Menu

Filter op
content
PONT | Governance

0

ECLI:NL:CRVB:2026:990

Weigering ZW-uitkering toe te kennen. Appellante is terecht geschikt geacht de in in het kader van de WIA-beoordeling, geselecteerde functies te kunnen verrichten. Voldoende zorgvuldig medisch onderzoek. Geen twijfel over de zorgvuldigheid en juistheid van het medisch onderzoek waardoor geen aanleiding bestaat voor het benoemen van een onafhankelijke deskundige.

Centrale Raad van Beroep 5 augustus 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:CRVB:2026:990 text/xml public 2026-08-05T17:12:14 2026-07-31 Raad voor de Rechtspraak nl Centrale Raad van Beroep 2026-07-29 25/1225 ZW Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2026:990 text/html public 2026-08-05T08:24:21 2026-08-05 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:CRVB:2026:990 Centrale Raad van Beroep , 29-07-2026 / 25/1225 ZW
Weigering ZW-uitkering toe te kennen. Appellante is terecht geschikt geacht de in in het kader van de WIA-beoordeling, geselecteerde functies te kunnen verrichten. Voldoende zorgvuldig medisch onderzoek. Geen twijfel over de zorgvuldigheid en juistheid van het medisch onderzoek waardoor geen aanleiding bestaat voor het benoemen van een onafhankelijke deskundige.

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 28 mei 2025, 24/3024 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 29 juli 2026
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht heeft geweigerd om appellante per 24 januari 2024 een ZW-uitkering toe te kennen. Appellante vindt dat zij toen door haar (medische) beperkingen niet in staat was de eerder in het kader van de WIA-beoordeling geselecteerde functies te verrichten. De Raad volgt dit standpunt van appellante niet en komt tot het oordeel dat het Uwv appellante de ZW-uitkering terecht heeft geweigerd.
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. B. Kaya, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.

De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 17 juni 2026. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Kaya. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.E.J.P.M. Rutten.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante was werkzaam als medewerkster schoonmaak en heeft zich op 2 juni 2020 ziekgemeld. Na afloop van de voorgeschreven wachttijd heeft het Uwv bij besluit van 19 mei 2022 geweigerd aan appellante met ingang van 31 mei 2022 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toe te kennen, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Appellante werd niet meer in staat geacht tot het verrichten van haar laatste werk als medewerkster schoonmaak, maar wel tot het vervullen van diverse andere functies.
1.2.
Het Uwv heeft appellante per 31 mei 2022 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet toegekend (WW). Appellante heeft zich op 24 januari 2024 opnieuw ziekgemeld met lichamelijke en psychische klachten. In verband hiermee heeft zij op 2 april 2024 het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft appellante per 24 januari 2024 geschikt geacht voor de in het kader van de Wet WIA geselecteerde functies van productiemedewerker textiel, textielproductenmaker, productiemedewerker industrie en assemblagemedewerker besturingskasten. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 17 april 2024 geweigerd appellante per 24 januari 2024 een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toe te kennen.
1.3.
Bij besluit van 6 augustus 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag.

Uitspraak van de rechtbank

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat het Uwv bekend is met zowel de fysieke en psychische klachten van appellante. De verzekeringsarts heeft appellante lichamelijk onderzocht, waarbij ook aandacht is besteed aan de gewrichtsklachten. Uit dit onderzoek bleek dat de nek en schouders, ondanks de klachten, volledig functioneerden. Bukken en hurken gingen ook redelijk goed. Voor de angstklachten en depressieve klachten van appellante zijn beperkingen aangenomen. Uit het behandelplan van 18 april 2025 blijkt volgens de rechtbank weliswaar dat appellante onder andere is gediagnosticeerd met een depressieve stoornis en een angststoornis, maar deze diagnose is van ruim een jaar na de datum in geding. Ook heeft de rechtbank de toelichting van de verzekeringsarts bezwaar en beroep kunnen volgen dat ondanks de slaapproblemen geen urenbeperking moet worden aangenomen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft helder toegelicht dat niet blijkt dat appellante deze verergerde slaapproblemen al had op de datum in geding. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat de slaapproblemen voortkomen uit een slechte slaaphygiëne. Het is de rechtbank duidelijk dat appellante veel beperkingen ervaart door haar klachten en dat appellante deze beperkingen niet allemaal terugziet in de beoordeling van de verzekeringsarts (bezwaar en beroep), maar volgens vaste rechtspraak is niet de persoonlijke klachtenbeleving bepalend, maar moeten de klachten zijn terug te voeren op objectief medisch aantoonbare ziekte of gebrek. In dat licht heeft de rechtbank geen reden gezien om te concluderen dat de beperkingen zijn onderschat.

Het standpunt van appellante

3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Volgens appellante heeft het Uwv een onjuiste maatstaf arbeid gehanteerd. Omdat zij, voordat zij in de WW terecht kwam, voor het laatst als schoonmaakster op een vliegveld heeft gewerkt, had deze functie als maatstaf moeten worden gehanteerd en niet de bij de WIA-beoordeling geduide functies. Volgens appellante kan zij dit werk niet uitvoeren als gevolg van een angststoornis, somatoforme stoornis en trauma, en stressor gerelateerde stoornissen. Ter onderbouwing heeft appellante verwezen naar het behandelplan van 18 april 2025. Ten slotte heeft appellante, ter zitting herhaald, de Raad verzocht om onafhankelijke medisch deskundigen te benoemen om een eenduidig beeld te kunnen krijgen van de complexiteit van haar klachten. Daaruit zou volgens appellante blijken dat zij meer beperkt is dan waarvan het Uwv is uitgegaan.

