- Vervolg op ECLI:NL:GHAMS:2025:524. Deskundigenbericht. Toepassing Hoge Raad, 12 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:17.
Gerechtshof Amsterdam 8 september 2026
Jurisprudentie – Uitspraken
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2026:1240
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
07-05-2026
Datum publicatie
08-09-2026
Zaaknummer
200.318.301/01
Rechtsgebied
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
ECLI:NL:GHAMS:2026:1240text/xmlpublic2026-09-08T15:59:002026-05-07Raad voor de RechtspraaknlGerechtshof Amsterdam2026-05-12200.318.301/01UitspraakHoger beroepNLAmsterdamCiviel rechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:1240text/htmlpublic2026-09-08T15:58:362026-09-08Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:GHAMS:2026:1240 Gerechtshof Amsterdam , 12-05-2026 / 200.318.301/01 - Vervolg op ECLI:NL:GHAMS:2025:524. Deskundigenbericht. Toepassing Hoge Raad, 12 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:17.
GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht, team I zaaknummer: 200.318.301/01 zaaknummer rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Haarlem: C/15/313365 / HA ZA [nummer 2] -94 arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 12 mei 2026 inzake FUNDERINGSHERSTEL HOLLAND B.V.,
gevestigd te Uithoorn,
appellante in principaal hoger beroep, geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,
bij de rechtbank: gedaagde,
advocaat: mr. A. Knol te Assendelft, tegen 1
1. [geïntimeerde 1] ,2. [geïntimeerde 2] ,beiden wonende te [woonplaats] ,geïntimeerden in principaal hoger beroep,appellanten in incidenteel hoger beroep, bij de rechtbank: eisers,
advocaat: mr. F. Dijkslag te Amersfoort. 1
1. De verdere procedure in hoger beroep1.1. Op 2 april 2024 heeft het hof een tussenarrest gewezen (hierna: het tussenarrest). Het hof overwoog daarin dat het behoefte heeft aan nadere voorlichting over het causaal verband tussen de wateronttrekking door FH Holland gedurende zes maanden bij werkzaamheden aan het pand [straatnaam] [nummer 1] en de scheurvorming, klemmende deur en lekkage in de woning en het verzakken van de tuin van het pand [straatnaam] [nummer 2] . 1.2. Bij aktes van 30 april 2024 hebben partijen zich hierover uitgelaten. In het tussenarrest van 27 augustus 2024 heeft het hof voorlopige beslissingen genomen over welke deskundige benoemd zou worden, welke vragen gesteld zouden worden en over de kosten van het deskundigenbericht. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld zich daarover uit te laten en [geïntimeerden] heeft bij akte van 24 september 2024 gereageerd. 1.3. Het hof heeft de te benoemen deskundige gevraagd de kostenbegroting toe te lichten. In een tussenarrest van 3 december 2024 heeft het hof partijen in de gelegenheid gesteld daarop te reageren. Op 7 januari 2025 hebben partijen zich bij akte uitgelaten. 1.4. In een tussenarrest van 25 februari 2025 heeft het hof STAB Gerechtelijke Omgevingsdeskundigen benoemd als deskundige (hierna te noemen: de deskundige). De deskundige heeft een deskundigenrapport uitgebracht, gedateerd 8 juli 2025. 1.5. Op 30 september 2025 heeft [geïntimeerden] een memorie na deskundigenbericht genomen. Op 28 oktober 2025 heeft FH Holland een antwoord memorie na deskundigenbericht genomen. 1.6. Ten slotte is weer arrest bepaald. 2De verdere beoordeling Het deskundigenrapport 2.1. In het tussenarrest van 2 april 2024 is overwogen dat het hof behoefte had aan deskundige voorlichting over de (kern) vraag die partijen verdeeld houdt, namelijk of sprake is van causaal verband tussen de wateronttrekking gedurende zes maanden bij werkzaamheden aan het pand [straatnaam] [nummer 1] en de schade aan en in de woning op nummer [nummer 2] . De deskundige is in essentie gevraagd of er, als gevolg van het gedurende zes maanden onttrekken van grondwater en de daarmee gepaard gaande grondwaterdaling, door FH Holland op het [straatnaam] nummer [nummer 1] in [woonplaats] scheurvorming, een klemmende deur en lekkage aan en in de woning en/of verzakking van de tuin aan het [straatnaam] [nummer 2] in [woonplaats] is ontstaan (vraag 1) en of en in welke mate de conditie van de fundering van de woning [straatnaam] [nummer 2] heeft bijgedragen aan de scheurvorming, de klemmende deur en of de lekkage (vraag 4). 2.2. De deskundige heeft daarop zakelijk samengevat geantwoord dat doordat FH Holland ter plaatse van [straatnaam] r [nummer 1] grondwater heeft onttrokken, de grondwaterstand ter plaatse van [straatnaam] [nummer 2] gezakt is tot onder het historisch laagste niveau. Hierdoor is grond ingeklonken. In de periode dat de waterstand verlaagd is, is bestaande zakkingsschade aan [straatnaam] [nummer 2] (sterk) verergerd en nieuwe zakkingsschade ontstaan. De verlaging van de grondwaterstand heeft naar het oordeel van de deskundige op twee manieren tot schade geleid: door negatieve kleef en door vermindering van de waterdruk tegen de keldervloeren van [straatnaam] [nummer 2] en [straatnaam] [nummer 3] . 2.3. Over de “negatieve kleef” schreef de deskundige: “Door droogstand zijn de veenlaag en/of de toplaag ingeklonken en gezakt. Deze verzakking heeft tot extra belasting op de fundering geleid, doordat de zakkende grondlagen aan de fundering zijn gaan hangen; dit wordt negatieve kleef genoemd. De koppen van de oude houten funderingspalen zitten weliswaar te diep om extra belasting door negatieve kleef te kunnen hebben ondervonden, maar negatieve kleef kan wel tot extra belasting langs de gemetselde fundering en op de nieuw aangebrachte palen van de aanbouw hebben geleid. Door die extra belasting vindt (geringe) verkorting van de palen plaats en wordt de zandlaag onder de paalpunten extra ingedrukt. Omdat de zandlaag op deze locatie niet zeer vast en dik is, leidt dat tot extra paalkopzakking.” 2.4. Over het verminderen van de waterdruk schreef de deskundige dat “de keldervloer onder de voormalige keuken circa 0,45 m dieper ligt dan de vloer van de souterraingang en de aanbouw. Naar verwachting staat er tegen de vloer van de souterraingang daardoor nauwelijks, maar tegen de vloer van de kelder wel enige waterdruk. Het is zeer waarschijnlijk dat de waterdruk tegen die keldervloer tijdens de werkzaamheden aan [straatnaam] [nummer 1] is weggevallen. De keldervloer draagt op staalprofielen en/of betonbalken. Het wegvallen van de waterdruk heeft tot extra belasting en daardoor tot doorbuiging van die staalprofielen of betonbalken geleid.[…]”
