertoezichtstelling is bereikt. Er zijn een aantal gesprekken gevoerd met de ouders, wat de ouders inzicht heeft gegeven. Zo was de moeder in de veronderstelling dat ze voldoende informatie aan de vader gaf en is met de vader besproken dat hij actiever mag zijn in het verkrijgen van informatie. De jeugdbeschermer denkt dat zij geen invloed heeft gehad in het proces rondom [minderjarige] . De jeugdbeschermer heeft enkel afspraken in gang gezet om de lijnen kort te houden. Het proces rondom de schoolgang liep al. 4.4. Het hof overweegt als volgt. 4.4.1. Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 van Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en: de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en; de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen. 4.4.2. Evenals de rechtbank en de raad is het hof van oordeel dat [minderjarige] ernstig in zijn ontwikkeling werd bedreigd. De zorgen over zijn cognitieve en sociaal-emotionele ontwikkeling, gelegen in het feit dat [minderjarige] reeds ruim vierenhalf jaar niet naar school ging, zijn ernstig en complex. Ondanks verschillende pogingen was het [minderjarige] in al die jaren niet gelukt om passend onderwijs te vinden en een reguliere schoolgang te hervatten. Daarbij werd gezien dat de ouders niet in staat waren om op constructieve wijze met elkaar over [minderjarige] te overleggen en dat het hen niet lukte om af te stemmen hoe zij als verantwoordelijke ouders effectief ondersteuning voor [minderjarige] konden inzetten. 4.4.3. Anders dan de rechtbank is het hof echter van oordeel dat de zorg die in het verband met het wegnemen van deze ontwikkelingsbedreiging noodzakelijk is, voldoende door de ouders en de minderjarige in het vrijwillige kader werd geaccepteerd zodat de ingrijpende maatregel van een ondertoezichtstelling niet noodzakelijk was. Nadat [minderjarige] is uitgevallen op school hebben de ouders zich ingezet en zich bereid getoond naar hulpverlening. [instantie 3] is al enkele jaren betrokken in het gezin en [minderjarige] is reeds in 2021 aangemeld bij [instantie 2] , waar hij een periode meerdere dagdelen per week naartoe is gegaan. Ook is bereidheid getoond in de samenwerking met [instantie 1] . Op enig moment is vanwege het uitblijven van onderwijs de leerplichtambtenaar betrokken geraakt. Meermaals is door de leerplichtambtenaar gesproken om een vrijstelling van de leerplichtwet voor [minderjarige] aan te vragen, maar dit hebben de ouders nooit verzocht. Er is steeds ingezet op het versterken en ontwikkelen van [minderjarige] . Hij is vakken en cursussen gaan volgen en is zich blijven oriënteren op het vinden van passend onderwijs. Dit heeft uiteindelijk geleid tot zijn aanmelding bij [school] . Namens moeder is toegelicht dat reeds sinds 2023 stappen zijn gezet om te komen tot deze aanmelding. Ten tijde van de procedure in eerste aanleg was de aanmelding voor een opleiding op [school] al gedaan. Gezien wordt dat [minderjarige] inmiddels ruim drie maanden naar school gaat en daarnaast werkt, en dat het goed gaat. De jeugdbeschermer heeft toegelicht dat zij geen aandeel heeft gehad in deze ontwikkeling, maar dat het [minderjarige] vanwege zijn intrinsieke motivatie is gelukt om zijn schoolgang te hervatten. Het hof acht het van het grootste belang dat deze ontwikkeling wordt vastgehouden, maar heeft daarbij gelet op het verleden vertrouwen dat op het moment dat [minderjarige] toch extra ondersteuning nodig heeft, hij en de ouders hiervoor open staan. Vanuit [school] is aangegeven dat zij die ondersteuning kunnen bieden. 4.5. Gelet op het voorgaande is het hof dus van oordeel dat niet is voldaan aan de wettelijke vereisten van artikel 1:255 lid 1 BW. Dit leidt ertoe dat de bestreden beschikking dient te worden vernietigd en het inleidende verzoek van de raad alsnog dient te worden afgewezen. 5De beslissing Het hof: vernietigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 20 juni 2025; en opnieuw rechtdoende: wijst alsnog af het inleidend verzoek van de raad tot ondertoezichtstelling van [minderjarige] ; verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad; verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht ter attentie van het centraal gezagsregister; wijst af het meer of anders verzochte. Deze beschikking is gegeven door mrs. G.M. Goes, E.P. de Beij en S.P.A Wensink-Vergunst en is op 18 december 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.