Het standpunt van het Uwv

4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.
Het oordeel van de Raad
5. De Raad beoordeelt aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden, of de rechtbank het bestreden besluit over de weigering van de ZW-uitkering terecht in stand heeft gelaten. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
5.1.
Op grond van artikel 19 van de ZW heeft een betrokkene recht op een ZW-uitkering als hij ongeschikt is voor ‘zijn arbeid’. Volgens vaste rechtspraak wordt met ‘zijn arbeid’ bedoeld het laatst verrichte werk voorafgaand aan de ziekmelding. Dit is de hoofdregel.
5.2.
Een uitzondering hierop wordt aangenomen in de situatie dat eerder een WIA- beoordeling heeft plaatsgevonden, betrokkene niet in enig werk heeft hervat en zich vervolgens weer ziek heeft gemeld. In een dergelijke situatie geldt het toetsingskader zoals uiteen is gezet in de uitspraak van de Raad van 23 december 2022. Uit deze uitspraak blijkt dat – anders dan voorheen in de rechtspraak werd aangenomen – een weigering van een ZW-uitkering niet kan worden gebaseerd op slechts één van de in het kader van de Wet WIA geselecteerde functies. Bij de toepassing van artikel 19 van de ZW moet zijn voldaan aan de volgende twee voorwaarden:

van de oorspronkelijk bij de WIA-beoordeling geselecteerde functies, met inbegrip van de functies die als reservefuncties aan de betrokkene zijn voorgehouden, zijn op de datum in geding ten minste drie functies met elk ten minste drie arbeidsplaatsen voor de betrokkene geschikt gebleven, én

op basis van die functies – gelet op de loonwaarde die die functies ten tijde van de WIA-beoordeling vertegenwoordigen, afgezet tegen het bij de WIA-beoordeling geldende maatmaninkomen – is nog steeds sprake van een arbeidsgeschiktheid van ten minste 65%.
5.3.
Aan deze voorwaarden is in ieder geval voldaan als de verzekeringsarts in het kader van de nieuwe ziekmelding vaststelt dat de medische beperkingen niet zijn toegenomen. Deze vaststelling is dan voldoende om een weigering van een ZW-uitkering op grond van artikel 19 van de ZW te kunnen dragen. Indien de medische beperkingen van betrokkene ten opzichte van de WIA-beoordeling op een of meer punten van de Functionele Mogelijkhedenlijst zijn toegenomen, dan moet worden beoordeeld in hoeverre dit consequenties heeft voor de geschiktheid van de oorspronkelijk bij de WIA-beoordeling geselecteerde functies.

Maatstaf arbeid
5.4.
Appellante heeft ná de WIA-beoordeling in 2022 en vóór de ziekmelding op 24 januari 2024 niet in enig werk hervat. Gelet op wat in 5.2 is overwogen, heeft het Uwv bij de beoordeling of appellante geschikt is te achten in het kader van de ZW, dan ook terecht de oorspronkelijk bij de WIA-beoordeling geselecteerde functies als maatstaf arbeid gehanteerd.

Medisch onderzoek
5.5.
Wat appellante in hoger beroep aan medische gronden heeft aangevoerd, vormt in essentie een herhaling van de gronden die zij in bezwaar en beroep heeft aangevoerd. De rechtbank heeft deze gronden in de aangevallen uitspraak afdoende gemotiveerd weersproken. De rechtbank wordt gevolgd in het oordeel dat het medisch onderzoek voldoende zorgvuldig is geweest en dat geen aanleiding bestaat te twijfelen aan de juistheid van het medisch oordeel. Daaraan wordt het volgende toegevoegd.
5.6.
De door appellante in hoger beroep overgelegde medische informatie dateert van ruim na de datum hier in geding, 24 januari 2024. Zoals het Uwv overigens terecht heeft opgemerkt, waren de diagnoses waarnaar in deze informatie wordt verwezen, al bekend ten tijde van de WIA-beoordeling per 31 mei 2022 en de hier voorliggende ZW-beoordeling. Gelet op het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 1 augustus 2024 zijn deze diagnoses inzichtelijk bij het onderzoek betrokken. Daarnaast heeft deze arts appellante psychisch onderzocht en daarbij geen aanwijzingen gevonden voor psychopathologie en/of ernstige persoonlijkheidsproblematiek. Appellante is bekend met een status na ongevallen in 2010 en 2019 en met een somatische symptoomstoornis, gepaard gaand met angstklachten en fysieke klachten. Daarom is appellante volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep aangewezen op fysiek en mentaal niet zwaar belastend werk. Omdat de medische situatie van appellante niet significant is gewijzigd, komt dit overeen met de beperkingen die al bij de WIA-beoordeling van 31 mei 2022 zijn vastgesteld. Er is volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep dan ook geen sprake van een toename van de medische beperkingen van appellante. Dit betekent dat deze vaststelling, waaraan niet wordt getwijfeld, voldoende is om de weigering om appellante per 24 januari 2024 een ZW-uitkering toe te kennen, te dragen.

Verzoek onafhankelijk deskundige
5.7.
Uit 5.5 en 5.6 blijkt dat geen twijfel bestaat aan de uitkomst van het door het Uwv verrichte medisch onderzoek. Daarom bestaat geen aanleiding om een onafhankelijk deskundige te benoemen. Dit verzoek wordt dan ook afgewezen.
Conclusie en gevolgen 5.8.
Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering om appellante een ZW-uitkering toe te kennen in stand blijft.

6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door F.M. Rijnbeek, in tegenwoordigheid van G.T. Hunsel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 juli 2026.
(getekend) F.M. Rijnbeek
(getekend) G.T. Hunsel

CRvB 23 december 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2672.

Artikel delen