Menu

Filter op
content
PONT | Governance

0

ECLI:NL:CRVB:2026:991

Beëindiging ZW-uitkering. Terecht geoordeeld dat appellant geschikt is voor zijn eigen werk. Voldoende zorgvuldig medisch onderzoek. Geen twijfel over de zorgvuldigheid en juistheid van de medische beoordeling waardoor geen aanleiding bestaat voor het benoemen van een onafhankelijke deskundige.

Centrale Raad van Beroep 5 augustus 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:CRVB:2026:991 text/xml public 2026-08-05T17:01:37 2026-07-31 Raad voor de Rechtspraak nl Centrale Raad van Beroep 2026-07-22 25/1410 ZW Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2026:991 text/html public 2026-08-04T11:42:53 2026-08-05 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:CRVB:2026:991 Centrale Raad van Beroep , 22-07-2026 / 25/1410 ZW
Beëindiging ZW-uitkering. Terecht geoordeeld dat appellant geschikt is voor zijn eigen werk. Voldoende zorgvuldig medisch onderzoek. Geen twijfel over de zorgvuldigheid en juistheid van de medische beoordeling waardoor geen aanleiding bestaat voor het benoemen van een onafhankelijke deskundige.

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

25/1410 ZW

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 3 juli 2025, 23/5521 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 22 juli 2026
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de ZW-uitkering van appellant per 15 mei 2023 heeft beëindigd. Volgens appellant was hij toen door zijn (medische) beperkingen niet in staat om zijn eigen werk te verrichten, zodat hij onveranderd recht heeft op een ZW-uitkering. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv de ZW-uitkering terecht heeft beëindigd.
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.

De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 10 juni 2026. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.H. Jansen.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant heeft voor het laatst via een uitzendbureau gewerkt als orderpicker voor 40 uur per week. Op 12 januari 2023 heeft hij zich ziekgemeld met chronische hoofdpijn/migraineklachten en klachten als gevolg van het carpaal tunnel syndroom (CTS) links. Het Uwv heeft appellant een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend. Op 15 mei 2023 heeft hij het spreekuur bezocht van een arts van het Uwv. Deze arts heeft appellant per 15 mei 2023 geschikt geacht voor zijn laatste werk. Bij besluit van 15 mei 2023 heeft het Uwv de ZW-uitkering per die datum beëindigd.
1.2.
Bij besluit van 16 augustus 2023 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. Hieraan ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 14 augustus 2023 ten grondslag.

Uitspraak van de rechtbank

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest. Uit de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep blijkt dat alle klachten van appellant zijn betrokken bij de beoordeling. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat niet is gebleken dat de belastbaarheid van het eigen werk niet juist is omschreven. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft zich gebaseerd op de omstandigheid dat appellant in het verleden zijn eigen werkzaamheden heeft kunnen verrichten en de functieomschrijving, waaruit blijkt dat appellant weinig hoeft samen te werken met anderen. In beroep heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep uitgebreid uiteengezet hoe hij tot de belastbaarheid van het eigen werk is gekomen. Daarbij is waarde gehecht aan de door appellant ingevulde vragenlijst, de vacatures van Rensa voor de functie orderpicker, het CBBS-systeem en het gesprek met appellant op 14 januari 2025. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep op overtuigende wijze heeft toegelicht in hoeverre appellant geschikt is voor zijn eigen werk. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft zijn conclusie gebaseerd op de klachten van appellant, op zijn eigen bevindingen uit (lichamelijk) onderzoek en op de medische informatie van de behandelaren. Zowel voor de lichamelijke als voor de psychische klachten heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende gemotiveerd dat appellant per datum in geding in staat mag worden geacht zijn eigen werk te verrichten. De in beroep overgelegde stukken leiden niet tot een ander oordeel. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep komen de behandelaren van appellant alleen tot een andere oorzaak van de klachten, namelijk PTSS in plaats van ASS. Met de klachten zelf is door de verzekeringsarts bezwaar en beroep al rekening gehouden. Appellant heeft geen medische stukken overgelegd waaruit blijkt van andere of ernstigere medische gebreken ten tijde van de datum in geding. Er is dan ook geen aanleiding om aan de medische conclusies te twijfelen. Tot slot heeft de rechtbank het Uwv gevolgd in het standpunt dat de ZW geen hardheidsclausule of uitzonderingsbepaling kent om van de gestelde regels af te wijken. Dit betekent dat het Uwv terecht de ZW-uitkering van appellant per 15 mei 2023 heeft beëindigd.