Dit kan op twee manieren tot de schade in de wand tussen de souterraingang en de
kelder geleid hebben. In optie 1 […] draagt de wand van de souterraingang ter plaatse van de trap en in het midden op de staalprofielen. Bij het wegvallen van de waterdruk tegen de keldervloer komt er meer gewicht op de staalprofielen en buigen die meer door. De belasting op de staalprofielen is niet gelijk, waardoor ze niet dezelfde doorbuiging ondergaan. Bovendien draagt het uiteinde van de wand op de fundering van de aanbouw, die niet verplaatst bij het wegvallen van de waterdruk. De wand kan het verschil in doorbuiging van de ondergrond niet volgen en scheurt […] In optie 2 draagt de wand van de souterraingang op een balk. Als de waterdruk onder de keldervloer wegvalt, wordt die balk extra belast. Daardoor buigt de balk door. De wand kan die doorbuiging niet volgen, en scheurt […]Dat het wegvallen van de waterdruk tot meer doorbuiging van de balken heeft geleid betekent overigens niet dat de balken onvoldoende sterk zijn om de belasting van de vloer te kunnen dragen en daarmee niet aan de eisen voor bestaande bouw uit het Besluit bouwwerken leefomgeving voldoen. Een starre gemetselde wand kan namelijk al scheuren bij een kleine toename van de doorbuiging van zijn ondersteuning, wat niet betekent dat de bezwijkbelasting van de balk overschreden wordt.” 2.5. Ook schreef de deskundige: “Tegen de kelder van [straatnaam] [nummer 3] staat meer waterdruk dan tegen de kelder van [straatnaam] [nummer 2] . Door de bemaling is de waterdruk en daardoor de opwaartse belasting op die kelder verminderd. Daardoor is de neerwaartse belasting op de paalfundering van de scheidingsmuur tussen nummer [nummer 2] en [nummer 3] is toegenomen. Door een combinatie van deze belastingverhoging door het wegvallen van de waterdruk en van de negatieve kleef is de belasting op de paalfundering van de scheidingsmuur hoger geworden dan deze in het verleden is geweest. Dit heeft tot zakking van de palen geleid en daardoor is scheefstand van [straatnaam] [nummer 2] richting [straatnaam] [nummer 3] opgetreden wat onder meer schade aan de keuken en de entresol heeft veroorzaakt.” 2.6. Op de vraag naar een (mogelijke) andere oorzaak van de schade antwoordde de deskundige: “Nee, er is geen indicatie dat de in de periode van de grondwateronttrekking ontstane schade zonder grondwateronttrekking ook in deze mate ontstaan zou zijn.
Het feit dat enkele van de ontstane schades voorafgaand aan de bouw door [naam 1] gefotografeerd zijn duidt er wel op dat de fundering van de woning voorafgaand aan de werkzaamheden niet volledig zettingsvrij was. Uit de grootte en het verloop van die schades voor en na de grondwateronttrekking, en de door [naam 2] uitgevoerde zettingsmetingen, is echter af te leiden dat die zetting in de periode voor en na de bemaling zeer gering was en is. De plotselinge toename van de omvang van de schade tijdens de bouwwerkzaamheden aan [straatnaam] [nummer 1] wijst op de grondwateronttrekking als oorzaak van de schade.” 2.7. Op de vraag naar de staat van de fundering van [straatnaam] [nummer 2] en de vraag of die staat bijgedragen heeft aan het ontstaan van de schade, antwoordde de deskundige: “STAB heeft geen aanwijzingen dat de fundering van de woning ernstige gebreken vertoont.
In 1976 is weliswaar een gebrek aan de fundering geconstateerd, maar dat is destijds adequaat verholpen. Andere verbouwingen hebben niet geleid tot onverantwoord hoge belastingen op de paalfundering. Daarnaast is tussen 2020 en 2023 de zakkingssnelheid van de woning gemeten en die is klein. De nog zichtbare schades aan de woning zijn bovendien lang geleden gerepareerd en sindsdien niet teruggekomen en/of niet gerelateerd aan zakken van de fundering. Een uitzondering hierop zijn een scheurtje in de aftimmering van de balken langs de serre die aansluiten op de ronde staalkolom, en twee scheurtjes bij de entresol in de aanbouw. Deze scheurtjes zijn bij de opname door [naam 1] gefotografeerd en duiden erop dat de fundering aan de achterzijde van het hoofdgebouw niet volledig zettingsvrij is. [naam 2] heeft op basis van oude schades en berichten van de bewoners in 2004 aangegeven dat er twijfel was aan de conditie van de fundering van de aanbouw. STAB is echter van oordeel dat de toen geobserveerde schades ook al duidden op wat zetting van de achterzijde van het hoofdgebouw. De fundering zet op deze locatie echter (behoudens in de periode van de bemaling) langzaam en geleidelijk, wat vooralsnog alleen leidt tot (cosmetische) schade aan aftimmeringen, die de bewoners met tussenpozen van zes à zeven jaar laten repareren. […] Deze scheurtjes zijn in enige mate veroorzaakt door de conditie van de fundering. Zonder de bemaling zouden deze scheurtjes in de jaren daarop licht verergerd zijn. Op basis van de verklaring van [geïntimeerden] , dat het normaliter eens in de zes à zeven jaar nodig zou zijn om deze scheurtjes te repareren, en de verergering nu als gevolg van de bemaling na een half jaar, stelt STAB dat deze schade voor niet meer dan 10 tot 15 % te wijten is aan de conditie van de fundering.
