Menu

Filter op
content
PONT | Governance

0

ECLI:NL:GHAMS:2026:1386

gezag. Informatie- en consultatieregeling. Omgangs-, feestdagen- en vakantieregeling. Videobelmoment. Artikel: 1:253c lid 1 BW, 1:377b lid 1 BW, 1:377e BW

Gerechtshof Amsterdam 1 juni 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:GHAMS:2026:1386 text/xml public 2026-06-01T16:01:31 2026-05-26 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Amsterdam 2026-05-26 200.363.104/01 Uitspraak Hoger beroep Beschikking NL Amsterdam Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:1386 text/html public 2026-06-01T15:54:30 2026-06-01 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHAMS:2026:1386 Gerechtshof Amsterdam , 26-05-2026 / 200.363.104/01
gezag. Informatie- en consultatieregeling. Omgangs-, feestdagen- en vakantieregeling. Videobelmoment.

Artikel: 1:253c lid 1 BW, 1:377b lid 1 BW, 1:377e BW
GERECHTSHOF AMSTERDAM
Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

zaaknummer: 200.363.104/01

zaaknummer rechtbank: C/15/364067 / FA RK 25-1846

beschikking van de meervoudige kamer van 26 mei 2026 in de zaak van

[de vader] ,

wonende te [plaats A] ,

verzoeker in hoger beroep,

hierna: de vader,

advocaat: mr. I.M. Thieme te Zaandam,

en

[de moeder] ,

wonende te [plaats A] ,

verweerster in hoger beroep,

hierna: de moeder,

advocaat: mr. F. Pool te Rotterdam.

Het hof heeft daarnaast als belanghebbenden aangemerkt:

- de minderjarige [minderjarige] , hierna: [minderjarige] .

In de procedure heeft een adviserende taak:

de Raad voor de Kinderbescherming,

gevestigd te Den Haag, locatie Haarlem,

hierna: de raad.
<nr>1</nr>De zaak in het kort
De zaak gaat over het gezag over [minderjarige] (8 jaar), de omgangsregeling tussen haar en de vader, een informatie- en consultatieregeling en een feestdagen- en vakantieregeling.

De rechtbank heeft als aanvulling op de omgangsregeling bepaald dat [minderjarige] op Vaderdag bij de vader verblijft en op Moederdag bij de moeder en dat de moeder de vader eenmaal per maand informeert over de ontwikkelingen van [minderjarige] . De overige verzoeken van de vader om hem met het gezamenlijk gezag over [minderjarige] te belasten, te bepalen dat een uitgebreide informatie- en consultatieregeling wordt vastgelegd en de vastgelegde omgangsregeling uit te breiden, zijn afgewezen. De vader is het daar niet mee eens en wil dat zijn verzoeken alsnog integraal worden toegewezen. De moeder is het wel eens met de bestreden beschikking.
<nr>2</nr>De procedure in hoger beroep 2.1
De vader is op 24 december 2025 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 8 oktober 2025 (hierna: de bestreden beschikking) van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem (hierna: de rechtbank).
2.2
De moeder heeft op 19 februari 2026 een verweerschrift ingediend.
2.3
Het hof heeft daarnaast het volgende stuk ontvangen:

- een bericht van de zijde van de vader van 31 maart 2026 met bijlagen, en

- ( op verzoek van het hof) een bericht van de zijde van de vader van 2 april 2026 met bijlage.
2.4
De voorzitter heeft voorafgaand aan de zitting met [minderjarige] gesproken. Ter zitting heeft de voorzitter de inhoud van dat gesprek zakelijk weergegeven.
2.5
De zitting heeft op 10 april 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:

