Menu

Filter op
content
PONT | Governance

0

ECLI:NL:CRVB:2026:1346

Hoger beroep: het Uwv heeft voorschotten WIA-uitkering terecht van appellante teruggevorderd. Geen dringende reden om van terugvordering af te zien. Haar treft geen verwijt, maar het Uwv heeft geen fouten gemaakt. Appellante wist ook dat er een kans was dat ze de voorschotten moest terugbetalen. Achterwege laten van terugvordering zou bovendien betekenen dat appellante een aantal maanden zowel ...

Centrale Raad van Beroep 12 oktober 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:CRVB:2026:1346 text/xml public 2026-10-12T17:09:01 2026-10-09 Raad voor de Rechtspraak nl Centrale Raad van Beroep 2026-10-07 25/849 WIA Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2026:1346 text/html public 2026-10-09T14:57:49 2026-10-12 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:CRVB:2026:1346 Centrale Raad van Beroep , 07-10-2026 / 25/849 WIA
Hoger beroep: het Uwv heeft voorschotten WIA-uitkering terecht van appellante teruggevorderd. Geen dringende reden om van terugvordering af te zien. Haar treft geen verwijt, maar het Uwv heeft geen fouten gemaakt. Appellante wist ook dat er een kans was dat ze de voorschotten moest terugbetalen. Achterwege laten van terugvordering zou bovendien betekenen dat appellante een aantal maanden zowel een ZW-uitkering als een WIA-uitkering zou ontvangen. Incidenteel hoger beroep: rechtbank heeft ten onrechte opdracht tot nemen nieuwe beslissing gegeven. In stand laten van de rechtsgevolgen zou hebben volstaan. Gedeeltelijke vernietiging aangevallen uitspraak. Rechtsgevolgen bestreden besluit in stand gelaten.

25/849 WIA, 25/1138 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 21 maart 2025, 24/6690 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 7 oktober 2026
SAMENVATTING
Het hoger beroep van appellante gaat over de vraag of het Uwv terecht de betaalde voorschotten op de WIA-uitkering van appellante heeft teruggevorderd. Appellante is van mening dat het Uwv, ondanks de afwezigheid van verwijtbaarheid van haar kant, onvoldoende kenbaar heeft gemotiveerd dat geen aanleiding bestaat om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. De Raad volgt het standpunt van appellante niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht de voorschotten op de WIA-uitkering van appellante heeft teruggevorderd.

Het incidenteel hoger beroep van het Uwv gaat over de vraag of de rechtbank na vernietiging van het bestreden besluit terecht het Uwv de opdracht heeft gegeven om een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. De Raad is het met het Uwv eens dat de rechtbank had kunnen volstaan met het in stand laten van de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit.
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. M. Kuiper hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift met nadere stukken ingediend en gelijktijdig incidenteel hoger beroep ingesteld.

Appellante heeft zienswijzen op het incidenteel hoger beroep ingediend.

De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 3 september 2026. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Kuiper. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.S. Träger.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante heeft van 4 mei 2022 tot en met 30 april 2024 recht gehad op een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW). Op 20 september 2023 heeft appellante een aanvraag voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) ingediend. Met een besluit van 8 januari 2024 heeft het Uwv aan appellante een voorschot op haar WIA-uitkering toegekend. Met een besluit van 2 april 2024 heeft het Uwv geweigerd appellante per 22 december 2023 een WIA-uitkering toe te kennen. Vanaf 1 mei 2024 is appellante in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). Op 25 juni 2024 heeft de voormalig werkgever van appellante de ZW-uitkering over de periode van 22 december 2023 tot en met 30 april 2024 aan appellante uitbetaald.
1.2.
Met het besluit van 17 juli 2024 heeft het Uwv vastgesteld dat appellante over de periode van 22 december 2023 tot en met 31 maart 2024 een voorschot op haar WIAuitkering heeft ontvangen, en dat zij gezien het besluit van 2 april 2024 geen recht heeft op een WIA-uitkering, zodat appellante het voorschot moet terugbetalen. Het teruggevorderde bedrag is bepaald op € 4.420,25 bruto.
1.3.
Appellante heeft bewaar gemaakt tegen het besluit van 17 juli 2024. Bij beslissing op bezwaar van 24 september 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv dit bezwaar ongegrond verklaard.