Daarbij merkt STAB op dat sinds de scheurtjes door de bemaling groter zijn geworden dan ze in het verleden zijn geweest, er ondanks de reparatie een relatief zwakke plek in de afwerking is ontstaan, waardoor de scheuren nu sneller terug zullen komen.
Van de overige schades kan niet gesteld worden dat die deels te wijten zijn aan de conditie van de fundering van [straatnaam] [nummer 2] .” Bezwaren van FH 2.8. FH Holland kan zich niet vinden in het rapport van de deskundige. Concreet voert FH Holland als bezwaar aan (memorie na deskundigenbericht onder 4-7) dat de palen rusten op de draagkrachtige zandlaag en dus niet kunnen zakken. Van schade door negatieve kleef kan daarom geen sprake zijn, zeker omdat de extra belasting – afgezet tegen het gewicht van het gebouw – zeer gering is. Bovendien bevindt de veenlaag zich op 1,5 meter onder NAP, terwijl de laagste grondwaterstand 1,4 meter onder NAP is geweest. Het veen ken dus nauwelijks zijn ingeklonken. De gemeten laagste grondwaterstand is 1,41 meter onder NAP en dat verschilt dus maar 16 cm met de grondwaterstanden die ook al weer gemeten worden in 2023 en 2024 en scheelt ook maar 15 cm met de historische laagste stand op 30 september 2003, aldus – steeds –FH Holland. De schade moet volgens FH Holland worden toegeschreven aan het feit dat de kelder een aanlegdiepte heeft van 1,35 meter onder NAP (dus hoger dan de aanlegdiepte van de fundering) en de kwaliteit van de verbinding tussen de kelderbak en de woning. Volgens FH Holland mag een kelderbak niet afhankelijk zijn van juist deze opwaartse druk, maar dient deze ofwel zelf gefundeerd te zijn op palen, ofwel dient deze zodanig constructief verbonden te zijn met het hoofdgebouw dat deze schade niet ontstaat.” 2.9. Deze punten heeft FH Holland ook voorgelegd aan de deskundige. In appendix 2 bij het rapport heeft de deskundige gereageerd op de opmerkingen van FH Holland. Over de waterstanden schreef de deskundige: “De grondwaterstandsverlaging voor [straatnaam] [nummer 1] vond plaats in 2019. In de dertien jaar daarvoor (dus tussen medio 2006 en 2019) is een laagste waterstand gemeten van -1,0 m ten opzichte van NAP, namelijk op 19 november2007 en 28 september 2016. De genoemde 0,4 tot 1,0m lager is dus geen verschrijving.
Meer dan dertien jaar voor de werkzaamheden, namelijk op 1 augustus 2006 en op 30 september2003 is een waterstand van -1,22 m respectievelijk -1,26 m gemeten.
STAB concludeert bij het antwoord op vraag 1 dat de waterstand ter plaatse van de peilbuis in de Theophile de Bockstraat tijdens de werkzaamheden minimaal 0,2 m onder de historisch laagst bekende waterstand van 1,26m -NAP gedaald is, dat de precieze grondwaterstand ter plaatse van [straatnaam] [nummer 2] niet bekend was, en dat de verzakking in de tuin wijst op verdroging. Bovendien kan STAB de opgetreden schade vanuit zakkingsmechanismen verklaren. Dit is voor STAB voldoende onderbouwing voor de conclusie dat de grondwateronttrekking tot schade heeft geleid. […] Uit de peilbuisgegevens blijkt inderdaad dat in 2023 en 2024 de grondwaterstand ook tot onder de 1,20 m — NAP verlaagd is. Bij het antwoord op vraag 5 wordt toegelicht dat de onderzijde van de keldervloer zich onder dit niveau bevindt, maar niet ver daaronder. Daarom kan juist een grondwaterstandverlaging van enkele decimeters tot de schade aan de souterraingang hebben geleid en hoeft deze in 2023 en 2024 niet opnieuw opgetreden te zijn.
Voor negatieve kleef is met name de laagste historische grondwaterstand bepalend. Ook daarbij geldt dat vooral een langere periode waarin de waterstand lager is dan eerder opgetreden tot inklinken en dus tot negatieve kleef kan leiden. Wanneer de grondwaterstand opnieuw en ook voor een kortere periode verlaagd is, zoals in 2023 en 2024 gebeurd is, hoeft dit niet tot soortgelijke schade te leiden.” 2.10. In reactie op de opmerkingen over de geringe extra belasting door negatieve kleef schreef de deskundige: “Ook als palen op stuit staan leidt negatieve kleef tot extra belasting op de palen. Door die extra belasting verkort de paal iets en wordt de zandlaag onder de paalpunt extra ingedrukt. Zeker als de zandlaag niet zeer vast en dik is, zoals hier het geval is, kan dit tot extra paalkopzakking leiden, met bouwkundige schade tot gevolg. […] Omdat de houten palen vaak relatief zwaar belast zijn ten opzichte van het draagvermogen kan ook een kleine belastingtoename zakking veroorzaken.” Causaal verband 2.11. Het hof is van oordeel dat de beantwoording door de deskundige van de gestelde vragen overtuigend is en het neemt die antwoorden over. Het bezwaar van FH – dat hiervoor is besproken – is door de deskundige overtuigend weerlegd. Dit bezwaar slaagt dus niet. Gelet op de beantwoording van de vragen door de deskundige is met een redelijke mate van zekerheid komen vast te staan dat door het onttrekken van grondwater door FH Holland, en de daarmee gepaard gaande grondwater-daling, schade is ontstaan aan de woning van [geïntimeerden] Het causaal verband tussen de werkzaamheden van FH Holland aan het pand aan het [straatnaam] [nummer 1] en de fysieke schade aan de woning van [geïntimeerden] aan het [straatnaam] [nummer 2] is daarmee gegeven. Het hof zal hierna onder 2.23 nog de verschillende schadeposten (voor zover in hoger beroep nog relevant) bespreken. Onrechtmatige daad 2.12. De rechtbank overwoog (in r.ov. 5.15 van het tussenvonnis van 2 maart 2022) dat het veroorzaken van schade aan andermans eigendom op zichzelf al een inbreuk is op het eigendomsrecht en daarom als onrechtmatige daad kwalificeert, zodat FH Holland aansprakelijk is voor de schade die zij veroorzaakt heeft. Daartegen richt FH Holland grief 1. Die grief slaagt. Uit de wetsgeschiedenis van art. 6:162 BW blijkt dat van een inbreuk op een recht als bedoeld in art. 6:162 lid 2 BW niet reeds sprake is op grond van de enkele omstandigheid dat een gedraging letsel of zaaksbeschadiging als voorzienbaar gevolg heeft (zie Hoge Raad, 12 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:17). 