- de vader, bijgestaan door zijn advocaat,

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat, en

- de raad, vertegenwoordigd door V.D. Aelbers.
<nr>3</nr>De feiten 3.1
De vader en de moeder (hierna gezamenlijk: de ouders) zijn de ouders van [minderjarige] , geboren [in] 2017 te [plaats B] . De ouders hebben tot 2021 een affectieve relatie met elkaar gehad. De vader heeft [minderjarige] erkend. De moeder oefent van rechtswege alleen het gezag uit over [minderjarige] . [minderjarige] woont bij de moeder.
3.2
Bij beschikking van de kinderrechter van 24 maart 2023 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Regio [plaats B] (hierna: de GI), met ingang van 24 maart 2023 tot 24 maart 2024. Op 11 januari 2024 heeft de GI een verzoek tot toetsing van het voorgenomen besluit om de ondertoezichtstelling te beëindigen ingediend bij de raad. Bij brief van 25 januari 2024 heeft de raad ingestemd met het voorgenomen besluit om de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te beëindigen.
3.3
Bij beschikking van de rechtbank van 6 november 2023 is de volgende omgangsregeling vastgesteld, als uitgangspunt en onder de regie van de GI:

- [minderjarige] verblijft bij de vader in de oneven weken van dinsdag uit school tot woensdag naar school en van vrijdag uit school tot maandag naar school en in even weken van dinsdag uit school tot donderdag naar school;

- als er geen school is zal de overdracht plaatsvinden op het moment waarop anders de school uit zou gaan of zou starten, waarbij de overdracht dan wordt begeleid door de grootmoeder vaderszijde;

- [minderjarige] verblijft in de even jaren gedurende de eerste helft van de tweewekelijks schoolvakanties en de eerste helft van de zomervakantie bij de vader en in de oneven jaren omgekeerd, waarbij de overdracht steeds wordt begeleid door de grootmoeder vaderszijde.
3.4
Bij beschikking van de kinderrechter van 22 maart 2024 is voornoemde omgangsregeling aangevuld met een verdeling van de feestdagen en bijzondere dagen, zodat [minderjarige] :

- in even jaren op eerste kerstdag bij de vader verblijft en op tweede kerstdag en op oudejaarsdag bij de moeder, en in oneven jaren andersom, waarbij [minderjarige] op de desbetreffende dag wordt overgedragen om 11.00 uur als zij die dag volgens het reguliere omgangsschema bij de andere ouder verblijft. Als zij de dag daarna volgens de reguliere regeling bij de andere ouder verblijft dan bij wie zij op de feestdag verbleef, wordt zij de volgende dag overgedragen om 11.00 uur;

- in de zomervakantie en de tweewekelijkse vakanties wordt overgedragen op de eerste zaterdag om 10.00 uur en halverwege de vakantie op zondag om 10.00 uur, als [minderjarige] die dag volgens het reguliere omgangsschema bij de andere ouder verblijft/gaat verblijven;

- op de overige feestdagen en bijzondere dagen verblijft bij de ouder bij wie zij volgens de reguliere omgangsregeling verblijft.
<nr>4</nr>De omvang van het hoger beroep 4.1
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking, in aanvulling op de beschikkingen van de rechtbank van 6 november 2023 en 22 maart 2024, een omgangsregeling vastgesteld, waarbij [minderjarige] op Vaderdag bij de vader verblijft en op Moederdag bij de moeder. Daarnaast is bepaald dat de moeder de vader eenmaal per maand informeert over de ontwikkelingen van [minderjarige] , onder andere, maar niet uitsluitend over school, hulpverlening, gezondheid, sporten en andere hobby’s en vakantieplannen. De overige verzoeken van de vader, zoals hierna vermeld onder 4.2, zijn afgewezen.
4.2
De vader verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking:

I. primair: hem (mede) te belasten met het ouderlijk gezag over [minderjarige] ;

II. subsidiair: een informatie- en consultatieregeling vast te stellen, waarbij de moeder hem consulteert bij iedere relevante gelegenheid en waarbij zij hem maandelijks informeert over de ontwikkelingen van [minderjarige] , onder andere, maar niet uitsluitend, door hem de volgende stukken toe te zenden:

a. ieder schoolrapport van [minderjarige] ;

b. stukken en informatie over hulpverlening die bij [minderjarige] betrokken is;

c. stukken en informatie over de gezondheid van [minderjarige] en medische specialisten die bij haar betrokken zijn;

d. informatie over het sporten van [minderjarige] ;

e. informatie over de hobby's van [minderjarige] ;

f. informatie over de vakantieplannen van [minderjarige] ;

dan wel een informatie- en consultatieregeling vast te stellen die het hof in goede justitie acht;

