opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod en opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod
Gerechtshof Amsterdam 18 mei 2026
Jurisprudentie – Uitspraken
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2026:1330
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
12-05-2026
Datum publicatie
18-05-2026
Zaaknummer
23-001007-23
Rechtsgebied
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
ECLI:NL:GHAMS:2026:1330text/xmlpublic2026-05-18T15:44:372026-05-12Raad voor de RechtspraaknlGerechtshof Amsterdam2026-05-1223-001007-23UitspraakHoger beroepNLAmsterdamStrafrechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:1330text/htmlpublic2026-05-18T15:40:552026-05-18Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:GHAMS:2026:1330 Gerechtshof Amsterdam , 12-05-2026 / 23-001007-23 opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod en opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-001007-23
datum uitspraak: 12 mei 2026 TEGENSPRAAK Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 21 maart 2023 in de strafzaak onder parketnummer 13-108572-20 tegen
[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1968,
adres: [adres] . Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 21 april en 12 mei 2026. De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: hij op of omstreeks 22 januari 2019 te Uithoorn opzettelijk heeft geteeld, bereid, bewerkt, verwerkt, verkocht, afgeleverd, verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een grote hoeveelheid als bedoeld in artikel 11 lid 5 van de Opiumwet, te weten 260 hennepplanten en/of 850 hennepstekken, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering. Bewijsoverweging De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat hetgeen is ten laste gelegd wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.
De raadsman heeft zich – voor wat betreft de bewezenverklaring – gerefereerd aan het oordeel van het hof. De verdachte heeft het feit bekend. Het hof acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: hij omstreeks 22 januari 2019 te Uithoorn opzettelijk een grote hoeveelheid als bedoeld in artikel 11, vijfde lid, van de Opiumwet, te weten 260 hennepplanten, heeft geteeld en opzettelijk een grote hoeveelheid als bedoeld in artikel 11, vijfde lid, van de Opiumwet, te weten 850 hennepstekken, aanwezig heeft gehad, zijnde telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet. Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgesomd in de op te maken aanvulling op dit arrest. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezenverklaarde levert op:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod
en
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod. Strafbaarheid van de verdachte De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit. Oplegging van straf De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een taakstraf van 70 uren, subsidiair 35 dagen hechtenis en een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee weken met een proeftijd van één jaar. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis. De raadsman heeft het hof verzocht een voorwaardelijke taakstraf op te leggen en daarbij rekening te houden met de forse overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het telen en het aanwezig hebben van 260 hennepplanten en 850 hennepstekken. Verdovende middelen zijn schadelijk voor de volksgezondheid en het strafbare aanwezig hebben en telen daarvan leidt vaak tot verschillende andere vormen van criminaliteit. Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 2 april 2026 is hij niet eerder strafrechtelijk veroordeeld ter zake van een soortgelijk feit. Het hof houdt daarnaast rekening met de medische en persoonlijke omstandigheden die de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep nader heeft toegelicht. In al het vorenstaande ziet het hof echter, anders dan de advocaat-generaal, geen aanleiding om een taakstraf van kortere duur op te leggen dan door de politierechter is bepaald. Het hof zal wel, in navolging van de advocaat-generaal, afzien van het daarbij nog opleggen van een voorwaardelijke gevangenisstraf, nu de verdachte sinds het plegen van deze feiten niet meer met justitie in aanraking is geweest. In artikel 6, eerste lid, van het EVRM is gewaarborgd het recht van iedere verdachte om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Volgens vaste rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) kan de verdachte aanspraak maken op een berechting binnen een redelijke termijn vanaf het moment waarop sprake is van een ‘criminal charge’. Op 24 januari 2019, de datum waarop de verdachte in verzekering is gesteld, is de redelijke termijn aangevangen. De rechtbank heeft op 21 maart 2023 vonnis gewezen. Hieruit volgt dat in eerste aanleg de redelijke termijn is overschreden met twee maanden. Op 21 maart 2023 is namens de verdachte hoger beroep ingesteld. Het hof doet bij arrest van 12 mei 2026 einduitspraak. Hieruit volgt dat in hoger beroep sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn van ongeveer een jaar en twee maanden.
Gelet op de omstandigheid dat aan de verdachte een taakstraf van minder dan 100 uren wordt opgelegd, zal het hof evenwel volstaan met de enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op artikel 6, eerste lid, EVRM. Het hof acht, alles afwegende, een taakstraf van na te melden duur passend en geboden. Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 9, 22c en 22d en 57 van het Wetboek van Strafrecht. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 70 (zeventig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 35 (vijfendertig) dagen hechtenis. Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht. Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.L. Bruinsma, mr. M.J.A. Plaisier en mr. A.J. van Es, in tegenwoordigheid van
mr. C. van der Laan, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
12 mei 2026. Mr. A.J. van Es is wegens afwezigheid buiten staat dit arrest mede te ondertekenen. =========================================================================