2.13. Het slagen van de grief betekent echter niet dat FH Holland niet aansprakelijk is voor de schade die het gevolg is van haar werkzaamheden. Een gedraging die letsel of zaaksbeschadiging als voorzienbaar gevolg heeft kan immers onrechtmatig zijn op grond van een norm van geschreven of ongeschreven recht die ertoe strekt letsel of zaaksbeschadiging te voorkomen. Bij bouwwerkzaamheden geldt hierbij dat in het geval aan de bouwwerkzaamheden een aanmerkelijk risico verbonden was dat aan het pand van de gelaedeerde schade zou worden toegebracht, het uitvoeren van deze werkzaamheden met zaakschade aan het pand tot gevolg, een onrechtmatige daad kan opleveren die verplicht tot vergoeding van de schade die daarvan het gevolg is ook in het geval maatregelen ter voorkoming van schade werden getroffen en de werkzaamheden zorgvuldig werden uitgevoerd (zie Hoge Raad, 12 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:17 r.ov 3.2.2). Op de mondelinge behandeling in hoger beroep op [nummer 2] februari 2024 is dit arrest van de Hoge Raad met partijen besproken en partijen zijn in de gelegenheid geweest om hierop (nader) in te gaan bij memories na deskundigenbericht. 2.14. In haar memorie na deskundigenbericht betoogt FH Holland dat er geen sprake is van onrechtmatig handelen en dat zij dus niet op deze grondslag aansprakelijk is. 2.15. Niet in geschil is dat FH Holland de werkzaamheden onder het pand [straatnaam] [nummer 1] zorgvuldig heeft voorbereid en uitgevoerd. De vraag die het hof moet beantwoorden is of in het licht van alle omstandigheden van het geval de werkzaamheden zoals die door FH Holland zijn uitgevoerd niettemin, gelet op wat in het maatschappelijk verkeer betamelijk is, tegenover [geïntimeerden] een onrechtmatige daad opleveren die FH Holland verplichten de als gevolg daarvan ontstane schade te vergoeden. Bij de beantwoording van die vraag gelden de volgende gezichtspunten. Aanmerkelijk risico 2.16. Bij de voorbereiding van de werkzaamheden door FH Holland op [straatnaam] [nummer 1] zijn enkele documenten opgesteld die hier van belang zijn. Die documenten zijn ook ter zitting van het hof op [nummer 2] februari 2024 met partijen besproken. Allereerst het memo van Spaans management van 29 augustus 2017 (‘Geohydrologisch onderzoek nieuwbouw met kelder ter plaatse van [straatnaam] [nummer 1] te [woonplaats] ’). Daarin staat onder meer vermeld: “In de toekomstige situatie heeft het grondwater in de directe omgeving van de nieuwe kelder onder het [straatnaam] [nummer 1] veel minder ruimte om te stromen van een hoge naar een lage stijghoogte. De nieuwe kelder doorsnijdt de waterremmende C1-Laag (veen en klei) onder het gehele pand, waardoor de freatische grondwaterstroming vanuit de omgeving naar verwachting minder zal worden dan in de huidige situatie. Opstuwing van grondwater is hierdoor niet uit te sluiten. Ter voorkoming van wateroverlast in de omgeving zijn de volgende aanvullende maatregelen benodigd tijdens de bouw van de nieuwe kelder onder het pand [straatnaam] [nummer 1] .
[…]
Voor de aanleg van de kelder en de grondverbetering dient bronbemaling te worden toegepast. Ten gevolge van deze tijdelijke bronbemaling zal de grondwaterstand in de omgeving tijdelijk lager zijn.” 2.17. Daarop is de Omgevingsvergunning op 17 oktober 2017 gevolgd. Daarin staat onder meer het volgende te lezen: “Grondwaterstand (artikel 8.6 Bouwbesluit 2012)
Het bemalen van bouwputten, leidingsleuven en andere tijdelijke ontgravingen ten behoeve van bouwwerkzaamheden mogen niet leiden tot een zodanig wijziging van de grondwaterstand dat gevaar kan ontstaan voor de veiligheid van belendingen.
Veiligheidsplan (artikel 8.7 van het Bouwbesluit 20212)
De op basis van de artikelen 8.2 tot en met 8.6 te treffen maatregelen worden op aanwijzing van het bevoegd gezag vastgelegd in een veiligheidsplan. Het plan bevat ter beoordeling door het bevoegd gezag:
[…]
c. indien een bouwput wordt gemaakt:
[…]
3 de uitgangspunten voor een monitoringsplan ter voorkoming van schade aan naburige bouwwerken.” 2.18. Vervolgens is een Concept Maatwerkbesluit voor het onttrekken van grondwater op de locatie [straatnaam] [nummer 1] in [woonplaats] afgegeven, gedateerd 22 mei 2019. Daarin staat bij 3 Overwegingen onder meer het volgende te lezen: “Degene die grondwater infiltreert, onttrekt of terugbrengt in de bodem (bodemlozing) moeten nadelige gevolgen voor de bij het grondwaterbeheer betrokken belangen zoveel mogelijk voorkomen en beperken. […] De omgeving op de bemalingslocatie, [straatnaam] [nummer 1] in [woonplaats] , is gevoelig voor grondwaterstandverlagingen en zettingen. De maatwerkvoorschriften zijn specifiek gericht op de inrichting van de bouwlocatie, het plaatsen van meetpunten en het uitvoeren van monitoring. Dit heeft als doel het voorkomen van schade aan de omliggende panden en infrastructuur. Met deze maatwerkvoorschriften ziet AGV [Waterschap Amstel, Gooi en Vecht, hof] dus toe op het zoveel mogelijk voorkomen dan wel beperken van nadelige gevolgen van de belanghebbende.” 