III. te bepalen dat tussen de vader en [minderjarige] een zorgregeling zal gelden, waarbij [minderjarige] :

a. in de oneven weken bij hem verblijft van dinsdag uit school tot donderdag naar school en van vrijdag uit school tot maandag naar school;

b. in de even weken bij hem verblijft van dinsdag uit school tot donderdag naar school, en van vrijdag uit school tot na werktijd van de moeder, waarbij de moeder [minderjarige] kan ophalen bij de grootmoeder vaderszijde (hierna: vz);

IV. te bepalen dat als de moeder een oppas voor [minderjarige] nodig heeft, zij de vader eerst zal vragen [minderjarige] op te vangen;

V. te bepalen dat [minderjarige] aanwezig mag zijn bij de viering van de verjaardagen van de grootouders vz;

VI. een feestdagen- en vakantieregeling te bepalen, waarbij [minderjarige] :

a. bij de vader verblijft in de even jaren in de eerste helft van alle schoolvakanties, en in de oneven jaren in de tweede helft van alle schoolvakanties;

b. in de even jaren op eerste kerstdag bij de vader verblijft en op tweede kerstdag en op Oudejaarsdag bij de moeder, en in oneven jaren andersom;

c. gedurende de helft van alle overige feestdagen (naar het hof begrijpt: bij de vader verblijft), meer specifiek:

1. op iedere Vaderdag, waarbij de vader [minderjarige] op de zaterdagmiddag om 17.00 uur voorafgaand aan Vaderdag bij de moeder ophaalt als Vaderdag niet in het weekend van de vader valt, en de vader [minderjarige] op de maandag daarop weer naar school brengt;

2. als Pasen, Pinksteren, Hemelvaartsdag, Bevrijdingsdag en Goede Vrijdag aansluiten op een omgangsmoment van de vader, te bepalen dat [minderjarige] dan bij hem zal verblijven en dat hij haar de dag erna naar school brengt;

3. dat [minderjarige] iedere Koningsdag bij de vader verblijft, waarbij hij [minderjarige] om 9.00 uur bij de moeder ophaalt en de volgende dag om 11.00 uur terugbrengt;

d. de vader gerechtigd is om één keer per week een videobelmoment met [minderjarige] te hebben tijdens de vakanties waarin zij bij de moeder is;

dan wel een regeling te treffen die het hof in het belang van [minderjarige] acht.
4.3
De moeder verzoekt de verzoeken van de vader af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.
<nr>5</nr>De motivering van de beslissing
Gezag

Het wettelijk kader
5.1
Uit artikel 1:253c, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat de tot het gezag bevoegde ouder van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder uit wie het kind is geboren heeft uitgeoefend, de rechter kan verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag dan wel hem alleen met het gezag over het kind te belasten.

Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat indien het verzoek ertoe strekt de ouders met het gezamenlijk gezag te belasten en de andere ouder met gezamenlijk gezag niet instemt, het verzoek slechts wordt afgewezen indien:

a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen; of

b. afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.