Het standpunt van appellant

3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant heeft tegen die uitspraak aangevoerd dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is en de motivering onvoldoende. Er is sprake van een schending van het beginsel van equality of arms. Het Uwv had een verzekeringsarts psychiatrie moeten inschakelen in verband met de complexiteit van zijn klachten. Daarnaast is ten onrechte geen informatie opgevraagd bij de psycholoog of huisarts van appellant. Het standpunt van het Uwv dat ASS en PTSS dezelfde klachten opleveren en dat de klachten als gevolg van de PTSS daarom niet meegenomen hoeven worden is niet juist. ASS was slechts een waarschijnlijkheidsdiagnose. Dat appellant recent een escalatie van zijn PTSS-klachten ervaart en een fysieke instorting heeft gehad, is bewijs dat hij eerder al veel ernstiger beperkt was dan door het Uwv is aangenomen. Appellant heeft tot slot verzocht een onafhankelijk deskundige te benoemen.

Het standpunt van het Uwv

4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.
Het oordeel van de Raad
5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de beëindiging van de ZW-uitkering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
5.1.
Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid. Op grond van artikel 19, vijfde lid, van de ZW wordt voor een verzekerde die geen werkgever heeft onder ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid verstaan: ongeschiktheid tot het verrichten van werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend zijn voor zijn arbeid.
5.2.
Appellant heeft aangevoerd dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is geweest en dat sprake is van een schending van het beginsel van equality of arms. Daarbij heeft hij verwezen naar het arrest Korošec en de uitspraak van de Raad van 30 juni 2017, waarin een stappenplan is neergelegd voor de rechterlijke toetsing van de medische beoordeling. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Stap 1: de zorgvuldigheid van de besluitvorming
5.3.
De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het onderzoek van de artsen van het Uwv voldoende zorgvuldig is geweest. Appellant is zowel in de primaire fase als in bezwaar gezien op een spreekuur van een arts van het Uwv. Zij hebben daarnaast het dossier bestudeerd en alle medische informatie bij de beoordeling betrokken. Niet is gebleken dat daarbij informatie is gemist. Het arbeidsdeskundig onderzoek in beroep heeft weliswaar plaatsgevonden nadat de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft gerapporteerd, maar dit rapport is vervolgens voorgelegd aan de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Deze heeft hierin geen aanleiding gezien voor het wijzigen van het standpunt. Het feit dat in het medisch rapport in beroep een verkeerde datum is genoemd, maakt het onderzoek niet onzorgvuldig. Uit dit rapport blijkt dat het behandelplan van Bas BGGZ van 17 juni 2024 is meegewogen, waardoor duidelijk is dat de datum ‘10 januari 2024’ een schrijffout betreft en moet zijn 10 januari 2025.

Stap 2: equality of arms
5.4.
Er is geen reden om aan te nemen dat appellant belemmeringen heeft ondervonden bij de onderbouwing van zijn standpunt dat het Uwv hem ten onrechte geschikt heeft geacht voor zijn eigen werk. Appellant heeft in de procedure gelegenheid gehad om medische stukken in te dienen en heeft daarvan in bezwaar, beroep en hoger beroep ook gebruik gemaakt. Niet kan worden gezegd dat deze stukken naar hun aard niet geschikt zijn om twijfel te zaaien over de beoordeling van het Uwv. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft deze informatie ook betrokken bij de beoordeling, zodat deze door de rechter kan worden getoetst. Er is daarom geen sprake van schending van het beginsel van equality of arms en daarom ziet de Raad geen aanleiding om op die grond een deskundige in te schakelen.