2.19. Uit met name dit laatste document volgt dat aan de aard van de werkzaamheden van FH Holland – wateronttrekking op het adres [straatnaam] [nummer 1] in verband met de aanleg van een kelder – een aanmerkelijk en voor FH Holland ook voorzienbaar risico was verbonden op het ontstaan van schade aan belendende panden. Met het rapport van de deskundige is in deze procedure vast komen te staan dat dat risico zich ook heeft verwezenlijkt aan het pand [straatnaam] [nummer 2] . Het andersluidende standpunt dat FH Holland in haar laatste processtuk inneemt wordt dus verworpen. Het hof betrekt hierbij nog de omstandigheid dat [geïntimeerden] al op 6 augustus 2019 en vervolgens meerdere keren, op 15 augustus 2019 en 26 augustus 2019 FH Holland hebben gewaarschuwd voor dit risico, te weten scheurvorming aan hun pand aan het [straatnaam] [nummer 2] , en zij hebben op 6 oktober 2019 de opdrachtgever van FH Holland gevraagd met de werkzaamheden te stoppen (zie het tussenarrest van 2 april 2024 onder 2.8 en 2.9). Het risico dat de wateronttrekking mogelijk tot schade zou leiden aan het pand [straatnaam] [nummer 2] werd toen al zichtbaar, maar er is door FH Holland de keuze gemaakt om de werkzaamheden niet te staken. In wiens belang 2.20. De werkzaamheden aan het pand [straatnaam] [nummer 1] zagen op de aanleg van een kelder onder dat pand en dienden daarmee primair de belangen van de opdrachtgever van FH Holland, en niet die van [geïntimeerden] Integendeel: [geïntimeerden] hebben louter nadeel ondervinden van die werkzaamheden, te weten schade aan hun pand door verzakkingen en scheurvorming als gevolg van de wateronttrekking gedurende zes maanden onder het pand [straatnaam] [nummer 1] . Daaraan kan niet afdoen het op geen enkele wijze onderbouwde argument van FH Holland in haar laatste processtuk onder 20 dat [geïntimeerden] profijt zouden hebben bij funderingsherstel van het pand [straatnaam] [nummer 1] . Te dulden in het maatschappelijk verkeer 2.21. Het aan de langdurige wateronttrekking door FH Holland op het adres [straatnaam] [nummer 1] verbonden risico van verzakking en scheurvorming van het pand [straatnaam] [nummer 2] heeft zich verwezenlijkt zoals in deze procedure is gebleken. Dat is zaakschade die naar zijn aard en gelet op de financiële gevolgen ervan niet zonder meer behoort tot hetgeen door een derde in het maatschappelijk verkeer moet worden geduld bij bouwwerkzaamheden van een ander. Daarbij betrekt het hof dat de schade in dit geval is geleden door particulieren en het meer in de rede ligt het risico van het ontstaan van schade als gevolg van haar aannemingswerkzaamheden voor risico van de aannemer, FH Holland, te laten komen dan voor risico van de particuliere benadeelde. Daarbij weegt mee dat FH Holland zich tegen aansprakelijkheid voor het toebrengen van schade aan derden als gevolg van haar werkzaamheden kan verzekeren, wat ook het geval is nu zij een CAR-verzekering heeft afgesloten. 2.22. Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat (1) nu aan het langdurig onttrekken van water op het adres [straatnaam] [nummer 1] een aanmerkelijk en voor de aannemer ook voorzienbaar risico van schade aan panden in de omgeving was verbonden, (2) dit risico zich op het adres [straatnaam] [nummer 2] heeft gerealiseerd, (3) de als gevolg daarvan ontstane zaakschade niet behoort tot wat derden in het maatschappelijk verkeer bij bouwwerkzaamheden van een ander hebben te dulden, (4) de werkzaamheden van FH Holland niet het belang dienden van [geïntimeerden] en FH Holland zich heeft verzekerd, FH Holland op grond van onrechtmatige daad aansprakelijk is voor de door [geïntimeerden] geleden zaakschade. De omvang van de schade 2.23. FH Holland betwist ook dat alle gevorderde schadeposten toegerekend kunnen worden aan haar werkzaamheden. Op twee punten schrijft de deskundige dat het verband met de grondwateronttrekking niet vastgesteld is. De deskundige schrijft: “[…] Voor enkele schades aan de voorzijde van de woning, zoals de scheurtjes in het plafond van de woonkamer, staat de relatie met zakking van de fundering niet vast. Deze schades kunnen ook door trillingen door de bouwwerkzaamheden veroorzaakt zijn.” en “Zoals aangegeven bij vraag 3 was er voorafgaand aan de bouw sprake van enkele scheurtjes in de aftimmering van de balken rond de serre en in de wanden van de entresol. Deze scheurtjes zijn in enige mate veroorzaakt door de conditie van de fundering. Zonder de bemaling zouden deze scheurtjes in de jaren daarop licht verergerd zijn.” 2.24. Het hof is van oordeel dat op deze twee punten het verweer van FH Holland slaagt: deze schades kunnen niet causaal worden toegerekend aan de grondwateronttrekking door FH Holland. De geopperde mogelijkheid dat de schade in het plafond van de woonkamer door trillingen als gevolg van de werkzaamheden is ontstaan, is niet voldoende onderbouwd in deze procedure. [geïntimeerden] stelt ook te weinig om FH Holland aansprakelijk te houden voor schade die het gevolg is van trillingen. De scheurtjes in de aftimmering van de balken rond de serre en in de wanden van de entresol waren al voorafgaand aan de grondwateronttrekking aanwezig in het pand en zouden ook zonder de grondwateronttrekking verergerd zijn. Ook hier acht het hof onvoldoende onderbouwd dat de herstelkosten van de die scheurtjes in causaal (conditio sine qua non) verband staan met de grondwateronttrekking. FH Holland is daarom ook voor dit deel van de gevorderde herstelkosten niet aansprakelijk. 2.25. Dat betekent dat de gevorderde schadevergoeding niet toewijsbaar is, voor zover die ziet op herstelkosten voor “de scheurtjes in het plafond van de woonkamer” en “enkele scheurtjes in de aftimmering van de balken rond de serre en in de wanden van de entresol”. Het hof begrijpt dat het hier gaat om cosmetische herstelwerkzaamheden, en dat de kosten van die herstelwerkzaamheden begrepen zijn in de factuur van 16 februari 2021 van Simons Schilderwerken, gelet op de omschrijving “serre” en “Kamers voorzijde”. De manuren en materiaalkosten zijn in deze factuur echter niet uitgesplitst naar de werkzaamheden. De vordering van [geïntimeerden] op dit punt is gebaseerd op de offerte van Simons en bedraagt voor de al verrichte werkzaamheden € 6.160,00 voor “Herstel binnen werk” Dat is post 10 in het bestreden eindvonnis en de rechtbank heeft dat deel toegewezen (r.ov. .3. [nummer 2] ) vermeerderd met 9 procent btw (r.ov. 3.30). Omdat het overgrote gedeelte van deze herstelkosten wel toegerekend kan worden aan werkzaamheden die zagen op herstel van door FH Holland veroorzaakte schade, begroot het hof de schade (de herstelkosten) waarvoor FH Holland wel aansprakelijk is (omdat die veroorzaakt zijn door de grondwateronttrekking) op 95% van het gevorderde bedrag. Op dit punt is FH Holland dus aansprakelijk voor € 5.852,00 vermeerderd met 9% btw. De rechtbank berekende de totale schade op € 27.112,90. Het hof komt, gelet op deze lagere begroting van de schade, uit op een bedrag van € 26.777,18. 