De standpunten
5.2
De vader is het niet eens met de afwijzing van zijn verzoek om mede met het gezag over [minderjarige] te worden belast en is daartegen met vijf grieven in hoger beroep gekomen. Hij stelt dat ten onrechte is overwogen dat geen sprake is van gewijzigde omstandigheden, omdat hij sinds de beschikking van 6 november 2023 stappen heeft gezet in zijn persoonlijke ontwikkeling door emotieregulatietherapie te volgen en de ondertoezichtstelling inmiddels is beëindigd. Daarnaast is gezamenlijk gezag de wettelijke norm en zijn er geen contra-indicaties. De vader spant zich (in tegenstelling tot de moeder) actief in voor verbetering van de communicatie en samenwerking met de moeder. Het toekennen van gezamenlijk gezag kan een noodzakelijke prikkel voor haar zijn om verantwoordelijkheid te nemen voor samenwerking en kan de bron van conflict wegnemen. Bovendien hoort gezamenlijk gezag bij het co-ouderschap dat de ouders hebben. De vader wil een volledige vaderrol vervullen. Hij kan nu geen praktische zaken regelen voor [minderjarige] , omdat hij geen gezag heeft. De vader heeft de afgelopen periode laten zien dat hij grenzen respecteert en zich terughoudend kan opstellen. De huidige hulpverlening zet in op Parallel Solo Ouderschap (hierna: PSO) en dat is goed verenigbaar met gezamenlijk gezag.
5.3
De moeder stelt zich op het standpunt dat de rechtbank het verzoek van de vader terecht heeft afgewezen en voert daartoe – samengevat – het volgende aan. Er is geen sprake van een wijziging van omstandigheden. De moeder ziet geen positieve ontwikkeling bij de vader en uit het raadsrapport van 2 maart 2023 blijkt dat de vader ondanks zijn emotieregulatietherapie nog steeds moeite heeft met het reguleren van zijn emoties en reacties. Daarnaast zijn de ouders niet in staat om het ouderschap gezamenlijk vorm te geven of gezamenlijk beslissingen te nemen over [minderjarige] . De communicatie tussen de ouders is sinds de beschikking van 6 november 2023 niet verbeterd, waardoor het risico bestaat dat [minderjarige] bij gezamenlijke gezagsuitoefening klem en verloren zal raken tussen de ouders. Het PSO-traject dat de ouders sinds 2024 volgen heeft tot nu toe niet tot een duurzame verbetering geleid. De vader heeft slechts eenmaal zijn voornemen om tot constructief overleg te komen kenbaar gemaakt aan de moeder. De moeder heeft de afgelopen jaren haar verantwoordelijkheid genomen om de samenwerking en communicatie met de vader te verbeteren, wat blijkt uit het feit dat zij (in tegenstelling tot de vader) de adviezen van de begeleidster van het PSO-traject opvolgt.

Het advies van de raad
5.4
De raad heeft zich ter zitting in hoger beroep onthouden van advies over het gezag. De raad heeft verklaard dat gezag gaat over belangrijke beslissingen mogen en moeten nemen. Bij medische zaken moet direct gehandeld worden. Bij gezamenlijk gezag moeten de ouders in staat zijn om tot overeenstemming te komen en aansluiten bij de belangen van [minderjarige] . Mocht het hof daar behoefte aan hebben, dan kan de raad een onderzoek doen naar het gezag over [minderjarige] , aldus de raad.

De beoordeling
5.5
Het hof acht zich voldoende voorgelicht om een beslissing te nemen op het verzoek van de vader en overweegt als volgt. Het uitgangspunt van de wetgever is dat ouders het gezag gezamenlijk uitoefenen. Volgens vaste jurisprudentie brengt het ontbreken van goede communicatie tussen de ouders niet zonder meer mee dat in het belang van het kind het gezag aan één van de ouders moet worden toegekend. Wel is voor gezamenlijk gezag vereist dat de ouders daadwerkelijk in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening en dat zij beslissingen van enig belang over hun kind in gezamenlijk overleg kunnen nemen, althans ten minste in staat zijn afspraken te maken over situaties die zich rond hun kind kan voordoen zodat het kind niet klem of verloren raakt tussen de ouders.
5.6
Het hof onderschrijft de overweging van de rechtbank in de bestreden beschikking dat de situatie tussen de ouders sinds de beschikking van 6 november 2023 niet wezenlijk is veranderd. De raad adviseerde destijds om de vader niet mede met het gezag over [minderjarige] te belasten, omdat werd ingeschat dat dit voor nieuwe spanningen, conflicten en mogelijke escalaties zou kunnen zorgen, waar [minderjarige] aan blootgesteld zou worden. De rechtbank overwoog in de hiervoor genoemde beschikking dat als er in één zaak duidelijk is dat een kind klem en verloren zal raken indien beide ouders met het gezamenlijk gezag belast zijn, het wel in deze zaak is. Naar het oordeel van het hof is dat nog steeds het geval. Uit de stukken en ter zitting in hoger beroep is gebleken dat er al jarenlang geen constructieve samenwerking is tussen de ouders en dat de verstandhouding en communicatie tussen hen ernstig is verstoord. Het is hen, ondanks ingezette hulpverlening, niet gelukt om de communicatie te verbeteren. Zo is gebleken dat de ouders al geruime tijd een PSO-traject volgen, maar dat dit tot op heden niet tot een positief resultaat heeft geleid. Het hof heeft daarom niet de verwachting dat de verstandhouding tussen de ouders op korte termijn zal verbeteren en dat zij in staat zullen zijn om gezamenlijk het ouderlijk gezag over [minderjarige] uit te oefenen. Daar komt nog bij dat, hoewel de ondertoezichtstelling in 2024 is beëindigd, ter zitting in hoger beroep is gebleken dat er naar aanleiding van de beschermingstafel op 6 november 2025 een verzoek tot onderzoek naar een beschermingsmaatregel voor [minderjarige] is ingediend bij de raad. De raad heeft ter zitting in hoger beroep verklaard dat in april 2026 gestart zal worden met een onderzoek naar de vraag of een (nieuwe) ondertoezichtstelling voor [minderjarige] noodzakelijk is. Naar het oordeel van het hof bestaat, gelet op het voorgaande, op dit moment onvoldoende basis voor het uitoefenen van gezamenlijk gezag door de ouders. Het hof zal het verzoek van de vader dan ook afwijzen en de bestreden beschikking op dit punt bekrachtigen.