Uitspraak van de rechtbank

2. De rechtbank heeft, kort samengevat, het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het Uwv opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van haar uitspraak. Volgens de rechtbank heeft het Uwv terecht besloten de terugvordering van de voorschotten te handhaven, maar heeft het Uwv het bestreden besluit niet goed gemotiveerd door appellante ten onrechte te verwijten dat zij de WIA-voorschotten heeft ontvangen.

Het standpunt van appellante

3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens, voor zover deze ziet op het oordeel van de rechtbank over de terugvordering van de voorschotten. Volgens appellante had het Uwv aanleiding moeten zien om vanwege dringende redenen geheel of gedeeltelijk van de terugvordering af te zien. Appellante heeft er in dit verband op gewezen dat zij geen aandeel heeft gehad in het ontstaan van de terugvordering. Verder is volgens haar sprake van een bijzonder complexe samenloop van omstandigheden. Ten slotte heeft het Uwv volgens appellante onvoldoende rekening gehouden met de financiële gevolgen van de besluitvorming.

Het incidenteel hoger beroep en het standpunt van het Uwv

4. Het Uwv heeft aangevoerd dat de rechtbank had kunnen volstaan met een vernietiging van het bestreden besluit en het in stand laten van de rechtsgevolgen. Ten aanzien van het hoger beroep van appellante heeft het Uwv aangevoerd dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat geen aanleiding bestaat de terugvordering van de voorschotten ongedaan te maken. Ter informatie heeft het Uwv onder meer een beslissing op bezwaar van 25 maart 2025 overgelegd, waarbij aan appellante alsnog per 22 december 2023 een WIAuitkering is toegekend, een besluit van 10 april 2025 waarbij de WW-uitkering van appellante met ingang van 1 mei 2024 is beëindigd en twee betaalspecificaties van 4 april 2025 en 10 april 2025 waaruit blijkt dat de WIA-uitkering is verrekend met de ZW-uitkering (periode 22 december tot en met 30 april 2024) en de WW-uitkering (periode 1 mei 2024 tot en met 31 maart 2025).
Het oordeel van de Raad
Het hoger beroep van appellante