2.26. Ook [geïntimeerden] stelt de omvang van de schade aan de orde. Zij vermeerdert haar eis in hoger beroep en richt grieven 2 en 3 in het incidenteel hoger beroep tegen de gedeeltelijke afwijzing van verschillende schadeposten. Op grond van artikel 130 Rv en artikel 353 Rv is de eisende partij in hoger beroep bevoegd haar eis te vermeerderen. Het hof ziet geen gronden om deze eisvermeerdering buiten beschouwing te laten. Het hof zal daarom op de vermeerderde eis beslissen. 2.27. De rechtbank heeft van de schadepost (1) ‘reparatie lekkage kelder’ de helft toegewezen, omdat uit de offerte en factuur onvoldoende blijkt dat het hier uitsluitend gaat om herstelwerkzaamheden van die schade die het gevolg is van de verlaging van het grondwaterpeil. Volgens [geïntimeerden] kan dat oordeel geen standhouden, waarbij [geïntimeerden] verwijst naar “de inhoud van de offerte en de factuur”. De factuur is overgelegd (productie 42) de overgelegde offerte bevat geen inhoudelijke omschrijving van de werkzaamheden, maar verwijst naar een niet overgelegde bijlage (JMA20072). Dat brengt mee dat onvoldoende is onderbouwd dat de kosten van reparatie volledig zien op herstel van schade die het gevolg is van de werkzaamheden van FH Holland. Dat had wel op de weg van [geïntimeerden] gelegen. De grief kan daarom niet slagen. 2.28. De kosten van de (vervroegde) terugreis van [naam 3] op 26 oktober 2019 zijn afgewezen. De grief daartegen slaagt niet. De (extra) kosten die het gevolg zijn van de beslissing van [naam 3] om na het intreden van de verzakkingsschade eerder terug te reizen kan niet als schade worden toegerekend aan de verlaging van het grondwater door [geïntimeerden] De kosten die het gevolg zijn van de beslissing van [naam 3] om zijn echtgenote te ondersteunen en daarom terug te reizen staan in een te ver verwijderd verband met de schade aan de woning van [geïntimeerden] 2.29. De vergoeding van de gestelde schade aan een bloempot is afgewezen. Het gaat hier niet om schade door een verlaging van de grondwaterstand, maar om een andere – gestelde – onrechtmatige daad van (werknemers van) FH Holland. [geïntimeerden] stelt echter niet meer dan dat dan dat “door het onzorgvuldig plaatsen van hekwerk” de bloempot beschadigd zou zijn. Tegenover de betwisting van FH Holland is de vordering met betrekking tot de bloempot van [geïntimeerden] niet onderbouwd met concrete stellingen over de toedracht. De grief tegen het afwijzen van deze schadepost slaagt niet. 2.30. De rechtbank heeft schadepost (13) ‘muren kamer 1 hoog’ ten bedrage van € 1.663,45 (inclusief 9% btw) afgewezen, omdat deze schadepost onvoldoende was toegelicht. In hoger beroep voert [geïntimeerden] aan dat het hier gaat om schade die is ontstaan is door de grondwaterverlaging. In de nulmeting is deze schade nog niet geconstateerd. De schade is per abuis niet meegenomen in de schadeopneming door EversPartners, maar toen domweg over het hoofd gezien, aldus [geïntimeerden] Het hof is van oordeel dat het hier – blijkens de factuur – gaat om herstel van werkingsscheuren en de deskundige schreef dat geconstateerde scheurvorming in de binnenruimtes aan de achterzijde van de woning toegerekend kan worden aan de verlaging van de grondwaterstand. FH Holland betwist, gelet daarop deze schadepost onvoldoende gemotiveerd, zodat dit deel van de vordering toewijsbaar is. De grief slaagt in zoverre. 2.31. Met betrekking tot schadepost (16) de kosten van de offerte van meubelmaker Westerhuis (€ 75,00 incl. btw) is het hof van oordeel dat het hier gaat om kosten ter vastste1ling van schade en aansprakelijkheid ex artikel 6:96 lid 2 aanhef en onder b. BW. Dit deel van de vordering is toewijsbaar. De grief van [geïntimeerden] slaagt in zoverre. 2.32.
[geïntimeerden] vordert ook betaling van twee facturen van 25 januari 2023 van Simons voor werkzaamheden in de keuken en badkamer. Volgens [geïntimeerden] gaat het om de herstelkosten van een lekkage die aan de werkzaamheden van FH Holland kan worden toegerekend. Gelet op het tijdsverloop tussen de werkzaamheden van FH Holland (tweede helft van 2019 en de factuurdatum (januari 2023) en de betwisting van het causaal verband door FH Holland had het op de weg van [geïntimeerden] gelegen om concreet toe te lichten dat en waarom de lekkage in causaal verband staat met de werkzaamheden. Dat doet zij onvoldoende. Dit deel van de vordering is niet toewijsbaar en dit deel van de grief slaagt daarom niet. 2.33. Als gevolg van het gedeeltelijk slagen van een aantal grieven van [geïntimeerden] is in aanvulling op de door de rechtbank berekende schade nog toewijsbaar de bedragen van € 1.663,45 (zie onder 2.31 hiervoor) en € 75,00 (zie onder 2.32 hiervoor) (steeds inclusief btw), zodat het hof de totale toewijsbare schadevergoeding (in hoofdsom) begroot op € 28.515,63 (incl. btw). Kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid 2.34. In het eindvonnis heeft de rechtbank een bedrag van € 1.686,74 voor kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid toegewezen. Daartegen is door FH Holland geen grief gericht. 2.35.