Informatie- en consultatieregeling

Het wettelijk kader
5.7
Uit artikel 1:377b, lid 1 BW volgt dat de ouder die met het gezag is belast, gehouden is de niet met het gezag belaste ouder op de hoogte te stellen omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van het kind en deze ouder te raadplegen over te nemen beslissingen. Op verzoek van een ouder kan de rechter ter zake een regeling vaststellen. Op grond van het tweede lid van die bepaling kan de rechter bepalen dat het eerste lid buiten toepassing blijft indien het belang van het kind zulks vereist.

De standpunten
5.8
De vader stelt – kort samengevat – dat zijn verzoek om de informatie uit de informatieregeling te onderbouwen met stukken en hem te consulteren, ten onrechte is afgewezen. Het feit dat de moeder het gezag uitoefent, ontslaat haar niet van de verplichting om, op grond van artikel 1:377b BW, de vader te informeren en te betrekken bij belangrijke beslissingen over [minderjarige] . De huidige situatie leidt er toe dat de moeder naar eigen inzicht handelt, zonder dat de vader inzicht heeft in besluitvorming, medische trajecten, schoolzaken of andere kwesties die het welzijn van [minderjarige] raken. De frustraties en conflicten tussen de ouders vloeien in belangrijke mate voort uit het feit dat de vader niet ervaart dat hij medezeggenschap of inspraak heeft. Daarnaast vergt een correcte uitvoering van PSO dat de moeder informatie deelt en de vader consulteert bij hoofdzaken. Een striktere invulling van de informatieregeling sluit daarop aan en bevordert rust, voorspelbaarheid en stabiliteit.
5.9
De moeder voert aan dat de vader niet of nauwelijks heeft gemotiveerd waarom het noodzakelijk is dat zij de informatievoorziening met stukken onderbouwt, dan wel waarom de stukken dienen te worden overgelegd. Door een uitgebreide informatieregeling vast te stellen heeft de rechtbank erkend dat het van belang is dat de vader goed op de hoogte is van wat er in en rondom [minderjarige] ’s leven speelt. De moeder sluit zich aan bij het oordeel van de rechtbank dat geen noodzaak is gebleken voor een consultatieregeling. De moeder informeert de vader direct en meermaals per maand over belangrijke aangelegenheden of ontwikkelingen met betrekking tot [minderjarige] en betrekt hem daar actief bij. Het versterken van de informatie- en consultatieregeling zal leiden tot meer strijd tussen de ouders, omdat gebleken is dat de vader een sterke focus op het opvoederschap van de moeder heeft en de communicatie tussen hen moeizaam verloopt.

Het advies van de raad
5.10
De raad heeft ter zitting in hoger beroep geadviseerd de bestreden beschikking op dit punt te bekrachtigen.

