Menu

Filter op
content
PONT | Governance

0

ECLI:NL:CRVB:2026:987

Weigering om terug te komen van het besluit van 18 november 2011 tot beëindiging van de ZW-uitkering. Geen nieuwe feiten of omstandigheden. Voldoende zorgvuldig medisch onderzoek. Geen twijfel over de juistheid van de medische beoordeling waardoor geen aanleiding bestaat voor het benoemen van een onafhankelijke deskundige.

Centrale Raad van Beroep 5 augustus 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:CRVB:2026:987 text/xml public 2026-08-05T17:39:14 2026-07-31 Raad voor de Rechtspraak nl Centrale Raad van Beroep 2026-07-29 25/1685 ZW Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2026:987 text/html public 2026-08-05T17:31:46 2026-08-05 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:CRVB:2026:987 Centrale Raad van Beroep , 29-07-2026 / 25/1685 ZW
Weigering om terug te komen van het besluit van 18 november 2011 tot beëindiging van de ZW-uitkering. Geen nieuwe feiten of omstandigheden. Voldoende zorgvuldig medisch onderzoek. Geen twijfel over de juistheid van de medische beoordeling waardoor geen aanleiding bestaat voor het benoemen van een onafhankelijke deskundige.

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

25/1685 ZW

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 16 juli 2025, 24/2912 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 29 juli 2026
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak over een verzoek om terug te komen van het besluit tot beëindiging van de ZW-uitkering van appellante. Volgens appellante is sprake van nieuw gebleken feiten. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht is gebleven bij de weigering om van het eerdere besluit terug te komen.
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. M. Berkel, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en op verzoek van de Raad nadere stukken ingediend.

De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.

De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 17 juni 2026. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. V.C.D. Klaassen, kantoorgenoot van mr. Berkel. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. R. Spanjer.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante heeft voor het laatst gewerkt als tuinbouwmedewerkster. Op 2 maart 2009 heeft zij zich ziekgemeld. Met het besluit van 14 januari 2011 heeft het Uwv haar aanvraag voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen per 28 februari 2011 afgewezen. Het door haar hiertegen ingediende bezwaar is bij beslissing op bezwaar van 26 mei 2011 ongegrond verklaard. Appellante heeft hiertegen beroep ingesteld. Het beroep is door de rechtbank Roermond op 17 januari 2012 ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft appellante hoger beroep ingesteld. De Raad heeft de uitspraak van de rechtbank op 15 november 2013 bevestigd.
1.2.
Appellante heeft zich per 2 mei 2011 opnieuw ziekgemeld. Het Uwv heeft hierop appellante een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend per 2 mei 2011. Bij besluit van 18 november 2011 heeft het Uwv de ZW-uitkering per 21 november 2011 beëindigd, omdat zij arbeidsgeschikt werd geacht voor haar eigen werk. Bij beslissing op bezwaar van 21 februari 2012 heeft het Uwv het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.
1.3.
Appellante heeft op 27 juni 2019 het Uwv verzocht terug te komen van het besluit van 18 november 2011. Appellante heeft daarbij informatie overgelegd van H.M.J.J.M. Oosterbosch, orthomanueel arts, muskuloskeletaal arts, 29 september 2018 en van M.H.M. van Dijck, GZ-psycholoog van 24 september 2018.
1.4.
Bij besluit van 29 augustus 2019 heeft het Uwv na onderzoek besloten niet terug te komen van het besluit van 18 november 2011, omdat er geen sprake was van nieuwe feiten en/of veranderde omstandigheden. Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Het bezwaar is bij beslissing op bezwaar van 21 november 2019 ongegrond verklaard. Aan dit beluit ligt ten grondslag dat de door appellante ingebrachte stukken met volgens haar nieuwe feiten of veranderde omstandigheden op geen enkele wijze verwijzen naar de medische problematiek rond 21 november 2011. Appellante heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. Het beroep is door de rechtbank Limburg op 25 februari 2021 ongegrond verklaard.
1.5.
Appellante heeft vervolgens op 6 september 2022 opnieuw een verzoek ingediend om terug te komen van het besluit van 18 november 2011. Appellante heeft haar verzoek onderbouwd met een brief van drs. N. Strijbos, GZ-psycholoog, van 15 juni 2022. Het Uwv heeft het verzoek met het besluit van 14 september 2023 afgewezen. Aan dit besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts van 9 september 2023 ten grondslag. Deze heeft geconcludeerd dat de informatie van Strijbos geen nieuw licht werpt op de beperkingen ten tijde van de beslissing van 18 november 2011. Bij beslissing op bezwaar van 21 maart 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard. Aan dit besluit ligt een rapport van verzekeringsarts bezwaar en beroep van 5 maart 2024 ten grondslag.