[geïntimeerden] vordert (na vermeerdering van de eis) betaling van drie facturen van [naam 2] van € 1.197,00, € 859,10 en € 846,52 (steeds incl. btw). Het gaat hier om kosten van monitoring van de grondwaterstand en verzakking van [straatnaam] [nummer 2] , na het einde van de werkzaamheden van FH Holland. De factuur van 6 maart 2020 ten bedrage van € 1.197,00 is door de rechtbank toegewezen. Schadevergoeding voor de factuur van 14 mei 2020 van € 859,10 heeft de rechtbank afgewezen. Na vermeerdering van eis vordert [geïntimeerden] ook vergoeding van de door [naam 2] gefactureerde kosten voor een herhaalmeting (factuur van 17 februari 2023, ten bedrage van € 846,52). 2.36.
[geïntimeerden] stelt dat het redelijk is dat zij ook na de werkzaamheden van FH Holland de verzakking van haar woning heeft laten monitoren. FH Holland voert aan dat eventuele verdere verzakking niet in causaal verband kan staan met haar werkzaamheden. 2.37. Volgens vaste rechtspraak is voor vergoeding van kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid als bedoeld in art. 6:96 lid 2, aanhef en onder b, BW, vereist dat:
( a) condicio sine qua non-verband bestaat tussen de aansprakelijkheid scheppende gebeurtenis en de kosten;
( b) de kosten in zodanig verband staan met die gebeurtenis dat zij, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, aan de aansprakelijke persoon kunnen worden toegerekend;
( c) het redelijk was om in verband met een onderzoek naar de mogelijke gevolgen van die gebeurtenis deskundige bijstand in te roepen; en
( d) de daartoe gemaakte kosten redelijk zijn.
Het hof is van oordeel dat het hier gaat om kosten die zien op de vraag of door de werkzaamheden van FH Holland meer of andere schade is ontstaan, die zich (mogelijk) pas later openbaart of realiseert. Die kosten staan daarom in causaal verband tot die werkzaamheden en kunnen worden toegerekend aan FH Holland. Dat [geïntimeerden] deskundige bijstand ingeroepen heeft voor onderzoek naar de mogelijke verdere gevolgen van de grondwateronttrekking, acht het hof ook redelijk. Ook de hoogte van de kosten is redelijk. Het hof zal daarom ook als schadevergoeding het gevorderde bedrag van € 2.902,62 toewijzen. De gevorderde wettelijke rente, wijst het hof niet toe, omdat die vordering niet toegelicht is. 2.38. Door [geïntimeerden] is ook het meetrapport van [naam 2] van 15 februari 2023 in het geding gebracht. Daaruit blijkt een zetting van 1,85 millimeter per jaar, in de periode 2020 tot 2023. Die verzakking wordt aangemerkt als “klein” en [geïntimeerden] stelt niet dat die verzakking veroorzaakt is door de grondwateronttrekking in 2019-2020 en evenmin dat die zakking nog tot schade waarvoor FH Holland aansprakelijk zou zijn, kan leiden. Gelet daarop acht het hof de kosten voor monitoring in de toekomst, ook al adviseert [naam 2] dat, niet langer in het vereiste causale verband staan met de grondwateronttrekking. Dit deel van de vordering zal het hof daarom niet toewijzen. “Eigen schuld” 2.39. De rechtbank heeft geoordeeld dat de schade veroorzaakt is door het onttrekken van grondwater, maar dat de schade verergert of vergroot kan zijn door (r.ov 5.17 van het bestreden tussenvonnis en r.ov 3.3 e.v. van het bestreden eindvonnis) een verschil in zakkingsgedrag tussen de hoofd- en achterbouw en extra zetting van de fundering veroorzaakt door de geconcentreerde belasting. De rechtbank oordeelde dat op dat punt sprake was van schade die mede het gevolg was van eigenschappen van de fundering van [straatnaam] [nummer 2] en dat daarom op grond van artikel 6:101 BW 30% van de schade aan [geïntimeerden] moet worden toegerekend. 2.40. Daartegen richt [geïntimeerden] grief 1 in het incidenteel hoger beroep. De deskundige in dit verband over de staat van de fundering geschreven: “[V]oorafgaand aan de bouw [was er] sprake van enkele scheurtjes in de aftimmering van de balken rond de serre en in de wanden van de entresol. Deze scheurtjes zijn in enige mate veroorzaakt door de conditie van de fundering. Zonder de bemaling zouden deze scheurtjes in de jaren daarop licht verergerd zijn. Op basis van de verklaring van [geïntimeerden] , dat het normaliter eens in de zes á zeven jaar nodig zou zijn om deze scheurtjes te repareren, en de verergering nu als gevolg van de bemaling na een half jaar, stelt STAB dat deze schade voor niet meer dan 10 tot 15 % te wijten is aan de conditie van de fundering.
Daarbij merkt STAB op dat sinds de scheurtjes door de bemaling groter zijn geworden dan ze in het verleden zijn geweest, er ondanks de reparatie een relatief zwakke plek in de afwerking is ontstaan, waardoor de scheuren nu sneller terug zullen komen.