Stap 3: inhoudelijke beoordeling
5.5.
De rechtbank heeft ook terecht geoordeeld dat er geen aanleiding is om te twijfelen aan de juistheid van de medische beoordeling. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft inzichtelijk gemotiveerd dat er op de datum in geding, 15 mei 2023, geen beperkingen zijn voor het verrichten van de maatgevende arbeid. Er is geen sprake van een situatie van geen benutbare mogelijkheden. Appellant heeft voor wat betreft de migraine- en hoofdpijnklachten, rugpijn en hielspoorklachten laten zien hiermee in het verleden zijn eigen werk te hebben kunnen verrichten. Daarbij heeft appellant zelf tegenover de primaire arts verklaard dat hij adequate medicatie ontvangt voor zijn migraine en dat deze goed helpt. Op de datum in geding vormde de klachten aan de linkerpols daarnaast geen reden voor arbeidsongeschiktheid, omdat de operatie in januari 2023 ongecompliceerd is verlopen en het herstel in de regel enkele weken is. In beroep heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep daaraan toegevoegd dat de operatie aan de rechterpols pas een jaar later, en daarmee ruim na de datum in geding, plaatsvond. Voor wat betreft de psychische klachten van appellant heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep overwogen dat deze te wijten zijn aan het verliezen van zijn baan en de financiële zorgen. De klachten die appellant in dit kader beschrijft (het hebben van een kort lontje, cynisme, weinig geduld, geen empathie) hebben vooral betrekking op de omgang met anderen. Volgens de functieomschrijving hoeft appellant weinig samen te werken met anderen, zodat deze klachten niet in de weg staan aan het uitvoeren van zijn eigen werk. In reactie op de brieven van GGNet van 19 december 2023 en Bas BGGZ van 17 juni 2024, waaruit blijkt dat sprake is van PTSS en niet van ASS zoals eerder werd vermoed, heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep overwogen dat deze geen aanleiding geven voor het wijzigen van het standpunt. Dat sprake is van andere diagnose dan waar eerder van werd uitgegaan, betekent niet dat de beoordeling van het Uwv niet juist is. De psychische klachten die appellant ervaart en de daaruit voortvloeiende objectieve beperkingen zijn meegenomen in de beoordeling. De verzekeringsarts bezwaar en beroep kan hierin worden gevolgd.
5.6.
De in hoger beroep overgelegde informatie van Bas GGZ en GGNet uit 2025 en 2026, waaruit blijkt dat appellant in 2025 opnieuw is behandeld voor PTSS-klachten na nieuwe traumatische gebeurtenissen op zijn werk als beveiliger, leidt niet tot een ander oordeel. Het Uwv heeft hierover terecht overwogen dat het hierbij gaat om een toename van klachten ruim na de datum in geding, die zijn ontstaan tijdens het verrichten van andere arbeid dan waarvoor hij door het Uwv geschikt is geacht. Tot slot wordt appellant niet gevolgd in zijn stelling dat het Uwv de werkgever van appellant loonkostenvoordeel heeft toegekend en dat hieruit zou volgen dat hij arbeidsongeschikt is. Het gaat daarbij om besluiten met een ander beoordelingskader en het Uwv heeft terecht opgemerkt dat hieruit niet kan worden afgeleid dat appellant niet geschikt was voor zijn eigen werk.
5.7.
Omdat twijfel aan de medische beoordeling ontbreekt, bestaat ook op die grond geen aanleiding voor het benoemen van een onafhankelijk deskundige.
Conclusie en gevolgen 5.8.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de beëindiging van de ZW-uitkering in stand blijft.

6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.E. Fortuin, in tegenwoordigheid van F.M. Gerritsen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 juli 2026.
(getekend) M.E. Fortuin <?linebreak?>
(getekend) F.M. Gerritsen

CRvB 30 juni 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2226.

Artikel delen