Menu

Filter op
content
PONT | Governance

0

ECLI:NL:CRVB:2026:989

Weigering om om terug te komen van eerdere besluitvorming van 15 augustus 2014 en 4 januari 2021 tot weigering om aan appellante een Wajong-uitkering toe te kennen. Laattijdige aanvraag. Geen nieuwe feiten of omstandigheden.

Centrale Raad van Beroep 5 augustus 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:CRVB:2026:989 text/xml public 2026-08-05T17:30:14 2026-07-31 Raad voor de Rechtspraak nl Centrale Raad van Beroep 2026-07-29 25/1416 Wajong Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2026:989 text/html public 2026-08-04T12:45:28 2026-08-05 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:CRVB:2026:989 Centrale Raad van Beroep , 29-07-2026 / 25/1416 Wajong
Weigering om om terug te komen van eerdere besluitvorming van 15 augustus 2014 en 4 januari 2021 tot weigering om aan appellante een Wajong-uitkering toe te kennen. Laattijdige aanvraag. Geen nieuwe feiten of omstandigheden.

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

25/1416 WAJONG

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 27 mei 2025, 24/5302 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 29 juli 2026
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht heeft beslist dat geen aanleiding bestaat om terug te komen van de weigering om aan appellante een Wajong-uitkering toe te kennen. Appellante vindt dat sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden en een verslechtering tussen 2001 en 2006. De Raad volgt dit standpunt niet. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het Uwv het verzoek van appellante om terug te komen van eerdere besluitvorming over haar aanvraag om een Wajong-uitkering mocht afwijzen.
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. B.C.F. Kramer, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.

De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 17 juni 2026. Voor appellante is mr. Kramer verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door R.D. van den Heuvel.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante, geboren op [geboortedatum] 1983, heeft op 23 april 2014 een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de Wet Werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wajong 2010). Het Uwv heeft vervolgens een verzekeringsgeneeskundig onderzoek verricht. Bij besluit van 15 augustus 2014 heeft het Uwv de aanvraag afgewezen omdat op basis van de aanwezige informatie er geen of onvoldoende objectiveerbare beperkingen vast te stellen zijn op het zeventiende en achttiende jaar.
1.2.
Met een door het Uwv op 2 september 2020 ontvangen formulier heeft appellante opnieuw een aanvraag voor een Wajong-uitkering ingediend. Het Uwv heeft vervolgens een verzekeringsgeneeskundig onderzoek verricht. Met een besluit van 4 januari 2021 heeft het Uwv vervolgens het besluit van 15 augustus 2014 gehandhaafd, omdat er geen nieuwe medische informatie met de aanvraag van appellante is meegestuurd.
1.3.
Op 3 november 2023 heeft appellante nogmaals een Wajong-uitkering aangevraagd. Het Uwv heeft deze aanvraag aangemerkt als een verzoek om terug te komen van de besluiten van 4 januari 2021 en 15 augustus 2014. Omdat volgens het Uwv geen sprake was van nieuwe feiten of omstandigheden heeft het Uwv in een besluit van 18 januari 2024 geweigerd om terug te komen van de eerdere besluitvorming van 4 januari 2021 en 15 augustus 2014.
1.4.
Bij besluit van 8 augustus 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Uitspraak van de rechtbank

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft geoordeeld dat het neuropsychologisch onderzoek niet is aan te merken als een nieuw medisch feit in de zin van artikel 4:6, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Appellante had dit ook bij de aanvraag in 2020 kunnen inbrengen en bovendien is een laag IQ betrokken bij de beoordeling door de verzekeringsarts in 2015.
2.1.
Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat het handhaven van het besluit van 15 augustus 2014 niet evident onredelijk is. Er is sprake van een laattijdige aanvraag, zodat de bewijslast en dus ook het bewijsrisico volgens vaste rechtspraak bij de aanvrager ligt. Appellante heeft haar standpunt niet nader onderbouwd. Van evidente fouten in de eerdere besluiten is de rechtbank niet gebleken.
2.2.
Ook heeft de rechtbank geoordeeld dat het beroep van appellante op de vijfjaarstermijn niet slaagt. Uit het rapport van de verzekeringsarts blijkt dat voor deze beoordeling de medisch situatie van appellante op haar zeventiende jaar bepalend is. Appellante was toen gestopt met school en werkte. Reeds daarom kan een beroep op de vijfjaarstermijn niet slagen.
2.3.
Tot slot heeft de rechtbank geen aanleiding gezien een deskundige te benoemen omdat er geen twijfel is over de juistheid van de conclusies van de verzekeringsartsen van het Uwv.

Het standpunt van appellante

3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens en heeft daartegen aangevoerd dat sprake is van nieuwe medische feiten. Appellante had op haar zeventiende jaar duurzaam geen arbeidsvermogen. Ook zijn haar beperkingen binnen vijf jaar toegenomen zodat zij valt onder de regels over de vijfjaarstermijn. Verder heeft appellante aangevoerd dat sprake is van evidente fouten in de eerdere besluitvorming, omdat is uitgegaan van een verkeerde eerste arbeidsongeschiktheidsdag. Bovendien is het neuropsychologisch onderzoek onvoldoende betrokken bij het onderzoek. Tot slot heeft appellante gesteld dat het evident onredelijk is om vast te houden aan de eerdere besluitvorming en heeft zij de Raad verzocht een onafhankelijke deskundige te benoemen, omdat volgens haar geen sprake is van equality of arms.

Het standpunt van het Uwv

4. Het Uwv heeft gevraagd om de aangevallen uitspraak te bevestigen.
Het oordeel van de Raad
5. De Raad beoordeelt aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden, of de rechtbank het bestreden besluit over de weigering terug te komen van de eerdere weigering een Wajong-uitkering toe te kennen terecht in stand heeft gelaten. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
5.1.
Het Uwv heeft op het verzoek van appellante om terug te komen van de besluitvorming van 15 augustus 2014 en 4 januari 2021 beslist met overeenkomstige toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb. Dit betekent dat de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetst of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als het bestreden besluit die toets doorstaat, kan de bestuursrechter niettemin aan de hand van wat de rechtzoekende heeft aangevoerd evenwel tot het oordeel komen dat het besluit op de herhaalde aanvraag of het verzoek om terug te komen van een besluit evident onredelijk is.
5.2.
Onder nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd.
5.3.
De gronden die appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, zijn in essentie een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat deze gronden niet slagen. De overwegingen die aan het oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen, worden volledig onderschreven.
5.4.
Uit het voorgaande volgt dat het Uwv zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat appellante geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden heeft gesteld, die maken dat het Uwv had moeten terugkomen van de besluiten van 15 augustus 2014 en 4 januari 2021. Het verzoek van appellante om een deskundige te benoemen, wordt daarom afgewezen.
Conclusie en gevolgen 5.5.
Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering terug te komen van de eerdere weigering een Wajong-uitkering toe te kennen in stand blijft.

6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door F.M. Rijnbeek, in tegenwoordigheid van G.T. Hunsel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 juli 2026.
(getekend) F.M. Rijnbeek <?linebreak?>
(getekend) G.T. Hunsel

Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 8 oktober 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:2421.

Zie de uitspraken van de Raad van 20 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4872 en 27 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:5115.

Artikel delen