Van de overige schades kan niet gesteld worden dat die deels te wijten zijn aan de conditie van de fundering van [straatnaam] [nummer 2] .” 2.41. FH Holland stelt daarbij nog aan de orde dat met name de kelderbak van [straatnaam] [nummer 2] zo aangelegd had moeten worden dat deze de (geringe) extra belasting had moeten kunnen opvangen, zonder dat daarbij schade ontstond. De deskundige onderschrijft dat de kelderbak “relatief kwetsbaar” is: “Wanneer de kelder zou zijn uitgevoerd als massief betonnen kelderbak met voldoende dikte en wapening, dan zou deze schade niet zijn opgetreden. Ten tijde van de bouw van de woning in 1906 werd echter nog niet of nauwelijks gewapend beton toegepast en zeker niet in woningen. De kelderbak is waarschijnlijk gemaakt in de periode tussen 1920 en 1940. Destijds werden betonnen wanden en vloeren vanwege de materiaalkosten in zeer geringe diktes uitgevoerd, wat de bak relatief kwetsbaar maakt bij vervormingen en wijzigingen in belasting.” 2.42. Het hof is van oordeel dat het verweer van FH Holland dat deze woning de daling van het grondwaterpeil tot tientallen centimeters onder het historisch laagste peil zonder schade had moeten kunnen doorstaan, niet voldoende concreet onderbouwd is. Het feit dat er schade aan de woning is ontstaan, betekent niet dat er sprake is van een gebrek of van een omstandigheid die toegerekend moet worden aan de eigenaar van het beschadigde pand. Integendeel, die relatieve kwetsbaarheid van deze woning volgt uit het feit dat het hier om oudere woningen gaat, met in het geval van [straatnaam] [nummer 2] een kelderbak die in de periode 1920-1940 is aangelegd. FH Holland had daar bij de uitvoering van haar werkzaamheden (meer) rekening mee moeten houden, zeker nadat zij was gewaarschuwd en haar de schade was gemeld. 2.43. Voor zover – door de deskundige – de scheuren zijn gerelateerd aan de conditie van de fundering, gaat het om “enkele scheurtjes in de aftimmering van de balken rond de serre en in de wanden van de entresol”. Het hof heeft al geoordeeld dat op dit punt FH Holland bij gebreke van voldoende causaal verband niet aansprakelijk is voor de herstelkosten die hiervan het gevolg zijn. Van eigen schuld van [geïntimeerden] (in de zin van 6:101 BW) kan alleen sprake zijn als er schade is waarvoor FH Holland aansprakelijk is en dat is hier niet het geval. De deskundige schrijft: “Van de overige schades kan niet gesteld worden dat die deels te wijten zijn aan de conditie van de fundering van [straatnaam] [nummer 2] .” Het hof zal de schadevergoedingsplicht van FH Holland daarom niet met 30% verminderen, zoals de rechtbank dat deed op basis van artikel 6:101 BW. De grief van [geïntimeerden] tegen dit oordeel van de rechtbank slaagt dus. Omvang van het hoger beroep 2.44. Voor zover de rechtbank andere onderdelen van de vordering heeft afgewezen, zijn daar door [geïntimeerden] geen kenbare grieven tegen geformuleerd. Die afwijzingen zijn aan het oordeel van het hof onttrokken. Geen nadere bewijslevering 2.45. Met het deskundigenbericht is het bewijs van het causaal verband tussen de werkzaamheden en de schade geleverd. Het hof komt niet aan nadere bewijslevering toe, omdat door beide partijen verder geen relevante feiten zijn gesteld, die – als die feiten zouden worden bewezen – tot een andere beslissing zouden kunnen leiden. Conclusies en proceskosten 2.46. Het principaal hoger beroep van FH Holland slaagt grotendeels niet. Op een aantal onderdelen slaagt het incidenteel hoger beroep van [geïntimeerden] Het hof zal voor de leesbaarheid de beide vonnissen van de rechtbank vernietigen en opnieuw rechtdoende FH Holland veroordelen tot betaling van € 28.515,63 incl. btw vermeerderd met wettelijke rente vanaf 27 mei 2020, een bedrag van € 2.902,62 ter zake van buitengerechtelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid, en – zoals in hoger beroep niet bestreden – € 964,79 aan buitengerechtelijke kosten. Ook zal het hof FH Holland in de proceskosten van de eerste aanleg veroordelen, zoals begroot door de rechtbank. De vordering van FH Holland om [geïntimeerden] te veroordelen om aan FH Holland terug te betalen hetgeen op basis van het vonnis is betaald, is niet toewijsbaar. De bedragen die door FH Holland op basis van het vonnis reeds aan [geïntimeerden] zijn betaald, strekken wel in mindering op de nu in hoger beroep uitgesproken veroordeling. 2.47. Als de (overwegend) in het ongelijk te stellen partij zal het hof FH Holland in de kosten van het principaal en incidenteel hoger beroep veroordelen. 2.48. De kosten voor de procedure in (principaal) hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerden] worden vastgesteld op: - griffierecht € 783,00 - kosten deskundige € 15.200,02 - salaris advocaat € 4.175,00 (2,5 punten × appeltarief III) - nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals in de beslissing vermeld) - totaal: € 20.347,02 2.49. De kosten voor de procedure in incidenteel hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerden] worden vastgesteld op: - salaris advocaat € 2.087,50 (2,5 punten × appeltarief III × 0,5) - totaal: € 2.087,50 3Beslissing Het hof: in het principaal en het incidenteel hoger beroep: 3.1. vernietigt de vonnissen van de rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Haarlem, van 2 maart 2022 en 20 juli 2022, en opnieuw rechtdoende: 3.2. veroordeelt FH Holland tot betaling aan [geïntimeerden] van een bedrag van € 28.515,63 (btw daarin begrepen) te vermeerderen tegen de wettelijke rente over dit bedrag met ingang van 27 mei 2020 tot de dag van betaling; 3.3. veroordeelt FH Holland om aan [geïntimeerden] te betalen een bedrag van € 2.902,62 inclusief btw aan buitengerechtelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid; 3.4. veroordeelt FH Holland om aan [geïntimeerden] te betalen een bedrag van € 964,79 aan buitengerechtelijke kosten ex art. 6:96 lid 2 sub c BW; 3.5. veroordeelt FH Holland in de proceskosten van de eerste aanleg, aan de zijde van [geïntimeerden] begroot op € 2.840,39, te vermeerderen met de nakosten zoals toegewezen in het bestreden vonnis; 3.6. veroordeelt FH Holland in de kosten van het hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerden] vastgesteld op € 20.347,02 (in principaal hoger beroep) en € 2.087,50 (in incidenteel hoger beroep), te betalen binnen veertien dagen na de datum van dit arrest en, als FH Holland niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het arrest daarna wordt betekend, te vermeerderen met € 92,00 en de kosten van betekening; 3.7. verklaart de veroordelingen tot betaling uitvoerbaar bij voorraad; 3.8. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit arrest is gewezen door mr. R.A. van der Pol, O.G.H. Milar en R.F. Groos en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2026.