Uitspraak van de rechtbank

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank is van oordeel dat het Uwv met de rapportage van verzekeringsarts bezwaar en beroep van 5 maart 2024 inzichtelijk heeft gemotiveerd dat er geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden die aanleiding geven terug te komen op het besluit van 18 november 2011. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft toegelicht dat bij de beoordeling in 2011 rekening is gehouden met de lichamelijke en psychische klachten van appellante. Daarbij heeft de arts erop gewezen dat er een grote hoeveelheid medische informatie aanwezig is in het dossier. Dat appellante last had van een stalker en dat zij daarvan psychische klachten ondervond, was bij de beoordeling in 2011 al bekend en meegenomen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft verder gesteld dat het feit dat appellante in mei 2022 opnieuw contact heeft gezocht voor psychologische begeleiding niet impliceert dat de eerdere beoordeling onjuist is geweest. De informatie van GZ-psycholoog Strijbos waarin PTSS wordt vastgesteld bij appellante kan niet tot een andere conclusie leiden. In het verweerschrift heeft het Uwv terecht gesteld dat de diagnose PTSS al genoemd is in de informatie van de GZpsycholoog van 24 september 2018 en dat deze is meegenomen bij de beoordeling in 2019. Dat appellante sinds 2022 een toename van psychische klachten ervaart en er een toename van de rugklachten heeft plaatsgevonden, maakt de beoordeling niet anders. Een verslechtering van de bestaande situatie kwalificeert niet als nieuwe feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Het standpunt van appellante

3. Volgens appellante moeten de rapporten van Van Dijck van 24 september 2018 en van Strijbos van 15 juni 2022 wel degelijk als nieuwe feiten worden aangemerkt, omdat deze rapporten verifieerbare, retrospectief duidende medische gegevens bevatten waaruit volgt dat in 2011 sprake was van een (complexe) PTSS met een specifiek klachtencluster. Deze gegevens werpen nieuw licht op haar belastbaarheid per 21 november 2011 en verklaren het gedrag en de presentatie bij het Uwv in 2011. De brief van Strijbos ziet volgens appellante op haar medische situatie in 2010/2011.Volgens appellante is deze problematiek niet al in 2011 meegewogen. Verder is appellante van mening dat het onderzoek onzorgvuldig is geweest en dat het op de weg van de verzekeringsarts van het Uwv had gelegen behandelaren nadere vragen te stellen over haar medische situatie per 2011. De nu vaststaande PTSS-klachten leiden per definitie tot (meer) beperkingen op persoonlijk en sociaal functioneren. Tot slot heeft appellante aangevoerd dat het evident onredelijk is niet terug te komen van het besluit van 18 november 2011. Appellante heeft de Raad verzocht een onafhankelijke deskundige te benoemen.