De beoordeling
5.11
Uit de stukken en ter zitting in hoger beroep is gebleken dat de moeder de vader sinds de bestreden beschikking meermaals per maand informeert over belangrijke aangelegenheden met betrekking tot [minderjarige] . Bovendien heeft de vader dat niet verder weersproken. Hiermee is vast komen te staan dat de moeder voldoet aan de door de rechtbank vastgestelde informatieregeling. Daarnaast is het hof van oordeel dat de vastgestelde informatieregeling voldoende recht doet aan het informatierecht van de vader. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat niet is gebleken van noodzaak om de informatie in het kader van de vastgestelde informatieregeling te onderbouwen met stukken. Daarnaast sluit het hof zich aan bij het oordeel van de rechtbank dat er geen noodzaak is gebleken voor een consultatieregeling. Dat laat onverlet dat de moeder als gezaghebbende ouder op grond van de wet verplicht is en blijft de vader te consulteren over belangrijke beslissingen die zij moet nemen over [minderjarige] , ook nu daarvoor geen concrete consultatieregeling wordt vastgesteld. Gelet op het voorgaande zal het hof het verzoek van de vader om de door hem verzochte informatie- en consultatieregeling vast te stellen afwijzen en de bestreden beschikking op dit punt bekrachtigen.

Omgangs-, feestdagen- en vakantieregeling en videobelmoment

Het wettelijk kader
5.12
Uit artikel 1:377e BW volgt dat de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen een beslissing inzake de omgang alsmede een door de ouders onderling getroffen omgangsregeling kan wijzigen op de grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.

De standpunten
5.13
De vader is met acht grieven in hoger beroep gekomen tegen – kort samengevat – de afwijzing van zijn verzoeken om een uitgebreidere omgangs-, feestdagen en vakantieregeling en een videobelmoment vast te stellen. Hij voert daartoe aan dat de huidige regeling – met afwisselend een korte en een lange week – aantoonbaar tot verwarring bij [minderjarige] leidt, wat onrust in de hand werkt. Met zijn verzoek beoogt de vader een heldere, consistente en voorspelbare structuur voor [minderjarige] te creëren, waarin zij iedere week dezelfde wisselmomenten heeft. Een vaste midweekregeling vermindert de noodzaak van afstemming en leidt tot minder bemoeienis. Daarnaast kan de vader met een vaste midweekregeling een belangrijke rol vervullen in de sportieve en sociale ontwikkeling van [minderjarige] . Er is lange tijd uitvoering gegeven aan een regeling waarbij [minderjarige] op woensdagmiddag bij de vader verbleef. De moeder heeft deze regeling eenzijdig beëindigd, ondanks dat de hulpverlening geadviseerd heeft om die regeling te handhaven in het belang van [minderjarige] . Verder brengt de door de vader verzochte vakantieregeling minder wisselmomenten en meer duidelijkheid voor [minderjarige] met zich mee. Ook zijn de ouders met die regeling in staat om in kortere vakanties vakantieplannen met [minderjarige] te maken. De vader meent dat het onwenselijk is dat [minderjarige] met de huidige Vaderdagregeling tweemaal op één dag van ouder moet wisselen. Het contact van de vader met [minderjarige] tijdens vakantieweken hangt op dit moment af van de welwillendheid van de moeder. Een kort en vast videobelmoment zal niet tot onrust leiden, maar zal bijdragen aan rust, stabiliteit, voorspelbaarheid en emotionele veiligheid voor [minderjarige] . De vader wil [minderjarige] vaker zien, is altijd beschikbaar, bereid en in staat om [minderjarige] op te vangen en wil daarom dat hij als eerste wordt benaderd als de moeder opvang nodig heeft.
5.14
De moeder stelt dat de door de vader verzochte omgangsregeling voor meer onduidelijkheid en verwarring bij [minderjarige] zal zorgen en niet in haar belang is. Daarnaast is die regeling onrustig, ongestructureerd en houdt de regeling een forse beperking in van de tijd van de moeder met [minderjarige] . [minderjarige] heeft baat bij rust en duidelijkheid, wat wordt gewaarborgd door de huidige regeling. [minderjarige] verblijft op woensdag bij de moeder en het is aan de moeder om die dag in te vullen zoals zij dat in het belang van [minderjarige] acht, ook als dat betekent dat [minderjarige] door familie of een moeder van school wordt opgehaald. Het is in het belang van de sociaal-emotionele ontwikkeling van [minderjarige] om een nauwe band te hebben met haar familie en vriendinnen. Bovendien is er voldoende ruimte voor buitenschoolse activiteiten. Verder meent de moeder dat de huidige vakantieregeling het meest in het belang van [minderjarige] is, aangezien deze voor meer rust zorgt en [minderjarige] gewend is aan de regeling. Het voorstel van de vader om de herfst- en voorjaarsvakantie bij helfte te verdelen zal vrijwel geen impact hebben op het aantal wisselmomenten en zal dus ook niet voor meer rust zorgen. Dat de vader [minderjarige] slechts met goed geluk bij zich heeft op feestdagen geldt in gelijke mate ook voor de moeder, omdat zij ook afhankelijk is van de toevallige samenloop van het reguliere omgangsschema en de feestdagen. De moeder is het eens met het (voldoende gemotiveerde) oordeel van de rechtbank dat een afwijking van de reguliere regeling voor Vaderdag te onrustig is voor [minderjarige] . Tot slot stelt de moeder dat in de praktijk is gebleken dat een belmoment in de vakantie van de moeder en [minderjarige] voor onrust zorgt en dus niet in het belang van [minderjarige] is.