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de terugvordering van de WIA-voorschotten in stand kan blijven aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
5.1.
Partijen zijn het met elkaar eens dat de aan appellante betaalde voorschotten over de periode van 22 december 2023 tot en met 31 maart 2024 tot een bedrag van € 4.420,25 bruto onverschuldigd zijn betaald. Tussen partijen is in geschil of het Uwv op grond van dringende redenen geheel of gedeeltelijk had moeten afzien van terugvordering van de betaalde voorschotten.
5.2.
Gelet op artikel 77, zesde lid, van de Wet WIA heeft het Uwv de verplichting te veel betaalde uitkering terug te vorderen, tenzij dringende redenen aanwezig zijn. Deze kunnen het Uwv reden geven om van gehele of gedeeltelijke terugvordering af te zien.
5.3.
Bij zijn tussenuitspraak van 18 april 2024 heeft de Raad zijn uitleg van de dringende reden verruimd. De Raad ziet het begrip dringende reden (voortaan) als een open norm waarbinnen het Uwv, tegenover het uitgangspunt dat wat ten onrechte is ontvangen in beginsel moet worden terugbetaald, de relevante feiten en omstandigheden zodanig moet afwegen dat die afweging een toetsing aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zal kunnen doorstaan. Daarbij moet niet alleen rekening worden gehouden met de gevolgen van de herziening en terugvordering, maar ook met de oorzaak daarvan.
5.4.
Wat betreft de oorzaak van de terugvordering zijn partijen het met elkaar eens dat appellante geen verwijt kan worden gemaakt. Daar staat tegenover dat ook het Uwv geen aandeel heeft gehad in het ontstaan van de terugvordering. De voormalig werkgever van appellante heeft verzuimd om tijdig aan haar de ZW-uitkering te betalen. Het Uwv heeft de voorschotten verstrekt om te voorkomen dat appellante hierdoor financiële problemen zou krijgen. Niet is gebleken dat bij de besluitvorming van het Uwv sprake is geweest van eigen fouten of dat de besluitvorming nodeloos lang heeft geduurd. Verder is de situatie van appellante bijzonder in de zin dat de ZW-uitkering pas achteraf is betaald. Dit neemt naar het oordeel van de Raad niet weg dat appellante had moeten begrijpen dat toen zij de nabetaling van haar ZW-uitkering ontving, sprake was van een situatie waarin zij over het tijdvak van 22 december 2023 tot en met 30 april 2024 zowel een ZW-uitkering had ontvangen als de WIA-voorschotten. Van belang is ook dat appellante bij het besluit waarbij aan haar het voorschot is toegekend, is gewezen op de mogelijkheid dat verstrekte voorschotten moeten worden terugbetaald. Appellante had de nabetaalde ZW-uitkering kunnen gebruiken om de voorschotten terug te betalen. Dat zij de nabetaalde ZW-uitkering heeft gebruikt voor het aflossen van andere schulden is, nog daargelaten dat een onderbouwing hiervoor ontbreekt, een eigen keuze van appellante geweest en komt daarmee voor haar rekening.
5.5.
Appellante heeft tot slot aangevoerd dat onvoldoende rekening is gehouden met de financiële gevolgen van de terugvordering. Zij heeft in dit verband gewezen op de getroffen betalingsregeling van € 50,- per maand, waaruit blijkt dat haar financiële middelen beperkt zijn. De Raad volgt appellante hierin niet. De omstandigheid dat met appellante een betalingsregeling is getroffen, betekent juist dat rekening is gehouden met haar beperkte financiële situatie. Appellante heeft daarnaast niet onderbouwd dat de getroffen betalingsregeling van € 50,- per maand leidt tot (mogelijk) ernstige financiële gevolgen. Andere mogelijke gevolgen van de terugvordering heeft appellante niet gesteld.

Het incidenteel hoger beroep van het Uwv
5.6.
De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het Uwv heeft opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. De Raad komt tot het oordeel dat het incidenteel hoger beroep slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
5.7.
Het Uwv heeft in het incidenteel hoger beroep aangevoerd niet te begrijpen waarom de rechtbank een nieuw te nemen besluit met een afdoende motivering aangewezen acht, terwijl volgens de rechtbank het rechtsgevolg van het bestreden besluit, de terugvordering van de voorschotten, gehandhaafd kan worden. Volgens het Uwv had de rechtbank kunnen volstaan met het dictum dat het bestreden besluit wordt vernietigd en dat de rechtsgevolgen, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), in stand worden gelaten. Dit betoog slaagt.
5.8.
De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak geoordeeld dat het Uwv in het bestreden besluit de terugvordering van de voorschotten terecht heeft gehandhaafd, maar dat daarvoor een voldoende motivering ontbreekt. De rechtbank heeft om die reden het bestreden besluit vernietigd en het Uwv opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen, met inachtneming van haar uitspraak. De rechtbank had, gelet op haar oordeel dat het Uwv de terugvordering terecht heeft gehandhaafd en het bepaalde in artikel 8:41a van de Awb, de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen laten.
Conclusie en gevolgen 5.9.
Het hoger beroep van appellante slaagt niet. Het incidenteel hoger beroep van het Uwv slaagt wel. De aangevallen uitspraak wordt vernietigd, voor zover daarbij het Uwv is opgedragen een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen. Verder zal worden bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand worden gelaten. Dit betekent dat de terugvordering van de voorschotten in stand blijft. Ook de veroordeling van het Uwv in de proceskosten en de vergoeding van het griffierecht in eerste aanleg blijven in stand.

6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep

vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij het Uwv is opgedragen een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen;

bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige.

Deze uitspraak is gedaan door D.S. de Vries als voorzitter en L.A. Kjellevold en D.H. Harbers als leden, in tegenwoordigheid van A.N. Bechinka als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2026.
(getekend) D.S. de Vries <?linebreak?>
(getekend) A.N. Bechinka

CRvB 18 april 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:726.

Artikel delen