Het standpunt van het Uwv

4. Het Uwv heeft gevraagd om de aangevallen uitspraak te bevestigen.
Het oordeel van de Raad
5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de weigering terug te komen van het besluit van 18 november 2011 in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
5.1.
Op het verzoek van appellante heeft het Uwv beslist met overeenkomstige toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb. Dit betekent dat de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetst of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als het bestreden besluit die toets doorstaat, kan de bestuursrechter niettemin aan de hand van wat de rechtzoekende heeft aangevoerd evenwel tot het oordeel komen dat het besluit op de herhaalde aanvraag of het verzoek om terug te komen van een besluit evident onredelijk is.
5.2.
Onder nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd.
5.3.
De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat appellante aan haar verzoek om terug te komen van het besluit van 18 november 2011 geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Awb ten grondslag heeft gelegd. De informatie van Strijbos, die appellante bij haar verzoek heeft overgelegd, bevat geen nieuwe medische gegevens over medische situatie van appellante rond november 2011. Strijbos, die appellante voor het eerst op 30 mei 2022 heeft gezien, heeft weliswaar beschreven dat appellante vanaf 2010 slachtoffer is geweest van een stalker en dat zij daaraan PTSS heeft overgehouden, maar zij heeft niets vermeld over de klachten en beperkingen van appellante op of rond 21 november 2011. Uit de informatie van Strijbos blijkt verder dat de klachten van appellante in de loop der jaren zijn verergerd, doordat zij geen steun kreeg van hulpverlenende instanties en de politie fouten zou hebben gemaakt.
5.4.
Ook het betoog van appellante dat het besluit van het Uwv om niet terug te komen van het besluit van 18 november 2021 evident onredelijk is, slaagt niet.
5.4.1.
Bij de beoordeling of de afwijzing van een verzoek om terug te komen van een eerder besluit evident onredelijk is, ligt niet de vraag voor of het oorspronkelijke besluit onredelijk of onjuist is, maar de vraag of dat besluit onmiskenbaar onjuist is. Van onmiskenbare onjuistheid is sprake als bij oppervlakkige inhoudelijke beoordeling of summier onderzoek al blijkt dat het oorspronkelijke besluit onjuist is. Daarvan is in dit geval geen sprake. Anders dan appellante ter zitting heeft betoogd, heeft het Uwv bij de beoordeling in 2011 wel degelijk kennisgenomen van en rekening gehouden met de psychische klachten van appellante. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft immers navraag gedaan bij psychiater Badr, die op dat moment een depressieve stoornis en PTSS uitsloot. Uit de informatie van Van Dijck blijkt verder dat appellante zich in 2017 bij haar heeft gemeld naar aanleiding van een psychotraumatische gebeurtenis. Uit de rapportage van Van Dijck blijkt dat appellante op dat moment kampte met meer en andere klachten dan in 2011. Dit wordt bevestigd door wat appellante ter zitting heeft toegelicht, namelijk dat zij vanaf 2010 onophoudelijk wordt gestalkt door haar broer en een andere persoon en dat in 2019 de heftigheid van haar PTSS naar voren is gekomen. De omstandigheid dat haar klachten na 2011 zijn verergerd en appellante nu heeft te kampen met (meer klachten als gevolg van) PTSS, betekent niet dat daarmee gegeven is dat het besluit uit 2011 (onmiskenbaar) onjuist is. Daarom is de weigering van het Uwv om op dat besluit terug te komen niet evident onredelijk.
5.5.
Omdat niet gebleken is van een onzorgvuldig medisch onderzoek en er geen twijfel is aan de juistheid van de beoordeling door de verzekeringsartsen van het Uwv, is er geen aanleiding over te gaan tot benoeming van een deskundige.
Conclusie en gevolgen 5.6.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat wegering terug te komen van het besluit van 18 november 2011 in stand blijft.

6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door S. Wijna, in tegenwoordigheid van D. Semiz als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 juli 2026.
(getekend) S. Wijna <?linebreak?>
(getekend) D. Semiz

Zie de uitspraak van de Raad van 15 november 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2460.

Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Raad van 20 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4872 en 27 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:5115.

Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 23 mei 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1106, van 19 juli 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1363 en van 16 januari 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:118.

Artikel delen