Het advies van de raad
5.15
De raad heeft ter zitting in hoger beroep verklaard geen aanleiding te zien om af te wijken van de door de rechtbank vastgestelde regeling. De raad heeft de indruk dat [minderjarige] slim en gevoelig is. Gevoelige kinderen krijgen er veel van mee als het de ouders niet lukt om bepaalde zaken onderling te regelen, voelen zich dan verantwoordelijk en proberen vervolgens zaken te regelen of organiseren. Dat is niet de bedoeling. Voorspelbaarheid, continuïteit en emotionele veiligheid zijn belangrijk voor [minderjarige] . Op het moment dat zaken ingewikkeld worden, moeten de ouders dat met elkaar regelen, zonder dat [minderjarige] daar wat van meekrijgt. De ouders zijn verantwoordelijk voor wat er in hun tijd met [minderjarige] gebeurt en niet voor wat er in de tijd van de andere ouder met [minderjarige] gebeurt. In het kader van PSO hebben de ouders zich te houden aan en dienen zij zich te beperken tot de tijd die zij zelf met [minderjarige] hebben.

De beoordeling
5.16
Het hof stelt voorop dat – voordat de verzoeken van de vader om de omgangsregeling uit te breiden en om de door hem verzochte feestdagen- en vakantieregeling en het videobelmoment vast te stellen inhoudelijk kunnen worden beoordeeld – eerst sprake moet zijn van een wijziging van omstandigheden. Deze wijziging van omstandigheden moet zich hebben voorgedaan sinds de beschikking van de kinderrechter van 22 maart 2024.
5.17
Het hof is van oordeel dat niet is gebleken van een relevante wijziging van omstandigheden die een hernieuwde beoordeling van de omgangsregeling voor [minderjarige] rechtvaardigt. Ook sinds de bestreden beschikking van 8 oktober 2025 is niet gebleken van gewijzigde omstandigheden. Het lijkt op dit moment goed te gaan met [minderjarige] . Zoals het hof hiervoor heeft vermeld is de situatie tussen de ouders niet wezenlijk gewijzigd en heeft het PSO-traject dat de ouders volgen tot op heden niet tot een positief resultaat geleid. Hetgeen de vader heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel. Daarnaast zijn er ook anderszins geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht die maken dat moet worden vastgesteld dat bij de vaststelling dan wel aanvulling van de omgangsregeling is uitgegaan van onjuiste of onvolledige gegevens.
5.18
Nu het hof niet is gebleken van een relevante wijziging van omstandigheden of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan, zal het hof de verzoeken van de vader tot uitbreiding van de omgangsregeling en vaststelling van een feestdagen- en vakantieregeling en videobelmoment niet inhoudelijk beoordelen. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de verzoeken van de vader afwijzen en de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, bekrachtigen.
<nr>6</nr>De beslissing
Het hof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.F. Miedema, mr. D.H. Steenmetser-Bakker en mr. L.M. Mons, in tegenwoordigheid van mr. I.L.I. Bossert als griffier en is op 26 mei 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.

Artikel delen